De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Conclusies uit onderzoek onder jongeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Conclusies uit onderzoek onder jongeren

16 minuten leestijd

Algemeen

1. De enquête is ondanks de lengte en de persoonlijk gerichte vragen over het algemeen heel serieus ingevuld.

2. Grote of opmerkelijke verschillen tussen de scholen van eenzelfde signatuur hebben we niet gevonden.

3. Duidelijke verschillen zijn wel gevonden bij de antwoorden op de eigenlijke geloofsvragen tussen leerlingen van reformatorische en protestantschristelijke scholen.

4. Verschillen tussen ervaringen van jongens en meisjes zijn op een aantal punten zeker significant.

5. Nieuwenhuis heeft het in zijn boek over andere leerlingen dan door ons onderzocht zijn. Op z'n minst dient er wat geloofservaringen betreft heel genuanceerd gesproken en geschreven te worden: drie grote groepen leerlingen zijn zo al aanwijsbaar: de groep waar Nieuwenhuis het over heeft; de groep leerlingen op de reformatorische scholen; de groep leerlingen op de protestants-christelijke scholen.

Over praten en kontakten

6. Jongeren praten het meest met seksgenoten, met uitzondering van vader en opa, die door jongens minder uitgezocht worden om mee te praten dan moeder en oma.

7. Moeder is degene waar het meest mee gepraat wordt.

8. In ongeveer de helft van de gevallen praten jongeren niet veel met hun vader.

9. Meisjes praten meer dan jongens.

10. Jongens van reformatorische scholen praten aanwijsbaar meer met hun vader dan welke andere groep jongeren dan ook.

11. Leerlingen van reformatorische scholen praten meer met overige familieleden dan leerlingen van protestants-christelijke scholen.

12. In tegenstelling tot wat De Haas beweert, wordt met opa en oma niet opvallend veel gepraat.

13. Naast de moeder zijn de meeste kontakten zowel in school als in de kerk met leeftijdgenoten.

14. De speciaal aangestelde funktionarissen om met leerlingen te praten, blijken niet veel door leerlingen uitgezocht te worden om mee te praten.

15. Als 10 % van de jongeren veel met een predikant praten is dat nog hoog te noemen.

16. Op reformatorische scholen zijn er iets minder gesprekken met leeftijdgenoten en iets meer met volwassenen dan op protestants-christelijke scholen, met name geldt dit laatste voor de jongens.

17. Als praten iets zegt over invloed dan zou het wel eens duidelijk kunnen zijn, dat de invloed van leeftijdgenoten groter is op jongeren dan de invloed van volwassenen op jongeren.

18. Acht van de tien jongeren zeggen een paar vrienden te hebben.

19. Bijna 5 % van de door ons onderzochte jongeren zegt géén vrienden te hebben.

20. Ongeveer 20 % van de jongeren voelt zich wel eens eenzaam.

21. Dit komt bij meisjes vaker voor dan bij jongens.

22. Ruim 7 % van de meisjes zegt zich vaak eenzaam te voelen.

23. Onder meisjes van reformatorische scholen is de grootste groep eenzamen. Tien procent zegt zich vaak eenzaam te voelen.

24. In ongeveer 3 van de 4 gevallen zeggen jongeren dat vrienden luisteren.

25. Thuis wordt volgens 60 % van de jongens en de meisjes van reformatorische scholen veel geluisterd. En volgens 70 % van de meisjes van protestantschristelijke scholen wordt bij hen thuis echt geluisterd.

26. Volgens 1 op de 3 meisjes van reformatorische scholen wordt in hun kerk echt naar hen geluisterd. 1 op de 5 leerlingen van protestants-christelijke scholen zegt hun dit na.

27. Meisjes zeggen in meer gevallen dat naar hen wordt geluisterd dan jongens.

Praten over God

28. Leerlingen van reformatorische scholen praten ruim twee keer zoveel over God en geloven dan leerlingen van protestants-christelijke scholen.

29. Een op de twee meisjes van reformatorische scholen zegt veel over God en geloven met moeder te praten. Bij hun seksegenoten van protestantschristelijke scholen is dit in 1 op de 4 gevallen zo.

30. Jongens praten minder over God en geloven dan meisjes.

31. In 1 op de 5 gevallen praten meisjes van reformatorische scholen zelfs veel over God en geloven met broers en/of zus. Dit is meer dan jongens van protestants-christelijke scholen met vader of moeder praten.

