Het gaat om het ‘ABC-des-geloofs’
Vraag je ds. L. Blok naar zijn personalia, dan geeft hij die wel, maar intussen doorrijgt hij deze gegevens al wel met datgene, wat ten diepste zijn hele leven heeft beroerd, namelijk de vragen van het geloof.
Personalia
Vraag je ds. L. Blok naar zijn personalia, dan geeft hij die wel, maar intussen doorrijgt hij deze gegevens al wel met datgene, wat ten diepste zijn hele leven heeft beroerd, namelijk de vragen van het geloof. Ds. Blok werd op 25 februari 1907 in een boerengezin in Noorden geboren. Hij was de tiende van elf kinderen. Na drie jaar ULO te Alphen aan den Rijn volgde hij de HBS en in het laatste jaar van zijn HBS-periode kwam de begeerte bij hem op om theologie te gaan studeren.
Invloed van de prediking
Er was geen bijzondere invloed van de prediking op hem uitgegaan in zijn jeugdjaren. Wel sprak, vanaf zijn dertiende jaar, aan de prediking van ds. Daniël Bax. Deze preekte plat, maar raak. Bij is gebleven een uitdrukking van ds. Bax, als hij het had over het ABC-des-geloofs. Hij vertaalde dit zo: Arme Bedelaar, die Christus nodig heeft. Ds. Ledeboer sprak meermalen over de gelovige als een ABling, een arme bedelaar; ds. Bax voegde er steeds de C. bij: een arme bedelaar, die Christus nodig heeft. Dit is ook de overtuiging van Blok geworden. Op Flakkee hoorde hij vaak: als iemand aan zichzelf bekend wordt gemaakt, wordt hij verliefd op Christus, al is liefdesverlangen nog geen liefdesbezit. Ds. Blok concludeert al direct, dat het jammer is als Christus in de prediking te veel verzwegen wordt. Het geloof is uit het gehoor; de geloofskwalen zijn ook vaak uit het gehoor. Hoe zou men met vrijmoedigheid kunnen toegaan, als ook de Christus niet voluit wordt verkondigd?
Als hem zelf wel eens de vraag werd gesteld of hij niet te ruim preekte, deed hij of hij schrok en zei hij: 'Preek ik de mensen dan zalig zonder het geloof? ' Een koopman stalt zijn waren uit, opdat men koper wordt; zo moet Christus uitgestald worden. Met de Erskines heeft hij dan vaak gezegd, dat hij niet gelooft in de algemene verzoening, maar wel in het algemene aanbod van genade. 'Wij moeten in de prediking niet voorsorteren, dat doet God wel. Een dienaar, die te veel uit de ellende preekt is niet te zwaar, maar te arm.
Een vriend van Spurgeon had eens genoten van een zware preek, waarin het ontdekkende stuk van de ellende sterk voorkwam. Men vroeg Spurgeon: vindt u het niet dierbaar? Spurgeon antwoordde: 'een neus is nuttig, maar een te grote neus maakt de mens mismaakt.' Zo kan de prediking mismaakt worden door grote eenzijdigheid. In de prediking moet alles evenwichtig aan de orde komen. De Heidelbergse Catechismus noemt de ellende van de mens kort en bondig en grondig, hoewel het later ook telkens terug komt; spreekt breeduit over de verlossing en duidelijk over de dankbaarheid.
Voorrecht
Terug naar het persoonlijke. Onder de prediking van de begaafde ds. Van Lokhorst kwam wel eens de gedachte bij hem op: wat een voorrecht om zo het Woord te mogen verkondigen, maar dieper is het toen niet gekomen. Toch had de Heere hem al aangeraakt met dat Woord. Na de diensten zocht hij vaak de eenzaamheid om te vragen: leer mij wat ik heb gehoord. Maar in december 1925, onder de prediking van een ringpredikant - het was een eerste adventspreek - openbaarde Christus Zich, legde beslag op hem. Christus werd ontsloten in Zijn uitnemendheid en onmisbaarheid en toen kwam de sluimerende begeerte, die er al was, heel bewust naar voren. Blok wilde predikant worden. Toen het op de HBS bekend werd, dat hij theologie wilde gaan studeren, werd opgemerkt dat dat eigenlijk zonde was. Hij, met z'n wiskundeknobbel en dan in de richting van de theologie!
