Uit de pers
Waar zouden de eerste hoorders van de evangelisten en de apostelen aan gedacht hebben, wanneer ze hoorden dat je je kruis op moest nemen?
Ds. Overduin's laatste toespraak
Enkele weken geleden is melding gemaakt van het overlijden van ds. J. Overduin, de bekende evangelisatiepredikant van de Geref. Kerken, bekend ook uit zijn vele publicaties. In het Centraal Weekblad van 22 juni is de laatste toespraak afgedrukt die Overduin gehouden heeft, nl. op 6 juni 1982 ter gelegenheid van de jubileumviering van de 'Van Löben-Sels-school' in Arnhem, de school die inzet werd van zijn arrestatie en gevangenschap in het concentratiekamp Dachau. Wij zijn dankbaar dit appellerende geloofsgetuigenis op deze wijze te kunnen doorgeven:
'Na eerst dank gebracht te hebben aan het toenmalige bestuur, de heren Dijk, Ploeger, Boersma, Ruige en Zielhuis, het toen functionerende hoofd der school de heer Caspars en het personeel, alsmede aan het toenmalige Kamerlid de heer Meyerink, vervolgde ds. Overduin: Onze vrienden Caspars, Boersma en Ploeger waren reeds gevangen genomen, toen ik 8 februari 1942 in de Oosterkerk voorging in een bidstond voor de vrijheid van het christelijk onderwijs. Toen ik na mijn gevangenschap voor het eerst hier in deze Westerkerk voorging, waren mijn eerste woorden: Gemeente, al wat ik u gepreekt heb is waar. Het kan de vuurproef van de vervolging doorstaan. Calvijn zei reeds: Wij kennen God uit Zijn Woord en in de praktijk van het leven. De praktijk bevestigt de waarheid van Gods geboden en beloften. De preek die ik onder het gehoor van de Gestapo hield ging over het Woord van Christus: "Zalig indien gij vervolgd wordt om der gerechtigheid wil, liegende allerlei kwaad tegen, want alzo hebben zij vervolgd de profeten die voor u geweest zijn. Verblijdt u en verheugt u want uw loon is groot in de hemelen".
Wij roemen niet in de mensen die trouw stand hielden in het verzet, want wij waren ook vol angsten, maar Gods trouw zorgde ervoor dat wij trouw konden zijn. ''Wie roemt, roeme in de Heere". Daar ligt het geheim. Niet in onze heldenmoed maar in Gods kracht. Toen Caspers in zijn cel terecht kwam, viel zijn oog op hetgeen een voorganger in de muur geprikt had met een speld: "Daar God mijn schild en hulp wil wezen, wat zal een nietig mens mij doen?"
Een nietig mens? Een hele horde Gestapo-lieden die je konden maken en breken! Zij verhoorden je met de revolver op tafel onder dreigementen: "Je moet niet denken dat je op zo'n makkelijke manier de dood ingaat. Een schot is veel te barmhartig, je zult eerst in een concentratiekamp kreperen''.
Toch "nietig"? Ja, want ze konden je martelen, alles ontnemen, ook het leven; maar, één ding konden zij niet ontnemen, nl. het kindschap Gods. "Niemand zal u uit Mijn hand rukken". Dat was het geheim van onze kracht; ''Als ik zwak ben, dan ben ik machtig".
Wij - zien weer hoe vals de tegenstelling tussen verticale en horizontale vroomheid is. Het mag niet zijn: óf - óf, maar het moet zijn; én - én. Naarmate wij onze wandel in de hemel hebben, zullen wij trouw zijn op de aarde.
Ook dominees kunnen net papegaaien zijn om bepaalde modeslagzinnen na te praten. Ik denk aan het ''Hier beneden is het niet'', dat kun je niet zingen, wan t ''hier beneden is het wél''. Alsof dat een tegenstelling is. Ja, de christelijke school is duur betaald.
En nu, zijn wij als verwend en genietend volk nog in staat offers te brengen voor de zaak des Heeren? Ik ben bezorgd over de mentaliteit en verwereldlijking in deze tijd.
Een historicus zei: "Wie denkt eraan, dat de geschiedenis morgen plotseling in uw achtertuin binnen kan wandelen?" En zijn wij dan geestelijk gemobiliseerd? Stefan Zweig schreef: "Niets maakt een volk zo rijp voor de dictatuur dan inflatie". Er bestaat niet alleen een inflatie, een sluipende waardevermindering van het geld, maar ook van de zedelijke en geestelijke waarden en normen. Dat is de ondermijning van de kerkelijke en wereldlijke volksgezondheid.
"Het gevaar van de principeloze massa". Na de moeilijke dertiger jaren van werkloosheid en bittere armoede bleek er meer volkskracht te zijn dan nu na zovele jaren van welvaart en consumptie. Wat moet ik u nu toewensen, u, het bestuur, het personeel, de ouders en de kinderen?