32. Op een protestants-christelijke school én reformatorische school wordt niet veel over God en geloven gepraat.

33. In de kerkelijke gemeente wordt weliswaar meer over God en geloven gepraat dan op school, toch is het bepaald niet veel te noemen. Het meest gunstige percentage is 26.

34. De stelling van Nieuwenhuis dat leerlingen graag en veel over God en geloven praten hebben wij niet bevestigd gezien. Voor het expliciete spreken over God en geloven menen wij zelfs te hebben aangetoond dat het een onbewezen stelling is, die althans voor onze groepen leerlingen niet opgaat.

35. Op de vraag vind je het fijn over God en geloven te praten, antwoorden de meeste leerlingen (meer dan 50 %) noch met ja noch met neen. Hieruit zou een zekere matheid of zelfs ongeïnterresseerdheid bij een grote groep afgelezen kunnen worden. Deze groep doet menig collega-godsdienstleraar tot enige moedeloosheid verzinken. Met name onder de jongens is deze groep groot.

36. Als jongeren praten over God en geloven menen zij in meer gevallen wel serieus genomen te worden dan niet. Meisjes weten zich meer 'beluisterd' dan jongens.

37. Jongeren van reformatorische scholen vinden vaker een open oor dan jongeren van protestanschristelijke scholen.

38. De beste luisteraars zijn in de gezinskringen te vinden. Met moeder wordt het meest over God en geloven gepraat. Dit zou er op kunnen duiden, dat om over God en geloven te praten een goede relatie vereist is en vertrouwen aanwezig moet zijn!

39. Na moeder is met name de vriendin de vertrouwensfiguur, waar ook twijfels en ongeloof ter sprake worden gebracht.

40. Gelet op het feit, dat er in een aanzienlijke hoeveelheid gevallen over God en geloven gepraat wordt, dat er lang niet altijd geluisterd wordt en er ook niet altijd twijfels en ongeloof ter sprake komen, is de vraag gewettigd of er wel werkelijk veel echte gesprekken over God en geloven door jongeren gevoerd worden. Gevoegd bij de eenzaamheidsgevoelens zou het wel eens zo kunnen zijn, dat een niet onbelangrijk deel van de jongeren alleen zijn met hun levensvragen en twijfels!

Over geloven en God

41. Op protestants-christelijke scholen gelooft plm. 75 % van de jongeren in het bestaan van God. Op reformatorische scholen is dat bijna 100 %.

42. Meisjes geloven meer dan jongens.

43. Op protestants-christelijke scholen is moeite te constateren met het geloof in God, die Zich nog met de wereld bemoeit. Op reformatorische scholen komt deze moeite er niet uit.

44. Het Godsbeeld bij leerlingen van protestantschristelijke scholen verschilt van dat van leerlingen van reformatorische scholen. Dit zal zijn voornaamste oorzaak wel eens kunnen vinden in het gebruik van een bepaalde psalmberijming (die van 1773).

45. Overigens blijft het Godsbeeld vrij vaag. God als Schepper komt nog het duidelijkst naar voren, terwijl de Opperheer en Hoogste Koning op protestants-christelijke scholen uit de aandacht ontsnapt.

46. De visie op God heeft consequenties voor de visie op zonde, schuld en op Jezus.

47. Waar God vooral Koning en Opperheer is, is zonde ongehoorzaamheid en ongeloof en is Jezus vooral de Zoon van God, die gekomen is om de zonden te verzoenen.

48. Waar God niet zo duidelijk Opperheer is, maar veeleer Vader en Vriend, wordt zonde meer verkeerd doen en Jezus meer als voorbeeld gezien ter navolging.

49. Op protestants-christelijke scholen is het schuldgevoel duidelijk minder ontwikkeld dan op reformatorische scholen. Het meest schuldig voelen eerstgenoemden zich tegenover de medemens. Op reformatorische scholen voelen jongeren zich het meest schuldig ten opzichte van God. De derde wereld en de natuur komen niet zo zeer in het schuldvraagstuk voor.

50. Het Jezusbeeld is over het algemeen genomen vrij klassiek te noemen: Zoon van God. De Jezus 'van boven' overheerst de Jezus 'van beneden' (contra Nieuwenhuis).

51. Er blijkt een duidelijk verschil te bestaan tussen het objectief aanvaarden van een aantal geloofsartikelen en het existentieel er door aangedaan worden (zie de toelichting van Berger en Van der Ven).

52. Voor een opvallend groot aantal leerlingen zegt Jezus niet veel.

53. Het geloof in de Heilige Geest zegt veel leerlingen niet veel of weinig. Meer dan 80 % weet niet wie/wat ze zich bij de Heilige Geest moeten voorstellen.