Een domineeszoon zei tot hem: Ik heb respect voor je, maar ik beklaag je vrouw en kinderen later. Hij had kennelijk de problemen van het domineesbestaan van-huis-uit ondervonden.
Thuis
Toen hij thuis vertelde, dat hij predikant wilde worden zei moeder: als je dan maar een goede predikant wordt, anders kun je beter met een mestpraam het land in gaan. Achter deze opmerkingen sprak liefde en zorg voor het Woord van God en de verkondiging daarvan. Het kwam ook niet hard over. 'Als ze Augustinus zou hebben gelezen, zou ze met hem hebben gezegd: door de prediking van het Woord wordt de deur geopend en komt Christus het hart binnen, maar door de valse leer wordt de deur geopend voor de duivel, die dan wordt binnengelaten'.
De directeur van de HBS vond het jammer, dat de jonge Blok naar de Rijksuniversiteit in Utrecht wilde om theologie te gaan studeren. Hij, als gereformeerd man, zag veel meer Kampen of de Vrije Universiteit. Later heeft Blok hem verteld, dat in Utrecht de theologie-van-huis-uit door elkaar wordt geschud; dat er in Utrecht een hoogleraar was, die zei: veel van jullie mensen komen hier met een JV-theologie van huis uit en ze gaan ook weer met een JV-theologie de gemeente in.
Een andere hoogleraar zei: Jullie wassen met een gereformeerde handdoek alles weer af. Toch werd hij in Utrecht gevormd in de richting van de gereformeerde theologie. Daar was soms de strijd: kom ik als ethisch of als midden-orthodox predikant de gemeente in? Maar toen heeft hij dan ook, na beëindiging van zijn studie, tegen de vroegere directeur van de HBS gezegd, dat hij nu, door strijd heen, de waarheid van het gereformeerd beginsel had leren kennen en ook de onschriftuurlijkheid van de afwijkende leer.
Ieder op de kansel?
Op mijn vraag er tussen door of ieder, die de liefde van Christus in zijn leven gaat ervaren, ook moet gaan prediken (dit komt immers nogal eens voor; mensen ervaren eerste ritselingen van geestelijk leven en krijgen direct de aandrang om predikant te worden) is het korte antwoord van Blok: 'Liefde kan weliswaar er toe dringen, maar die liefde ook weer geadeld worden. Men kan liefde tot Christus in zijn leven krijgen zonder dat dit tot consequentie heeft, dat men de kansel op moet'.
Studietijd
In de studietijd werd ds. Blok bijzonder geboeid door prof. J. A. C. van Leeuwen, van huis uit een ethisch man, maar later een overtuigd Calvinist. Deze was een zeer nauwgezet exegeet. Hij was gestempeld door een persoonlijke vroomheid, gaf aan huis privatissima over de Institutie van Calvijn. Dat heeft Blok zeer geboeid. Verder noemt hij prof. dr. Maarten van Rijn, een pastoraal theoloog, die in zekere zin waardering had voor de Gereformeerde Bond. Hij zei wel eens: 'ik ben niet van de Gereformeerde Bond, maar één ding deel ik met hen: er moet wat met de mens gebeuren'. Dankbaar denkt Blok ook terug aan de GTSV 'Voetius'. Deze vereniging is voor hem tot grote zegen geweest voor de bestudering van de gereformeerde beginselen. Toen hij met zijn candidaatsstudie bezig was, waren er in 'Voetius' acht lezingen gehouden over het verbond. Daarop is hij intens verder gaan studeren. Hij ontdekte dat prof. dr. Hugo Wisser eigenlijk leerde, dat het verbond met de uitverkorenen was opgericht. Zo was dat ook bij Kuyper en zo lag dat héél scherp bij ds. G. H. Kersten. Hij ontdekte echter, dat de christelijk gereformeerde ds. Jongeleen anders over het genadeverbond sprak: het genadeverbond is opgericht met de gelovigen en hun zaad. Dit vond hij ook zo in het doopformulier. Zo vond Blok het ook bij Calvijn. 'Uit dit probleem kon ik zomaar niet uitkomen', zegt hij.
