Uit de pers
Gezin, catechese en kerkewerk zijn belangrijk voor dit weerbaar maken van jongeren.
De moderne literatuur als opvoedkundig probleem
In november 1982 hield mevr. J. Datema voor de afdeling Alphen aan de Rijn van de Confessionele Vereniging een lezing over bovengenoemd onderwerp. In haar lezing wijst ze op de vaak onbijbelse tendens en vaak door en door humanitische geest waarin het eigen ik zelf uitmaakt wat goed en kwaad is, die de literatuur in menig opzicht beheersen. Voorts attendeert zij er op hoe gezinsopvoeding door velen uit de tijd geacht wordt, omdat jongeren zich zelfstandig moeten kunnen ontplooien. In dit verband noemt ze de bijbelse betekenis van het gezin. We citeren uit het Herv. Weekblad van 16 juni:
'Het gezin waarin men zorg voor elkaar heeft, dat geborgenheid biedt en bescherming. Het gezin waarvan Vader en Moeder de betekenis van de doop van hun kinderen verstaan en daarom met vreugde hun doopbelofte nakomen hun in de christelijke leer te onderwijzen. We denken hierbij aan zondagsschool, catechisatie en natuurlijk niet in de laatste plaats aan de zondagse kerkgang. Daar kan men u op aanspreken.
Is het nu een wonder dat dergelijke ouders, bij alle trots die hen misschien vervult, omdat hun kind in staat is wie weet zelfs het Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs, het VWO, of het Gymnasium te volgen — de in Gods oog wezenlijke waarden liggen gelukkig op geheel ander terrein — is het nu wonder dat dergelijke ouders zich meer dan eens bezorgd afvragen of hun kind geestelijk wel opgewassen zal zijn tegen de moderne, heidense theorieën en stelsels, tegen de Godloze en goddeloze lectuur waarvan het verplicht kennis zal nemen? Het is immers op die leeftijd zo vatbaar voor alles wat nieuw is, het is zo als was in de handen van opvoeders, die het idealiseert, het heeft nog zo weinig levenservaring. Het zou vreemd zijn als dit anders was.'
Een pasklare oplossing is niet te geven. Wel wil zij de angst die er in orthodox christelijke kringen heerst rondom het onderwerp moderne literatuur, onderwijs en opvoeding tot de juiste proporties terugbrengen.
'Allereerst zij opgemerkt dat het mijns inziens terecht is dat de scholen voor voortgezet onderwijs van hun leerlingen eisen van de hedendaagse letterkundige produkten kennis te nemen.
U denkt misschien bij uzelf: maar zijn er dan geen boeken en verhalenbundels van christelijke auteurs, kunnen ze zich op een christelijke school althans, daar dan niet toe bepalen? Natuurlijk zijn die er wel, maar ze zijn — een veeg teken overigens — doorgaans van een ander niveau, je kunt ze ook zonder hulp van een docent wel lezen, daarvoor hoef je geen opleiding te volgen. Je gaat immers naar school om bepaalde moeilijkheidsdrempels te leren overschrijden? Daar komt nog bij dat wat misschien voor een timmerman of een postbode geldt, met van toepassing is op een dokter, een predikant, een onderwijzer, een sociaal werker. Die kan zijn taak niet naar behoren vervullen, wanneer hij totaal onkundig is van hetgeen er in de maatschappij, met name onder de jongeren leeft. De lectuur is daarbij een belangrijke informatiebron. Er wordt nog al eens vergeten dat het goed kunnen leren niet alleen z'n gemakkelijke en aangename kanten heeft. Een hogere opleiding brengt onherroepelijk grotere en zwaardere verantwoordelijkheden met zich mee. Ook hier is Jezus' woord van toepassing: "Van ieder, wien veel gegeven is, zal veel geëist worden, en aan wien veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd".
Een tweede opmerking die ik zou willen maken is deze: de leesproblematiek is van alle tijden; denk aan Da Costa's uitspraak van meer dan honderd jaar geleden met betrekking tot de uitvinding van de boekdrukkunst: "Een reuzestap ten hemel én ter hel".