54. Kerk en school doer er goed aan deze centrale geloofszaken duidelijk te maken aan (jonge) mensen. Niet alleen veel kennis en inzicht ontbreekt bij jongeren, maar ook existentiële betrokkenheid.

55. Geloven is vooral vertrouwen. Vertrouwen, dat God zorgt en luistert.

56. Een gelovige is vriendelijk en behulpzaam.

57. Hij is ook ernstig, zeggen leerlingen van reformatorische scholen.

Over bidden

58. In tegenstelling tot wat Nieuwenhuis beweert, wordt er niet zo veel gebeden. Op protestantschristelijke scholen zegt 1 op de 4 jongens nooit te bidden en 3 op de 8 zegt dikwijls te bidden.

59. Meisjes bidden vaker dan jongens. Door leerlingen van reformatorische scholen wordt meer gebeden dan door leerlingen van protestants-christelijke scholen.

60. Meestal wordt een vrij gebed gedaan.

61. Leerlingen van protestants-christelijke scholen bidden meer 's avonds en leerlingen van reformatorische scholen bidden meer 's morgens.

62. Er wordt meer gevraagd om hulp dan dat zorgen verteld worden in het gebed. Bidden is meer vragen dan vertellen, 'praten'.

Over de toekomst

63. 9 van de 10 leerlingen van reformatorische scholen geloven voluit in een leven na de dood. Op protestants-christelijke scholen ligt dit voor de jongens op 5 van de 10 en voor de meisjes op 6 van de 10.

64. 54 % van de jongens op protestants-christelijke scholen gelooft in het bestaan van de hemel. Bij de meisjes is dat 65 %.

65. Het geloof in het bestaan van de hel is minder 'populair', 32 1/2 % van de jongens en 38 % van de meisjes van protestants-christelijke scholen zegt voluit het bestaan ervan te geloven. Op reformatorische scholen variëren de getallen bij punt 64 en 65 tussen 92 % en 96 %.

66. De 'straffende boeman God' is dus - helaas voor Nieuwenhuis - nog geen zachte dood gestorven.

67. Er ligt een beduidend verschil tussen het geloven in het bestaan van de hemel en de hel én het geraakt worden door dit geloof. In nog geen derde van de gevallen zijn jongeren, die zeggen te geloven in het bestaan van de hel, ook bang er zelf te komen.

68. De angst om in de hel te komen is bij leerlingen van reformatorische scholen het grootst. Een op de twee leerlingen is bang om in de hel te komen.

69. De vreugde om in de hemel te komen komt duidelijk meer voor dan de angst om in de hel te komen.

70. Op het punt van de toekomstbestemming na de dood heerst bij jongeren een aanzienlijke onzekerheid.

71. Erg veel kracht voor hier en nu biedt het perspektief van de eeuwigheid niet.

72. Op reformatorische scholen zijn leerlingen het meest bang voor de hel, daarna voor een kernoorlog en tenslotte voor werkeloosheid.

73. Op protestants-christelijke scholen zijn leerlingen meer bang voor een kernoorlog dan voor werkeloos te worden. Angst voor de hel komt daar tenslotte in slechts ongeveer 10 % van de gevallen voor.

74. Het doemdenken is wel degelijk aanwezig ook op christelijke scholen van welke signatuur dan ook. Het lijkt er erg veel op, dat het leven uit angst groter is, dan het leven uit het geloof in de God van het leven.

75. Een pedagogie van de hoop die perspectief biedt is dringend gewenst ook en juist op een christelijke school.

76. Kerk en school zullen zich van bovengenoemde cijfers niet mogen afmaken met de opmerking dat het nogal meevalt of niet tegenvalt.

Over de kerk

77. Zevendertig procent van de leerlingen van protestants-christelijke scholen gaan elke zondag naar de kerk. Op reformatorische scholen ligt dit percentage op 94, 5.

78. Meisjes gaan meer (5 %) naar de kerk dan jongens.

79. Niet alle kerkgangers onder de jongeren vinden kerkgang zinvol. Op reformatorische scholen vinden 69 % de kerkgang zinvol. Op protestants-christelijke scholen vindt 23 % het zinvol en 32 % het niet zinvol. Meisjes zien meer de zin in dan jongens.

80. Bijna driekwart van de leerlingen van protestants-christelijke scholen vindt dat de ouders hen vrij moet laten om naar de kerk te gaan of niet te gaan.