J. G. Woelderink
Juist in die tijd las hij, dat ds. J. G. Woelderink in Utrecht voor hervormde predikanten over het genadeverbond zou spreken. Hij vroeg de voorzitter dr. Kromsigt, of hij daar ook komen mocht. Dit leidde tot een briefwisseling met ds. Woelderink. In het ouderlijk huis was er altijd zeer veel hoogachting geweest voor ds. Woelderink, daar bekend omdat hij van 1912 tot 1917 in Mijdrecht had gestaan. Woelderink schreef hem een brief, waarin hij zei: 'alles wat gereformeerd heet is nog niet gereformeerd. Lees Wormser maar eens over de kinderdoop'.
De contacten met Woelderink hebben ertoe geleid, dat deze hem op 5 maart 1933 in zijn eerste gemeente, Brandwijk, heeft bevestigd.
Als ds. Blok over Woelderink doorpraat, begint hij met te zeggen, dat Woelderink een duidelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt, die ds. Blok in de verdere jaren overigens niet heeft kunnen volgen. Hij is, om zo te zeggen nooit een Woelderink-fan geweest. Hij noemt Woelderink een Multatuli - iemand die veel geleden heeft. Zijn eerste vrouw heeft hij verloren; hij verloor op één dag twee zonen, die in Ouderkerk aan den IJssel verdronken; in Ouderkerk aan den IJssel heeft hij pastoraal veel geleden.
Dat hij tenslotte zo kritisch is komen te staan ten opzichte van de uitverkiezing was vanwege zijn zorg om het Evangelie. De uitverkiezing kan immers zo gepreekt worden, dat het Evangelie weggedrukt wordt. 'Ds. Bax, die hij als jongen vaak had horen preken, preekte sterk de uitverkiezing, maar op een bepaald moment ondervond Gods volk daar toch ook heel duidelijk de bezwaren van'. Woelderink heeft geleden onder de 'mishandeling' van de zielen door een eenzijdige prediking van de uitverkiezing. Dat was dé achtergrond.
Was hij ook te voorwerpelijk ten aanzien van de beloften Gods?
Blok zegt: 'Als het geloof sterker wordt bemerk je ook des te meer, dat het heil ons in de belofte wordt aangezegd. Het is alles uit Hem, door het Woord'. Intussen wordt de mens 100% verantwoordelijk gesteld, als het gaat om de verkrijging van het heil. Tegen mensen, die sterk lijdelijk spraken, heeft Blok later dan ook vaak gezegd: 'met het verstand heb je wel gelijk, maar als de Geest het je geleerd had zou je bemerkt hebben, dat je ongelijk hebt.' Van Woelderink werd wel eens gezegd, dat hij een vijand van Gods volk was. Ds. Blok memoreert, dat hij in Rijsenburg een keer op een zendingsdag van de GZB achter zich hoorde zeggen: daar zit ds. Blok, die over Woelderink heeft geschreven. Even later kwam er een man naar hem toe uit een afgescheiden gemeente, die hem vertelde dat, toen Woelderink in de plaats waar hij woonde dominee werd, gezegd werd, dat hij een vijand was van het ware volk. Hij kon er dan ook niet aan denken om er ooit een keer naar de kerk te gaan. Kwam hij hem op straat tegen, dan draaide hij het hoofd om. Totdat deze man hem een keer hoorde preken op een begrafenis, sindsdien is hij een trouwe kerkganger bij Woelderink geworden. Woelderink was een vijand van dogmatisch rechtzinnige praterij zonder leven; hij had het volk Gods lief, maar niet kritiekloos. En hij wist dat de kwalen bij Gods volk terug te voeren waren tot manco's in de prediking, daarom gebruikte hij het woord: 'die Mij aan u overlevert, heeft groter zonde', daarbij doelend op predikers die de gemeente in deze hoek gedrukt hadden.