Leest aandachtig Jeremia 2. Daar vertelt de Heere God door de mond van Jeremia het volgende: Vergeet toch niet dat Ik indertijd gelukkig getrouwd ben geweest met Israël. Het waren schone "wittebroodsweken''. Het was de tijd dat Ik u verloste uit de slavernij in Egypte en u voerde door een ''onbezaaid land", vol kuilen en diepe duisternis. Toen waart gij aanhankelijk. Maar toen gij in het land van de belofte kwaamt en grote welvaart genoot, toen had gij Mij niet meer nodig. U dacht "we kunnen het nu wel zelf af''.
Niemand vroeg in de consumptiemaatschappij: Waar is toch de Heere? Dat vroegen de priesters, noch de herders noch de profeten. Zo beleven wij ook de tijd van grote afval. Waar is het zoeken van de Heere in overvolle kerken, zoals in de tijd van de woestijn der Duitse bezetting?
De heidenen blijven hun afgoden trouw, maar Israël verwijdert zich ver van de Heere en zoekt de Baals, de vruchtbaarheids-en welvaartsgoden. Vroeger dacht ik: Wat is Israël toch een wispelturig en hardnekkig volk. Telkens uit de nood roepen tot God en als de bui over is, begint de "afval" weer. En dan roepen tot God en weer gered worden, maar daarop volgde ook weer de "afval".
Nu verbaas ik me niet meer over Israël maar wel over ons eigen volk, over het Westen, over onszelf. We zijn precies eender. Onderwijzers, leraren, ouders blijft in alles vragen en zoeken: Waar is de Héere! Immers heeft de Heere God twee boosheden gevonden: Mij de fontein van levend water hebben zij verlaten, en zij hebben bakken uitgehouwen (alsof dooie bakken water leveren!) en dan nog wel gebroken bakken, die zo lek zijn als een mandje. Laat dit oordeel niet vallen over kerk, school en samenleving.
Wat een grote kansen geeft God aan opvoeders. Zij brengen kennis bij onder onze kinderen. Ze moeten veel weten. Maar wat en hoe weten ze? Bonhoeffer zegt: Het gaat om weten van het geweten, van het hart. Een weten dat met het weten van God samenvalt. Die kennis is het eeuwige leven. Niet afstandelijk, niet beschouwelijk, niet vrijblijvend, maar met lichaam en ziel bij betrokken als geroepenen.'
Wie Overduin kent uit zijn publicaties zal verschillende voor hem kenmerkende uitspraken herkennen. Ook hier treft ons weer de nuchterheid en de bewogenheid, de evenwichtigheid en duidelijkheid van zijn spreken. Moge zijn getuigenis onder ons gehoor blijven vinden.
***
Even een vraag
Dat is opschrift van een artikel van dr. A. A. Spijkerboer in Evangelisch Commentaar van 1 juli 1983. Hij wijst er op dat in het Nieuwe Testament regelmatig sprake is van het opnemen van het kruis in de navolging van Christus. Spijkerboer is van mening dat we eigenlijk weinig over de invulling van dit woord spreken. Wat betekent het voor ons vandaag? Exegetisch is wel duidelijk dat het niet zoiets is als: elk huis heeft zijn kruis. Het gaat om het lijden dat bij het geloof in Christus behoort.
'Waar zouden de eerste hoorders van de evangelisten en de apostelen aan gedacht hebben, wanneer ze hoorden dat je je kruis op moest nemen? Dat is niet zo moeilijk te raden: de oudste gemeente leefde in de schaduw, en soms ook onder de druk van de synagoge, en tegelijk temidden van een heidendom dat eenvoudig niet begreep waarom je niet mee zou doen aan de dienst van Zeus, Diana, of hoe al die andere oude goden ook heten mogen. In de Oudheid deed het gerucht de ronde, dat de Christenen een gekruisigde ezel aanbaden, en dat spreekt boekdelen. De oudste gemeente kreeg om haar geloof in Jezus Christus de klappen te incasseren, en zo nam ze haar kruis op. Bij Paulus ligt het, dunkt me, anders. In zijn brieven neem je je kruis op, wanneer je Gods oordeel over je eigenmachtige godsdienst waar laat zijn, en een nieuw leven ontvangt, waarin de Geest vruchten voortbrengt. Dan kun je je kruis dus ook opnemen zonder dat je van buiten af onder druk wordt gezet.'
Is er, zo vraag Spijkerboer, nu ook in onze tijd iets te zien van tegenstand die de gemeente oproept omdat ze bij Jezus Christus hoort? Hij wijst in dit verband op enkele dingen als de God-is-dood-theologie. Hij vraagt zich af of verzet tegen de vredesbeweging ook te maken kan hebben met verzet tegen Christus en hij geeft daarover een genuanceerd oordeel. Niet alle kritiek die vredesbewegingen over zich heen krijgen valt samen met het dragen van het kruis. Ook klappen die de vrienden van Israël oplopen moet we zeer genuanceerd en voorzichtig beoordelen.