Sinds onheugelijke tijden worden gymnasiasten — en bijna alle predikanten waren dat eens — de klassieke talen, het Grieks en het Latijn, onderwezen met behulp van vrijwel uitsluitend heidens schrijvers. De boeken die onze grootste romanschrijver, Louis Couperus, aan het begin van deze eeuw schreef en waarin het noodloot een alles beheersende rol speelt en een zwoele, decadente sfeer heerst — enkele t.v.-bewerkingen een paar jaar geleden waren bijzondere populair— zijn zeker niet minder onchristelijk dan de werken die heden ten dage gepubliceerd worden; al moet ik er onmiddellijk aan toevoegen dat, afgestemd als ze zijn op het levensklimaat, de gevoehgheden van déze tijd, de verleidende kracht van de laatste veel groter is.
Vervolgens zij erop gewezen dat de leesproblematiek niet op zichzelf staat, maar onderdeel is van een problematiek die het gehele maatschappelijke leven raakt. Ik denk hierbij aan radio en tv, aan sport en spel enz.
Dan moeten we wel bedenken dat het gevaar niet in de eerste plaats in de leesstof zit, maar in de wijze waarop die gepresenteerd en verwerkt wordt. Vandaar de geweldige verantwoordelijkheid die de man of de vrouw vóór de klas draagt. Ik moet u bekennen dat die me wel eens zwaar drukte. Aan de ene kant moet je het genot van een tekst niet bederven door aanhoudend gepreek ertussendoor, aan de andere kant mag je niet zwijgen, wanneer de Tijdgeest maar al te duidelijk de schrijver in z'n greep blijkt te - hebben. Niet wat men leest is het belangrijkste, maar waarom men en ook dat laatste moet geleerd worden.'
Tenslotte, zo zegt ze, moet niet vergeten worden dat de invloed van het gezin op de mentaliteit van de leerlingen het grootst is. Na een aantal voorbeelden uit de moderne literatuur gegeven te hebben komt ze in een derde artikel, gepubliceerd in het Herv. Weekblad van 30 juni tot een aantal conclusies:
'Uit het voorgaande zijn, dunk me, een paar voor de hand liggende conclusies te trekken. Ik zal ze in enkele punten kort samenvatten. 1. Het grote belang van de geestelijke weerbaarheid van de jeugd. 2. Het grote belang van de geestelijke instelling van de man voor de klas. 3. Het grote belang van een evenwichtige samenstelling van de literatuurlijst.'
Gezin, catechese en kerkewerk zijn belangrijk voor dit weerbaar maken van jongeren. Ook wijst ze op het benoemingsbeleid:
'Wat het tweede punt betreft — aangaande de man voor de klas —: veel zal afhangen van het benoemingsbeleid van de school. Zijn er bepaalde effectieve zekeringen ingebouwd, of is het zo dat de stop er nooit uit kan vliegen? Daarbij mag niet vergeten worden dat de positie van de directeur of rector er de laatste jaren niet gemakkelijker op geworden is. Aan de ene kant is hij door allerlei wettelijke bepalingen met handen en voeten gebonden, aan de andere kant is hij meer een soort manager geworden, terwijl de secties op inhoudelijk gebied goeddeels de dienst uitmaken. De verdoorgevoerde democratisering is bovendien niet altijd even bevorderlijk voor een duidelijke identiteit. Doet men een beroep op u om in het bestuur of een of andere commissie zitting te nemen, zeg dan niet te gauw: nee! Tenslotte een klemmende kwestie: als het zo ver gekomen is dat een christelijke school geen christen-leerkrachten meer kan vinden, in hoeverre heeft ze dan nog recht van bestaan? Al meer dan 20 jaar geleden zei iemand tegen me: "Van onze christelijke mulo-school gaat geen enkele leerkracht meer naar de kerk!" Zei Groen van Prinsterer al niet, dat een zg. algemeen christendom erger is dan geen?