De prediking van de belofte is het moeilijkst. Men kan zich immers ook de beloften zonder grond toeëigenen. Men mag de beloften mild verkondigen, maar men moet ook tevens waarschuwen voor misbruik. Van de prediking van Blok is wel eens gezegd: Hij breekt je af tot je botten toe, maar dan komt het volle Evangelie. Het moet inderdaad zo zijn: niets uit ons, al uit Hem. Deze lijn heeft hij van het ouderlijk huis uit meegekregen, maar werd door de studie verdiept.
Voor een koopje
Ds. Blok merkt wat speels op intussen, dat hij voor een koopje gereformeerd is geworden, want hij kocht op een bepaald moment de hollandse commentaren van Calvijn voor een bedrag van ƒ 70, - . En van die commentaren heeft hij in zijn leven zeer dankbaar gebruik gemaakt. Hij heeft ze altijd benut bij de exegese, omdat de exegese van Calvijn zo verantwoord is en ook vanwege de benadering van de pastorale vragen, die er in deze commentaren aanwezig is.
Verdieping
Zo heeft hij door de bestudering van Calvijn zicht gekregen op het Woord en zo ook weerstand gekregen tegen de zuigkracht van het lijdelijke. Ds. Blok gebruikt hier het woord 'zuigkracht'. Hij zegt, dat ook kinderen Gods heel gemakkelijk tot het lijdelijke kunnen komen. Men beseft te weinig, dat het geloof leeft uit het voorwerp. Het anker van een schip wordt echter niet uitgeworpen in de bodem van het schip, maar in de bodem van de zee, aldus Erskine.
Blok is in de loop van de jaren principieel niet veranderd, maar wel verdiept.
De preek
Wat betreft de prediking merkt ds. Blok het volgende op, in verband met het maken van een preek. Als je de tekst hebt gekozen, moet je je eerst afvragen: hoe zou ik deze willen behandelen met jongelui? Vervolgens: hoe met een veelweter, hoe met een bekommerd mens, hoe met een bevestigd christen? Als je je dat hebt afgevraagd kun je de preek maken voor het geheel van de gemeente. Hij heeft altijd zijn preekschetsen uitvoerig uitgewerkt, maar wel kwam hij in de loop van de tijd los van zijn boekje. Ds. Blok meent, dat de prediking ontdekkend moet zijn. De mens moet worden geplaatst voor de spiegel van Gods heilige wet. 'Als we in Gods gericht staan, gaan al onze gerechtigheden er aan. Het gaat dan ook om de prediking van wet èn Evangelie. Als de wet gepredikt wordt, dan moet ook de grote Wetsvervuller worden gepreekt: het Lam Gods.' De prediking moet ook appellerend zijn. Een ouderling zei eens van bepaalde zware preken: 'Ze zijn wel zwaar, maar je kunt er gemakkelijk onder zitten. U plaatst ons echter in de schuld tegenover God, dat prikt het geweten'. Het gaat ook om de oproep tot bekering, dat is iets anders dan het behandelen van bekeringswegen. 'Als de prediking niet ontdekkend en appellerend is ontnemen we de Heilige Geest de wapens, waarmee Deze zelf wil werken'. De Heilige Geest werkt ook door de aanpak van de prediking, niet door de beschrijving.