81. Op reformatorische scholen is slechts 20 % die mening toegedaan. Zesendertig procent is het er zelfs helemaal niet mee eens.

82. De preek wordt als het meest zinvol in de eredienst ervaren.

83. Ook het samen zijn wordt als zinvol ervaren.

84. De eigen bijdrage van jongeren in de kerkdienst bestaat uit niet veel meer dan aandacht, meezingen en de kollekte. In enkele gevallen wordt een speciale muziekbijdrage of iets voorgelezen.

85. Bij de voorbereiding van thema-jeugddiensten zouden jongeren meer moeten en kunnen worden betrokken.

86. Met de verstaanbaarheid van de preek schijnt het mee te vallen. Hooguit 18 % zegt de preek meestal niet of nooit te begrijpen.

87. Deze conclusie moge predikers niet tot de gedachte brengen, dat het dus goed gaat, omdat niet getoetst is of jongeren terecht denken, dat ze de prediking verstaan hebben.

88. Liederen, die gezongen worden in de kerkdienst spreken de jongeren niet zo aan. Bij meisjes van reformatorische scholen komen de psalmen uit 1773 nog het best over. Vijfendertig procent van hen zegt er duidelijk door aangesproken te worden.

89. Als uit onze cijfers conclusies naar het Liedboek toe getrokken mogen worden, dan zou Gerard de Haas wel eens gelijk kunnen krijgen met zijn stelling, dat het Liedboek jongeren niet aanspreekt.

90. De kijk van jongeren op de kerk is vrij traditioneel . De voornaamste taak van de kerk is de verkondiging.

91. Jongeren vinden niet dat de kerk te veel praat en te weinig doet.

92. Jongeren op protestants-christelijke scholen hebben geen eenduidige mening over de noodzakelijkheid om als kerk publikelijke uitspraken te doen over politiek-ethische zaken.

93. Jongeren van reformatorische scholen daarentegen vinden, in duidelijke tegenstelling tot hun geestelijke leidslieden, dat de kerk zich wel moet uitspreken over politieke en makro-ethische kwesties.

Over katechese en godsdienstonderwijs

94. Volgens leerlingen van protestants-christelijke scholen is katechisatie meer niet nodig dan wel nodig.

95. Leerlingen van reformatorische scholen zien de noodzaak van katechisatie in ruime meerderheid in.

96. De dominee schijnt op katechisatie niet te veel te praten en ook niet te weinig te luisteren.

97. Er is meer ruimte op de katechisatie om zelf als jongeren problemen aan de orde te stellen dan er werkelijk gebruik van gemaakt wordt. Dit geldt ook voor het godsdienstonderwijs.

98. Meisjes van reformatorische scholen zijn op katechisatie en tijdens de godsdienstles zwijgzamer dan seksegenoten op protestants-christelijke scholen.

99. Het godsdienstonderwijs op protestantschristelijke scholen wordt meer met 'niet goed' beoordeeld, dan met 'goed'. Als we 'soms wel goed' bij 'goed' optellen is het zo, dat ongeveer twee van de drie leerlingen zich daarin kunnen vinden.

100. Het godsdienstonderwijs komt er op de reformatorische scholen beter af dan op protestantschristelijke scholen, in de lagere klassen beter dan in de hogere klassen en bij jongens van protestantschristelijke scholen zelfs beter dan bij meisjes.

Anders?

Ik plaatste dit artikel onder de titel 'Zijn "ónze" jongeren anders? ' Wie zijn 'onze jongeren', kan men zich dan afvragen. Ze zitten zowel op algemeen protestants-christelijke scholen, als op reformatorische scholen, al heb ik er altijd nog moeite mee de naam reformatorisch prijs te geven aan scholen, die gekenmerkt zijn b.v. door berijming en vertaling, hoe sympathiek die mij ook zijn, of door een politiek gekleurde achterban en (zelfs) door het feit dat meisjes geen 'pantalon' (aanduiding van de schrijver) mogen dragen. Het reformatorische gaat immers dieper dan gaat het om de totaal-inhoud van de belijdenis.

