Uit de pers
Het gesprek tussen Joden-en Christenen blijkt geen eenvoudige zaak te zijn. Misverstanden, gevoelens van irritatie, een verschillend hanteren van begrippen komen dan al snel op. De gemeenschappelijke erfenis, die we hebben in het Oude Testament, blijkt zeer verschillend verstaan te worden. Wanneer van de zijde van de christelijke gemeente gepleit wordt voor een getuigend gesprek, treedt opnieuw een spanningsveld op. Daar komen voorts nog niet-theologische factoren bij die eveneens belastend zijn voor het gesprek. De wijze waarop christelijke landen en volken eeuwenlang de Joden vervolgd hebben, de gebeurtenissen van 1933-1945, die telkens weer oplaaiende vlammen van het antisemitisme zijn al evenmin bevorderiijk voor een goed klimaat. Hoe moeilijk het gesprek kan zijn blijkt uit enkele artikelen die me de afgelopen weken over deze materie onder ogen kwamen.
Blinde liefde of bedekkende liefde
Enkele weken geleden namen we in deze rubriek een gedeelte over uit een artikel van Prof. dr. A. S. v. d. Woude waarin deze stelling nam tegen de judaïserende tendensen in bijbeluitleg en theologie, de a-historische exegese en poneerde dat een verwaterd christendom zich koestert aan een verwaterd jodendom, aldus blijk gevend van blinde liefde. Max Arab, schrijver van 'Mensen... kinderen, de tien geboden' geeft in Evangelisch Commentaar van 12 aug. een reactie op Van der Woude's artikelen met een verwijzing naar de liefde van 1 Kor. 13 die alle dingen bedekt. Zijn grief is dat Van der Woude geen recht doet aan de gezamenlijke bezinning van Joden en Christenen, de hernieuwde lezing van de Thora door de kerkmensen en de gezamenlijke worsteling naar gerechtigheid.
'Bij het bepalen van een standpunt ten aanzien van de verhouding joden-christenen wordt een belangrijk aspect stelselmatig over het hoofd gezien. De catechese "der verguizing" heeft (in alle eeuwen) mensen tot jodenvervolgers en moordenaars gemaakt. Gewone, — in alle onschuld en onwetendheid — misleide mensen waren evenzeer "slachtoffers" als degenen tegen wie zij werden opgehitst. Het werd deze tallozen, eenvoudigen van geest, onmogelijk gemaakt te doorzien dat het heil in Christus niet door geweld kan worden verworven, noch verdiend door het vermoorden van medemensen, die tot vijanden van de kerk werden verklaard. Dit betekent dat zij feitelijk buiten het bereik van de liefdesboodschap van het Evangelie werden gehouden. Hun werd te kort gedaan door degenen die verantwoordelijk waren voor de opvoeding tot "burger van het Koninkrijk". Niet de jodenhaat als een op zichzelf staand fenomeen, maar de gesteldheid van totale mensenverachting roept op tot waakzaamheid. Zeker in onze dagen, nu deze gesteldheid weer openlijk gedemonstreerd wordt.
Het wordt tijd, dunkt mij, mensen het zicht op de werkelijke wortels van dit kwaad niet te belemmeren, opdat er niet telkens opnieuw slachtoffers vallen... Aan beide zijden. Daarom ook kan de vraag naar de legitieme voortzetting van het Oude Testament niet worden gesteld op basis van gegevens die eerder misverstanden oproepen dan uit de weg ruimen. Door de wijze waarop de probleemstelling wordt gepresenteerd, gaat deze kwestie feitelijk "over de hoofden" van gewone mensen heen. Er wordt niet geleerd te onderscheiden. Er wordt zonder meer opgewekt tot een scheiding der geesten. Met name het paulinisch getuigenis aangaande Christus kan een aanleiding zijn allerlei nuances in de intertestamentaire periode te onderkennen. Immers, Paulus was een leerling van (Rabban) Gamaliël (Hand. 22 : 3), dezelfde Gamaliël die verhindert dat Petrus en Johannes worden gearresteerd als zij de Christus, Jezus verkondigen in de tempel (5 : 34). Gamaliël was de kleinzoon (en leerling) van de bekende rabbi Hillel, wiens beroemde school de leer van de naastenliefde in de praktijk bracht met vertrouwen in de mens en bekommernis om de menselijkheid. Paulus toont zich in zijn getuigenis een waarachtige en goede leerling van deze in het farizeïsme gewortelde school! dezelfde school waaruit het moderne, liberale jodendom is voortgekomen. Hoe men dergelijke historische gegevens wenst te interpreteren is een persoonlijke zaak. Negeren een andere kwestie...