Toch pleit ds. Blok ook voor het preken van kenmerken. 'Er is een verkeerde kenmerkenprediking vanwege verkeerde systemen, maar in de bijbelse kenmerkenprediking gaat het om het ABC-des-geloofs. Om de tollenaarsbede, die letterlijk luidt: 'O God, wees met mij verzoend.' Ds. Blok merkt op, dat ds. I. Kievit zich in zijn prediking ook steeds meer heeft teruggetrokken op deze tollenaarsbede. Hij memoreert dat, toen Kohlbrugge de vraag te verwerken kreeg: 'Zijt gij vergenoegd met Mijn Lam? ', hij antwoordde: 'Ja Heere', en dat God hem toen antwoordde: 'dan ben ik ook vergenoegd met u. Sta op en schrijf'.
Oordeel
Blok acht ook oordeelsprediking nodig: hij noemt dit de zwaarste prediking, waarbij de prediker zichzelf moet insluiten. Hij heeft dit sterk ervaren direct na de Tweede Wereldoorlog. Hij hield toen een boetepreek, omdat direct na de bevrijding alles al zo ontspoorde. Maar hij zei: 'Gemeente, ik kwam liever de kansel af om naast u te staan, want het geldt ook mij.' In Middelharnis preekte hij eens een keer over 'Ontwaakt gij, die slaapt, en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten'. Hij had toen de doodsstaat van de mens sterk benadrukt. Na de dienst spraken we erover. 'Och, dominee zei toen een ouderling, waar de Bruid is daar is ook de Bruidegom'. Hij bedoelde: juist door de lelijkheid van de bruid komt de heerlijkheid van de bruidegeom (Christus) tot zijn recht.
Termen
Ds. Blok heeft een afkeer van oude termen in de prediking. Er was vroeger bij hem thuis wel eens een dominee te logeren en dan praatte hij gewoon, maar op de kansel was hij helemaal anders. 'Toen ik hem op de kansel bezig hoorde, dacht ik: zijn meisje heeft hij zo toch ook niet gevraagd!' Toch hecht ds. Blok ook wel aan een aantal oude termen, die onopgeefbaar zijn. Zo de oude term: Christus wordt gekend in Zijn onmisbaarheid (de honger van het geloof), in Zijn dierbaarheid en bereidwilligheid, (het nuttigen van de spijze) en in Zijn algenoegzaamheid (dat wordt ervaren nadat de spijze genuttigd is).
Als de vraag aan de hoorders wordt gesteld of Christus hen onmisbaar is, dan zal blijken of het om praatkennis gaat of om een heilbegerig hart. Het gaat altijd maar weer om Christus. 'Hij moet wassen, ik moet minder worden'. Dat moet ook een dienaar van het Woord zichzelf realiseren. Als een dokter ziek wordt is hij net zo afhankelijk als de patiënten, ondanks al zijn kennis. Ook een predikant moet worden geoefend in de godsvrucht. Zo worden we voorbereid voor de eeuwigheid. In de Openbaring lezen we, dat de ouderlingen de kroon werpen voor het Lam. Zij kunnen die niet op het hoofd houden. 'Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de eer en de kracht, want Gij hebt alle dingen geschapen en door Uw wil zijn zij en zijn zij geschapen'. (Openbaring 4 : 10; 5 : 12)
Dit zangonderwijs, aldus ds. Blok, begint in dit leven. Daarna is het niet meer te leren. Het gaat om hartentaal, wat iets anders is dan lippentaal. Gods kerk heeft hier in het leven al de oefenschool voor de eeuwigheid.
Belijdenis en Avondmaal
In zijn Kamper periode ontdekte ds. Blok heel wezenlijk, dat belijdenis en Avondmaal, in hun onderlinge samenhang ook, niet die plaats innemen in de gemeenten, die deze zouden moeten innemen. Twee jaar lang heeft hij zich toen verdiept in de geschriften van Luther, Calvijn en anderen op dit punt. Hij had toen ook maar één onderwerp, waarover hij lezingen hield: belijdenis en Avondmaal. 'In mijn kinderjaren ging in Noorden van de kerkeraad niemand aan het Avondmaal. Op de belijdeniscatechisatie sprak de predikant ook helemaal niet over de band, die er behoort te zijn, tussen de belijdenis en Avondmaal'. Nadat hij zelf belijdenis had gedaan zei een ouderling: 'nu heb je wel een kerkelijk recht om aan het Avondmaal te gaan, maar nog geen goddelijk recht'. Dat was ons gehele onderwijs in dit punt! Blok is overtuigd: het Avondmaal is voor alle gelovigen. Ook voor de allerzwaksten, juist voor de allerzwaksten.