'Kijk je in onze tijd om je heen, dan kun je dus wel eens een glimp opvangen van het kruis, dat de gemeente te dragen heeft, maar nauwelijks heb je die glimp gezien, of er schuift weer een dikke laag mist overheen. Duidelijk is het niet wat het in onze tijd voor de gemeente inhoudt om het kruis op te nemen. Er zullen overigens hier en daar wel enkelingen zijn die er meer van weten. Iemand die werkt in een omgeving waar massaal gefraudeerd wordt, en die niet meedoet met het algemene bedrog, heeft het niet gemakkelijk. Iemand die algemeen aanvaarde christelijke zekerheden, oude of nieuwe, ondermijnt, krijgt ook de wind van voren. Zo wordt de goede strijd van het geloof hier en daar wel in stilte gestreden.
Maar als het Nieuwe Testament zo duidelijk zegt, dat je helemaal geen Christen kunt zijn, als je je kruis niet opneemt, dan mag de vraag wat dat dan voor de gemeente in haar geheel inhoudt, ons niet met rust laten. Laten we overigens wel even constateren, dat het Nieuwe Testament óók wel eens vertelt, dat de gemeente in de gunst staat bij de mensen, en dat een gemeente die geen klappen krijgt dus wel echt gemeente van Jezus Christus kan zijn. Maar wat het Nieuwe Testament over het opnemen van je kruis zegt, is te ernstig dan dat je na deze constatering tot de orde van de dag over zou kunnen gaan.
Een mens kan zich juist in zijn godsdienst vreselijk opblazen, en wanneer hij dat doet drijft hij andere mensen in het nauw, of hij zich daarvan bewust is of niet. De orthopraxie met haar nadruk op de juiste daden, en de orthodoxie met haar nadruk op de zuivere leer, zijn allebei even wreed en onmenselijk wanneer ze eigenmachtig gehanteerd worden. Wanneer ik Paulus goed begrijp neem je je kruis op door alle eigenmachtigheid te laten varen. Bij Paulus is het opnemen van je kruis dan ook de keerzijde van een leven waarin je telkens weer aanklopt bij Gods genade, en dan humaan met elkaar omgaat. In die humaniteit krijgen de zuivere leer en de juiste daden hun goede en noodzakelijke plaats. We kunnen dus niet zeggen dat er op het ogenblik geen kruis is, dat we op ons moeten nemen, maar zoals ik het nu onder woorden probeer te brengen, is het een innerlijk gebeuren, terwijl het in het Nieuwe Testament ook betekent dat je fysieke klappen oploopt.
Toen het Leger des Heils aan het eind van de vorige eeuw met een radicale prediking van de vergeving van de zonden de achterbuurten van de grote steden introk om arme sloebers op te pikken, en daar inderdaad straatvuil naar zijn hoofd kreeg, kon je even het héle Nieuwe Testament zien: wie de vergeving van de zonden gelooft, doet afstand van zijn eigen goed-doenerij en neemt zijn kruis op, en wie een mep oploopt omdat hij iemand te hulp komt, die door niemand geholpen wordt, neemt ook zijn kruis op.
Ik kan dit artikel niet met een fraaie conclusie beëindigen. Ik ben nog niet verder dan mijn eerste zin: het is eigenlijk erg raar, dat je in het Nieuwe Testament telkens leest, dat je helemaal geen Christen kunt zijn als je je kruis niet opneemt, en dat wij daar nooit met elkaar over praten.'
De opmerking waarmee Spijkerboer zijn artikel besluit behelst een vraag aan ons. Wij behoeven het lijden niet te zoeken, noch te verheerlijken. Er kunnen ook rustperioden en adempauzes zijn. Toch zal ieder die over de geladen navolgingswoorden uit de Schrift spreekt, de verlegenheid van Spijkerboer kunnen meevoelen. Hoe maak je de aangnjpende werkelijkheid van 'kruisdragen om Jezus' wil' concreet? Moet je daarvoor in de Oostblok-landen zijn of in landen waar de kerk optornt tegen een rechtse dictatuur? Maar hoe zit het dan met de gemeente in het geseculariseerde Westen? Bovendien moeten we oppassen voor wat iemand eens noemde een martelaarshoed van bordpapier. Maar wel staan we voor de vraag: Zijn wij in leven en denken zo aangepast geworden dat we geen vragen en verzet meer oproepen? Of openbaart dit verzet zich in andere vorm? In ieder geval: dit artikel zonder afgeronde conclusie t nadenken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's