Niet voor niets waarschuwde onlangs minister Deetman ter gelegenheid van de opening-van nieuwbouw voor de roomskatholieke hogeschool te Tilburg, de instellingen van bijzonder onderwijs hun levensbeschouwelijke grondslag serieus te nemen, daar anders de vrijheid van onderwijs wel eens in gevaar kon komen, omdat de maatschappij hun bestaansrecht zou gaan betwisten. Doen ze dit niet, dan is het toch zo, dat ze hoogstens nog functioneren als een soort elitaire clubs, waar de samenleving, zeker in deze tijd van malaise, nu echt niet om zit te springen, ikzelf heb nichten en neven op een rijksscholengemeenschap, die een degelijker literatuurlijst moeten inleveren, dan ik — ik werkte tot voor kort bij het christelijke onderwijs — bij machte was van mijn leerlingen te eisen.'
Behartigenswaardige dingen zegt ze ook over de samenstelling van literatuurlijsten die haars inziens vaak een eenzijdige voorkeur verraden voor de eigentijdse 'eendagsvlinders' en weinig putten uit de taalkundige en historische 'monumenten' uit het verleden. Ik geef u nog het slot van haar referaat door:
'We zijn in de wereld, we zijn niet van de wereld. Dat betekent heel concreet, dat we het lied dat nu op deze Westerse aarde gebonsd wordt, horen. We kunnen ons onmogelijk daaraan onttrekken. Toch kan het niet, of niet meer, ons levenslied zijn, hoe het ons bij tijd en wijle ook fascineert; omdat we weet hebben van een blijder zang: het lied van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, wat maakt dat we met de nodige reserve, kritiek, ja ook met mededogen ernaar luisteren.
De sleutel tot de oplossing van alle opvoedkundige problemen, ook van het probleem dat ons vanavond bezighield, is dan ook, dacht ik: "Leer dan jongen de eerste beginselen naar de eis zijn wegs"; "als hij oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken", of in een andere vertaling: "Gewen het kind aan een bedachtzamen wandel, en hij zal in den ouderdom daarvan niet afwijken" (Spreuken 22 : 6).
Een jongen deed eindexamen. De examinator vroeg hem hoe het kwam dat hij meer dan één boek van Hermans op zijn lijst had staan, of hij zich soms aan hem verwant gevoelde. Het antwoord luidde: "Ik geloof in God, meneer, was dit niet zo, dan zou ik net als Hermans denken". Hij was bedachtzaam en weerbaar!'
***
Het ambt in discussie
In het blad 'De Wekker' schrijft prof. dr. W. V. 't Spijker enkele artikelen over het ambt. Onder meer gaat hij in op enkele verschijnselen die de gereformeerde visie op het ambt onder schot nemen. Hij noemt er drie: de democratiseringsgolf, de sociologische benadering van de kerk en haar structuren, de nadruk op het charismatische. Over het eerste punt schrijft Van 't Spijker:
'Het eerste verschijnsel dat hier naar voren komt is dat van de democratisering. Een democratie is een regeringsvorm waarbij het volk zichzelf regeert. Democratisering is dat streven, waarbij of waardoor in alle geledingen zulk een vorm van bestuur wordt doorgevoerd. Maar democratisering is meer dan dat. Het is een cultuurverschijnsel, dat zich niet alleen op het terrein van de regeringsvorm voordoet. Het laat zich evengoed waarnemen op het gebied van de taal-en letterkunde als op het terrein van de religie. En zó opgevat is democratisering een uitdrukking geworden van verzet tegen elke vorm van een vreemd, uitwendig gezag. Alles is geljk. En allen zijn gelijk. Op het terrein van het onderwijs betekent democratisering, dat een kind net zo veel kan als zijn leermeester. Op het gebied van de maatschappij betekent het dat alle maatschappelijke normen gelijk zijn. Religieus gezien wil democratisering zeggen, dat elke vorm van Gods verering in strijd is met het mens-zijn, en dat elke vorm van gezag, van zeggenschap van een ander, weg behoort te vallen.
Past men democratisering toe op de kerk dan schijnt zo op de klank af, de Bijbel op de zijde van dit streven te staan. Spreekt de Bijbel niet over één volk? Over het volkomen gelijk van allen voor allen? Maar in werkelijkheid is de moderne democratiseringsdrift radicaal tegen de Schrift en tégen de religie. Tegen de Schrift. - De Bijbel zelf spreekt met een voor alle mensen vreemd gezag. Zij vertolkt de stem van de Heere God. Democratisering betekent in feite de grote gelijkschakeling van allen en voor allen. Maar in de Bijbel spreekt de Heere God: "Zwijg voor Hem, gij ganse aarde".