Waken voor blinde haat komt mij in elk geval zinniger voor dan waken voor blinde liefde. Of, om Paulus aan het woord te laten: Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had...’
Van der Woude’s antwoord
In zijn antwoord wijst de Groningse hoogleraar er op, dat men de verschillen serieus moet nemen tussen jodendom en christendom. Hij handhaaft zijn stelling dat naar zijn mening het jodendom ongeschikt is als stramien te dienen voor de uitleg van het Oude Testament.
Daarvoor heeft het jodendom (en in het bijzonder het moderne liberale jodendom) zich te ver verwijderd van de godsdienst van Oud Israël. Op deze (historische) stelling zou de heer Arab met historische tegenargumenten moeten zijn ingegaan. Hij heeft niet weerlegd dat het jodendom serdert oudtestamentische tijden ingrijpende wijzigingen heeft ondergaan en dat het moderne liberale jodendom een zwakke aflegger is van het rabbijnse jodendom. Wanneer hij opmerkt dat al vele tientallen jaren een wetenschappelijk apparaat is ingezet om de joodse achtergronden van de bijbel te onderzoeken, heeft hij volkomen gelijk. Juist omdat ik (laat ik eens onbescheiden zijn) van de bedoelde publicaties enigermate op de hoogte ben, heb ik mijn artikel geschreven om aan te tonen dat men de consequenties uit de aan het licht gekomen gegevens niet trekt, als men doet alsof het jodendom vanaf oudtestamentische tijden tot aan het moderne liberale jodendom zo ongeveer op hetzelfde zou neerkomen. Een dergelijke opvatting kan naar mijn overtuiging slechts diegene huldigen die de geschiedenis van wat jodendom heet negeert. Waar een en ander theologisch op uit draait, is duidelijk uit de reactie van de heer Arab: buiten het stramien van het reformatorisch erfgoed werken aan een menswaardige wereld en een rechtvaardige samenleving. Ik heb dat humanitaire streven in mijn artikel een "groot goed" genoemd. Maar deze inzet voor humaniteit, wil men levensheiliging, is niet een joods-christelijk prerogatief. Op deze noemer krijgt men ook anderen dan joden en christenen aan één tafel. Daarmee is echter noch de essentie van het rabbijnse jodendom noch die van het christendom geraakt. Wanneer men dat wel meent, moet men zijn kennis van de geschiedenis ophalen om te ontdekken dat alleen een verwaterd christendom en een soortgelijk jodendom eigen essentialia kunnen overslaan. In dit kader past wat de heer Arab over Paulus zegt. De apostel zou in zijn getuigenis een waarachtige en goede leerling zijn van de in het farizeïsme gewortelde school van "de bekende rabbi Hillel, wiens beroemde school de leer van de naastenliefde in de praktijk bracht met vertrouwen in de mens en bekommernis om de menselijkheid". Saulus, niet Paulus, zat aan de voeten van Gamaliel, maar Saulus werd Paulus! Het getuigenis van de laatste was niet dat van de eerste! Dat deze waarheid in een theologische vrijage van christenen geregeld genegeerd wordt, is nu precies de zaak die ik aan de orde heb willen stellen. Dat wil niet zeggen dat ik niet gaarne het gesprek tussen joden en christenen zou wensen te bevorderen. Het wil wel zeggen dat noch dat gesprek noch de humaniteit gediend is met een oeverloos relativisme, waarbij de diepste verschillen tussen jodendom en christendom ontweken of gecamoufleerd worden. (J. Verkuyl in Hervormd Nederland van 16 juli 1983, p.22).'...
Het is opvallend hoe in allerlei publicaties die in de lijn liggen van Arab's betoog de prediking van Paulus uit zijn brieven inzake de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof, de afwijzing van het wetticisme en de ergernis van het kruis nagenoeg uit de gezichtskring verdwijnt. Dan is het niet zo moeilijk Paulus te maken tot een wetsgetrouwe Jood, maar men heeft dan wel een ander beeld van Paulus dan ons getoond wordt in Handelingen en de brieven. Zeker, Paulus weet van zijn verbondenheid met zijn volksgenoten, maar juist daarom smart het hem dat zijn eigen volk Hem in wie de beloften vervuld zijn, verwerpt. Kan men, als men het gehele N.T. laat spreken, ontkomen aan de noodzaak van het getuigenis aan het adres van Israël?
Stoppen met het getuigenis?