Het belangrijkste in de hele bundel vond ik evenwel, dat de schrijvers opmerken dat het met betrekking tot het verstaan van werk van de Heilige Geest op diverse scholen wel ongeveer gelijk ligt. Ik citeer letterlijk:

'Bij de voorstelling van de Heilige Geest wordt het nog veel onduidelijker. Zelfs op reformatorische scholen zegt een hele grote groep eerlijk, dat de Heilige Geest hem of haar weinig zegt (45 % en 36 %). Meer dan 80 % weet ook niet wat ze zich bij de Heilige Geest voor moeten stellen. Dat deze getallen op protestants-christelijke scholen nog hoger liggen laat zich makkelijk raden. Daar weet ruim 90 % niet wat hij of zij zich voor moeten stellen bij de Heilige Geest. Trouwens tweederde van die jongeren zegt het geloof in de Heilige Geest weinig of niets. Nu is het ook geen eenvoudige zaak, maar we menen dat kerk en school aan deze toch alarmerende berichten niet voorbij mogen gaan. Vage GodsvoorsteUingen, een niet zo wezenlijk veel zeggende Jezus, een weinig tot niets zeggend geloof in de Heilige Geest zijn toch geen kleine dingen. Als de kerk zelf wel waarde hecht aan de geloofszaken en als de kerk wel weet wie de Heilige Geest is dan dient én in de prediking én in de katechese én in het godsdienstonderwijs meer duidelijkheid verschaft te worden.

Het is duidelijk dat het met betrekking tot het werk van de Heilige Geest ook bij ouderen soms moeilijk ligt, Maar er is toch geen waarachtig geestelijk leven zonder kennis te hebben aan de werkingen van de Geest?

De geest werkt intussen wel middelijk. Daarom mag er in de gemeenten wel een worsteling om en met de jongeren zijn, opdat ook zij de werkingen van de Geest leren kennen. Anders is het de dood in de pot, of we nu algemeen christelijk, gereformeerd of reformatorisch heten. Ook binnen de Gereformeerde Gezindte lijden we aan een 'manco' wat betreft het werk van de Heilige Geest. Dat blijkt uit deze enquête ook. Ook als leerlingen binnen de beschermende grenzen van een reformatorische school verblijven is dat nog geen garantie voor echt christen-zijn. Of gaan we er - maar dan ten onrechte - vanuit dat het werk van de Geest niet aan de jongeren behoort. Misschien moeten we juist zeggen dat de jeugd de beste tijd is om God te leren kennen en het verdere leven, óók geleid door de Geest, Hem te wijden.

Dankbaar

We mogen de heren Van Driel en Kole dankbaar zijn voor dit grondige onderzoek. Het is duidelijk - om nog even de vinger te leggen bij punt drie van de hiernaast overgenomen conclusies - dat er bij onderzoekingen onder de jongeren drie grote groepen zijn. Die groep, die in algemeen gangbare enquêtes aan bod komt. Daar slaan al die negatieve conclusies over kerk en geloof op van 'vakmensen', sociologen als dr. Nieuwenhuis en drs. De Haas. Dan de leerlingen van algemeen protestants-christelijke scholen, die voor een min of meer groot deel kerkelijk zijn maar vandaag - zo leert de praktijk op veel van dergelijke scholen immers - ook onkerkelijk, wat de uitkomst van enquêtes uiteraard mee bepaalt. En dan de leerlingen van de reformatorische scholen.

Hoezeer ook, wat betreft de twee laatste typen scholen, de cijfers bij elk van de onderzoekingspunten verschillen (bij de reformatorische scholen in positieve zin hoger), nergens is sprake van een algemeen patroon, dat tot optimisme stemt. Er mag grote dankbaarheid zijn om het vele goede dat er nog onder 'onze' jongeren is, er is ook reden tot zorg. Men leze de conclusies er maar grondig op na. Als het gaat om gesprekken met elkaar, over gesprekken over God en geloof dan geven de cijfers die worden genoemd alle reden tot zelfonderzoek, persoonlijk, gemeentelijk, en kerkelijk.

Het zou overigens interessant zijn om een dergelijk onderzoek, zoals nu door de auteurs is verricht, ook eens te houden onder diegenen van de verschillende typen scholen, die vijf of tien jaar geleden hun school verlieten. Geeft tiet ene type school ook meer blijvende weerbaarheid en standvastigheid dan het andere. Want het gaat niet om een aantal jaren op de school maar om scholing voor het leven.

Intussen mogen we vertrouwen dat de Heere ook vandaag vanuit de jongeren Zijn gemeente bouwt en onderhoudt. Daartoe mag de christelijke school ook vandaag gelukkig nog mede dienstbaar zijn.

v. d. G.

N.a.v. L. van Driel en I. A. Kole: 'Godsdienstbeleving van jongeren tussen veertien en aclittien jaar', uitgave Kole, Kampen, 159 pag., ƒ 22, 50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Conclusies uit onderzoek onder jongeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1983

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's