En wanneer we het ambt op de een of andere manier beschouwen als een taak van gezag, dan valt zoals licht te begrijpen is, het ambt onder het (voor)oordeel van alle democratiseringstendenzen van onze tijd. Als er vandaag een ambtelijke structuur wordt voorgestaan, die uitdrukking zou kunnen zijn van een vreemd gezag, zoals de gereformeerde kerkstructuur, gezag waaraan wij ons gaarne en gewillig onderwerpen, omdat het op de een of andere manier het gezag van God vertegenwoordigt, dan kunnen wij ons bij voorbaat er op voorbereiden, dat er een hevig verzet zal losbreken. Onderwerpen, zichzelf gaarne en gewillig onderwerpen, is wel het laatste wat de mens zoekt. Zelfhandhaving, zelfbevestiging, zelfverwerkelijking is de vorm waarin altijd weer het onverloochende, onbekeerde en onbekeerbare leven zich demonstreert. Het is de ontkenning van de dood, in het midden waarvan wij liggen: de dood die wij tegemoet gaan en die de grote nivelleerder is, waartegen zelfs de democratisering niet is opgewassen. Alle democratisering, in welke vorm ook, negeert of verloochent de dood, die scheiding maakt tussen levenden en doden. Alle democratisering, in welke vorm ook, ontkent of verloochent de noodzaak hier en nu van levendmaking, geestelijke verrijzenis, bekering ten leven. Alle democratisering ontkent daarom de ongelijkheid van het machteloze mensenwoord, en het heerlijke, goddelijke, machtige Woord van God, waardoor een mens wedergeboren wordt tot het eeuwige leven. En daarom staat dit moderne democratiseringsmodel haaks op het gereformeerde spreken over ambt en volmacht. Het staat haaks op de gereformeerde belijdenis van verkiezing en genade, van noodzaak van wedergeboorte en bekering, zoals deze altijd aan een bijbels spreken over het ambt verbonden zijn. Wie het merkt, die lette daar op!'
Ik meen dat het goed is het verschijnsel van de democratisering zeer kritisch te bezien en haar vooronderstellingen te peilen. Toch heb ik me wel afgevraagd of de auteur niet te snel alles over een kam scheert. Ik deel zijn mening dat de moderne democratiseringsidee in vele opzichten op gespannen voet staat met het gereformeerde denken dat uitgaat van het unieke gezag van de Schrift. Maar de eerlijkheid gebiedt wel om te zeggen dat er ook op het punt van gezagsuitoefening misvorming kan optreden. De zonde houdt geen halt bij gezagsdragers. Er zijn vele voorbeelden te noemen waaruit blijkt hoe rnisbruik van gezag juist aan die unieke gezagspositie van het Woord afbreuk doet. Dat maakt het spreken over het ambt juist zo kwetsbaar. Want dat het bijzondere van het gezag van het ambt samen hangt met de positie van Hem Die in ons midden is 'als een die dient' wordt maar weinig verstaan.
En ten aanzien van de democratisering zou ik toch willen onderscheiden tussen ordeningen in de samenleving en het terrein van de kerk. Niet elke democratisering behoeft uit te komen bij zelf regering. Er is ook binnen de erkenning van de gezagsstructuur toch ruimte voor een vorm van gemeenschap waarin overleg en inspraak vruchtbaar functioneren. Maar nogmaals — en daarin ga ik met Van 't Spijker mee — dat moet dan wel komen uit een andere wortel dan de vaak drammerige pleidooien voor democratisering, nivellering en zelfbestuur. Eerder zou ik de hier liggende vragen willen benaderen vanuit de bijbelse idee van het dragen van verantwoordelijkheid waartoe de mens in Gods opdracht op de hem gegeven post en met de hem of haar gegeven kwaliteiten en talenten toe geroepen is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's