En wie is een gelovige? Het Avondmaalsformulier zegt het ons: dat zijn diegenen, die geleerd hebben, dat zij het leven missen - midden in de dood liggen - en geleerd hebben het leven te zoeken buiten zichzelf in de Heere Jezus Christus. Het geloof alleen mag in onze prediking niet verdonkerd worden!
In de kring van de Gereformeerde Bond is een hernieuwde bezinning gekomen, vanuit de Reformatie en de Nadere Reformatie, op de plaats van het geloof in de prediking. Wie in dit opzicht leerling wordt van Calvijn, wordt ook leerling van de Heilige Schrift.
Ds. Blok heeft cahiers vol aantekeningen uit de geschriften van de reformatoren over dit thema. Ds. Blok hield ooit een lezing over Calvijn, met de tweedeling: Calvijn, leerling der Schrift; Calvijn, leraar der Schrift. Calvijn benadrukt de onverwoestbare zekerheid van het geloof. Gedurende de laatste jaren, nu hij met emeritaat is, heeft ds. Blok regelmatig ook Augustinus bestudeerd. Toch zegt hij: geef mij Calvijn maar! Die is duidelijker en bijbelser!
Intussen zegt hij ook: Maar, broeders van de Gereformeerde Bond, pas nu op. Van Ruler heeft eens gezegd: er is heel wat op Golgotha gebeurd, maar er moet ook wat in de mens gebeuren! Verwaarloos dat niet! Bij de Confessionelen, aldus Blok, wordt het geloof soms zo schraal van inhoud gepredikt, dat er geen sprake kan zijn van bekering tot God. Bij ons komt het voor, dat lang en breed de bekeringsweg wordt uiteengezet, maar voor het geloof alleen is geen plaats ingeruimd. Ds. Blok vroeg eens aan een predikant, die zijns inziens zo gepreekt had: 'U hebt in de brede de bekeringsweg beschreven, maar waar was in dat proces de plaats van het geloof? Aan het begin, in de midden of aan het einde? ' 'Aan het begin', was het antwoord, maar aan dat levendmakende, zaligmakende geloof was geen woord gewijd geweest!
Tijdgeest
Wat ds. Blok momenteel zwaar weegt is de geest van de tijd en de wijze, waarop de kerk daarop in gaat. Toen in augustus 1976 in de kerkdiensten aandacht werd gevraagd voor de dreigende legalisering van de abortus provocatus, was hij enerzijds dankbaar, anderzijds teleurgesteld. De profeten moesten niet alleen maar bidden voor het volk, maar ook getuigen tot het volk. Prachtig is dit verwoord in artikel 8 van onze kerkorde, waar gezegd wordt, dat de kerk als Christusbelijdende geloofsgemeenschap gesteld is in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen en zo haar apostolische opdracht heeft. Waar blijft dit element echter vandaag? We zullen God de noden van land en volk voor mogen leggen. Dat geldt ook als het gaat om de weersgesteldheid, daarin zijn we van Hem afhankelijk. Op het ene land laat Hij het regenen, op het andere land niet. De kerk moet ook op Gods hand in de natuur wijzen, hetzij oordeel, hetzij zegen. Er is ook in de Schrift vaak verband tussen het bewaren van Gods geboden en het gebeuren in de natuur. We hebben daarom diep te beseffen, wat een bekende uitdrukking zegt: 'alle weer is Gods weer'. En dan maar de hand op de mond én de hand in eigen boezem.