Die zaak is aan de orde in een discussie tussen Dick Houwaart en de amsterdamse hoogleraar, Prof. dr. J. Verkuyl. Laatstgenoemde heeft herhaaldelijk gewezen op de noozaak van het getuigenis aan het adres van Joden en heidenen. Christus' gemeente kan en mag z.i. de missionaire activiteit niet nalaten. Men leze het uitvoerige hoofdstuk over kerk en Israël in Verkuyl's inleiding in de zendingswetenschap. Daartegen protesteert Houwaart in Hervormd Nederland van 16 juli ongemeen fel. De oproep tot getuigenis jegens Israël acht hij anti-judaistisch, misschien wel anti-semitisch. Jodendom en christendom zijn twee verschillende werelden. Dick Houwaart schrijft dan:
U beweert in uw boek verder, dat de scheidslijn tussen synagoge en kerk ligt in de christelijke belijdenis en dat kerk en synagoge verschillen in antwoord op de vraag: wie is Jezus. Ik denk, dat er meer is, véél meer. Het zou thans te ver voeren hierop uitvoerig in te gaan. Een enkele opmerking slechts. Niet alleen Jezus en tweeduizend jaar geschiedenis scheiden jodendom en christendom. Het zijn geheel verschillende werelden en levenshoudingen. Het joodse gebed wijst in een geheel andere richting dan het uwe. Als een jood een psalm leest, doet hij dat met geheel andere gedachten dan u. Als een jood de Thora leest, leest hij andere dingen dan u. En, in alle bescheidenheid, joden hadden de Thora eerder dan u. Het is belachelijk zoals sommige zendelingen zeggen: "Wij moeten de joden de bijbel teruggegeven". Wanneer joden spreken van de Masjiach hebben zij het over totaal iets anders dan over de messias. Als joden geloven in een messiaanse wereld geloven zij in een andere wereld dan u.
Zijn er dan geen gemeenschappelijke uitgangspunten, of zoals christenen het zo gaarne noemen, gemeenschappelijke wortels? Zeker, maar wij moeten vaststellen dat de vruchten voor het jodendom fundamenteel verschillen van die van het christendom. Dat is geen conclusie die tot vreugde stemt, maar u hebt het zo gewild. U bent die weg gegaan, u ver weg bewegend van wat het jodendom was en is en wil blijven. Het is uw goed recht dat te willen. Ik betwist u die weg niet. Integendeel, ik wil mij verheugen in de liefde, de warmte en de ijver, waarmee u zich op die weg begeeft. Ik kan mij zelfs wel voorstellen, dat het u vreugde schenkt anderen te tonen hoeveel blijdschap, hoeveel liefde en hoeveel warmte u ontvangt door die weg te volgen. Maar wat ik dan niet begrijp is dat u zich blijkbaar niet wilt of kunt verheugen in het feit, dat de weg die God voor mij heeft vastgesteld, mij veel liefde, veel warmte, veel vreugde schenkt. U wilt mij met alle geweld uw liefde, uw blijdschap en uw trots opdringen. Waarom? U kent de geest van het jodendom genoeg uit zijn geschriften om te weten dat dat wat de mens moet zijn, buiten het kruis om zeer goed te bereiken is. De band die u een behoefte, die u een troost, een verkwikking, een sieraad is, is mij een ondraaglijke keten.
'De Heiland, die geboorte en opvoeding u geschonken hebben... ik kan mij levendig voorstellen hoe diep u hem vereert, hoe u hem aanbidt, hoe hij uw geluk, uw zaligheid is. Werkelijk, ik bid u alles toe, waarmee en waardoor u uw geluk verzekerd acht. Maar bedroef u niet over het feit dat u mij niet terugziet aan de voeten van een der talrijke martelaren waarvan de joodse geschiedenis zo vol is". (Vrij naar een brief van rabbijn Jacob Hoofiën aan dr. J. H. Gunning J. Hzn. in 1881). En, probeert u mij dan ook niet over te halen of te dwingen te spreken over zaken, die ik niet wens. Zoals de hervormde synode in 1979 hooghartig verklaarde, dat de hervormde kerk een gesprek zoekt met Israël opdat zij samen met het volk van Israël tot grotere klaarheid mogen komen inzake het getuigenis van de heilige Schrift dat Jezus de Christus is". Nee, dan sluit ik mij liever aan bij het internationaal beraad over de kerk en het joodse volk, waarin richtlijnen voor de joodschristelijke dialoog werden aangenomen (14 augustus 1981). Daarbij werden gedwongen overgangen veroordeeld. Daaronder wordt verstaan schending van het recht dat ieder mens gevrijwaard behoort te blijven van druk van buitenaf inzake geloofsopvattingen.'