Maar intussen gaat het ook om het getuigenis naar het volk toe. Onze samenleving wordt in toenemende mate practisch atheïstisch. God wordt als Schepper en als Regeerder en als Wetgever genegeerd. Het zoeken van het verlorene telt in onze samenleving vaak niet meer mee. Daarom moet de waarschuwing worden gehoord: 'wat van de hoge God afvalt moet vallen. Iemand, die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen'.
De kerk als geheel heeft de roeping het volk en de overheden op te roepen om te leven naar Gods geboden. Groen van Prinsterer heeft eens gezegd: 'zij die zich niet laten leiden door de beginselen van de Schrift, zullen door schade en schande tot inzicht moeten komen'. Afval van God, wreekt zich!
We zien intussen waar het op uitloopt in onze samenleving, als het gaat om de verlating van Gods geboden. Steeds meer jongeren slaan de hand aan zichzelf. Het aantal echtscheidingen neemt hand over hand toe. Ds. Blok citeert in dit verband Jeremia 17 : 5, 6: Zo zegt de Heere, vervloekt is de man, die op de mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van de Heere afwijkt! Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land'. En ook Jesaja 56 : 10: Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief. De kerk 'blaft' niet: waakt niet wakker, waarschuwt niet!
Emeritering
We ronden het gesprek af met nog enkele, los van elkaar staande, dingen. Ds. Blok is er dankbaar voor dat hij, na beëindiging van zijn ambtsperiode, nog een zestal overgangsjaren heeft gehad. Eerst één jaar in Aalburg, daarna vijf jaar in Hierden. 'Om in één keer te stoppen met het werk, zou vreselijk zijn geweest. Je mist dan ook de pastorale contacten. Het is dan ook fijn om als emeritus nog pastoraal werk te mogen doen.' Intussen studeert hij graag, dat heeft hij zijn hele leven lang gedaan. Dat komt hem nu ook van pas. Hij houdt ook nog graag lezingen. Hij moet in de komende tijd nog weer lezingen houden over Augustinus, over Luther, over het werk van de Heilige Geest, over het Heilig Avondmaal. Aanvankelijk is er verzet geweest tegen het verplicht stellen van het emeritaat, maar het heeft ook een goede zijde. Als je krachten minder worden is het fijn kalm aan te mogen doen. Ook merkt hij op, dat 'samen-oud-worden' ook een grote zegen is. Ds. Blok en zijn vrouw zijn elkaar kennelijk tot een hand en een voet. Dat is wat mevrouw Blok betreft ook letterlijk nodig, omdat ze op het ogenblik zeer moeilijk ter been is.
Ambt en Avondmaal
Hoe denkt ds. Blok over het stellen van candidaten voor de kerkeraad, als men geen avondmaalganger is? Ds. Blok merkt op, dat van een ambtsdrager moet gelden, dat hij bekwaam is om ook anderen te leren. Soms geldt van avondmaalsgangers, dat zij niet bekwaam zijn om anderen te leren, terwijl bij mensen, die nog niet de vrijmoedigheid hebben om aan het Avondmaal te gaan, de bekwaamheid om anderen te leren soms er wel is. Het gaat er maar om: welke bedoeling zit er achter. Zodra men een etiket van getrouwheid krijgt opgedrukt, als men geen avondmaalganger is, is er iets grondig mis. Anders ligt het echter, wanneer iemand van zichzelf bekent midden in de dood te liggen en het leven te zoeken in Christus. Ds. Blok merkt op, dat hij bekommerde zielen heeft gekend, die uit schroom nog afbleven van het Heilig Avondmaal, terwijl hij hoge achting had voor hun geestelijke leven.
Heeft ds. Blok hoop voor de kerk?
Hij zegt: 'Wat ik voor de kerk hoop is niet belangrijk. Wat zegt de Schrift? en dan is er enerzijds de donkere rand: het zal zijn als in de dagen van Noach; de dagen van Sodom en Gomorra komen terug. De wereld gaat het oordeel tegemoet'. Ds. Blok vreest ook wel eens, dat we onderdrukte kerk gaan worden. De vijandschap tegen de kerk wordt ook almaar groter. Toen in Harderwijk de drie kleine protestants-christelijke partijen er twee zetels bij wonnen bij de laatste verkiezingen, werd de vijandschap opeens heel erg groot. 'Harderwijk werd steeds rechtser'. Zorg heeft ds. Blok ook over de onderhouding van de zondag. Is de zondag nog zondag? Maar anderzijds: God houdt Zijn kerk in stand. Ook al zal de kerk klein worden, ze zal blijven bestaan. Wij kunnen intussen geen réveil veroorzaken, maar de kerk heeft de roeping om uit te zeggen: tot de wet en de getuigenis, hetzij ze het horen, hetzij ze het laten zullen.
Roeping
Is ds. Blok in zijn roeping tot het ambt bevestigd in de loop van zijn ambtsperiode? Hij zegt: 'Als ik, in de tijd toen ik predikant wilde worden, voor keurmeesters had moeten komen, was ik misschien afgewezen. Maar telkens mocht blijken, dat de Heere God de prediking heeft willen gebruiken tot zegen van mensen'. Bij mijlpalen in het leven van ds. Blok werd hem dit ook veelvuldig in brieven gemeld. 'Het was een wonder, dat dat boerenjongetje ging studeren. God leidt je zonder dat je zelf door hebt waarheen. We zien Gods leiding vaak beter achteraf in ons leven. Ook in het werk des Geestes is dat zo'. Hij memoreert in dit verband nog de opmerking van de directeur van de HBS, toen hij meedeelde dat hij dominee zou worden. Deze zei: blij, dat je dominee wordt. Een architect werkt aan bouwwerken voor de tijd, maar een dominee mag meewerken aan een bouwwerk voor de eeuwigheid.
Verdrukking
In zijn candidatentijd is hij gekweld door het bijbelse gegeven: In de wereld zult ge verdrukking hebben. Het was ook de tekst van de bevestigingsdienst door ds. J. G. Woelderink, maar met daar dan bij: 'Maar hebt goede moed, ik heb de wereld overwonnen'.
Het eerste jaar van zijn predikantschap had hij het er wel eens moeilijk mee, als hij weinig op de prediking hoorde. Tot er een jonge vrouw kwam, die hem eenvoudig vertelde dat ze elke week naar de zondag verlangde.
'Dan moet je het doen met mijn preekjes', flitste het door mij heen. Toen deed God me ineens doorzien de woorden van de bevestigingstekst: Ik heb de wereld overwonnen'. Wat een diepte zag ik daar toen in. Christus heeft de wereld overwonnen. Wij predikers zijn arbeiders om de overwinningsbuit van Christus binnen te halen. De directeur van de HBS had wel gelijk: Dominee zijn is eeuwigheidswerk verrichten'. Het is een treffelijk werk, 1 Tim. 3:1.
Opnieuw plaatsen we een vraaggesprek met een predikant van de oudere generatie, de emerituspredikant ds. L. Blok, thans woonachtig te Harderwijk. Ds. Blok, die niet direct bestuurlijk op de voorgrond trad in de kring van de Gereformeerde Bond, heeft een markante ambtelijke loopbaan achter de rug. Vele malen deed hij van zich horen in lezingen en artikelen, niet zelden over cruciale onderwerpen in het geheel van de gereformeerde theologie. Ds. Blok was daarbij altijd gewend om recht toe, recht aan en beeldrijk te spreken, zodat datgene wat hij zei altijd brede aandacht kreeg. Ds. Blok diende de hervormde gemeenten van Brandwijk, Middelharnis, Kampen, Capelle aan den IJssel, Ridderkerk, Aalburg en - na zijn emitering - Hierden. We hopen, dat ook dit vraaggesprek in de reeks, die we tot nu toe hebben geplaatst, een goede functie mag hebben om iets van wat de oudere generatie bewoog door te geven aan de generatie van nu.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's