Christenen moeten, aldus de teneur van dit artikel hun zending onder de Joden staken. Het is voor Houwaart een belediging en een bedreiging. Met Rosenzweig zegt hij: 'De jood heeft Jezus niet nodig. De jood is immers al bij de Vader'. Men kan natuurlijk hier tegenover stellen dat we al lang niet meer spreken van zending, maar van een getuigend gesprek met Israël, en voorts dat de herinnering aan het anti-semitisme de discussie vertroebelt. In zijn weerwoord in hetzelfde nummer van HN doet Verkuyl dat dan ook. Hij wijst er op dat het hem zeker niet te doen is om agressieve propaganda, dwang of manipulatie. Maar daarmee is het eigenlijke discussiepunt niet geraakt. Dat zit 'm in de vraag of een kerk die zichzelf serieus neemt en die de ander, i.e. de Jood ernstig neemt, ooit het getuigenis kan verzwijgen.
Geen oeverloos relativisme
We citeren uit het antwoord van Verkuyl het volgende:
'Bij de communicatie van het evangelie is dwang, elke vorm van dwang, demonisch. De duivel dwingt en alles wat demonisch is dwingt. Maar liefdevol en geduldig wederzijds getuigenis is een onnalaatbare roeping. Ik heb in mijn leven vele joden ontmoet, zowel in Jeruzalem als in andere landen, die zeer goed beseffen dat het liefdeloos zou zijn als christenen de kern van hun geloof in hem die is en die was en die komen zal, zouden verzwijgen tegenover joden. Christenen hebben niet alleen de roeping tot luisteren, zoals bijvoorbeeld dr. S. Schoon en dr. J. Schoneveld steeds beklemtonen. Ze hebben ook de taak om vragen te stellen, bijvoorbeeld over het paaslam, over de betekenis van het ritueel van de zondebok (Leviticus 16), over de boodschap van Jesaja 53, enzovoort, enzovoort. En ze hebben bovendien de roeping de boodschap van en over Jezus aan de orde te stellen, de boodschap van de gekomene en van de komende Christus. Een bekende joodse auteur in Jeruzalem zei eens: 'Als christenen daarover niet langer spreken, dan zijn ze laf, of dan is hun discipelschap innerlijk geheel uitgehold tot humanisme. Dan zijn ze aanhangers geworden van de leer van de twee wegen, of van de vele wegen''. Een van de duidelijkste uiteenzettingen over de aspecten van de rabbinistische theologie, zoals die na de ballingschap is opgekomen in de Mishna en talmoedische literatuur, is naar mijn mening het boek van rabbijn Solomon Schechter: "Aspects of Rabbinic theology" (Shocken books. New York). Als hij de kernconcepties van de rabbinistische theologie heeft weergegeven, wijst hij er met onomkoopbare eerlijkheid op, dat die kernconcepties onmogelijk in overeenstemming te brengen zijn met de boodschap van het nieuwe testament en in het bijzonder met de paulinische en later reformatorische vertolking van het oude en het nieuwe testament en dat tussen de rabbinistische en de nieuwtestamentische en vooral de paulinische kern-getuigenissen gekozen moet worden. Ik denk dat rabbijn Solomon Schechter daarin gelijk heeft en daarom bewijzen liberale of orthodoxe joden en christenen elkaar geen dienst als ze de diepste verschillen tussen hen ontwijken of camoufleren. Waarachtige liefde eist van hen dat ze op de kern van de zaak ingaan. Als christenen dat wèl doen, zoals Karl Barth dat deed, zoals Miskotte dat deed en zovele anderen, dan moet men dat niet als antisemitisme diskwalificeren. Daar heeft het niets mee te maken. Het heeft te maken met de waarheidsvraag en met waarachtige liefde voor elkaar.'
We mogen, zo stelt Verkuyl terecht, niet toegeven aan het relativisme dat de waarheidsvraag ontwijkt. Wie dat in onze tijd poneert, loopt licht de kans uitgemaakt te worden voor een betweter of onverdraagzaam persoon. Toch meen ik dat we, op straffe van ongehoorzaam te zijn aan de Schrift, het niet anders kunnen stellen. Zeker, bescheidenheid en ootmoed past ons als christenen uit de volkenwereld. Maar zal het getuigenis ooit anders gebracht kunnen worden dan 'met zachtmoedigheid en vreze'? En al blijft het waar dat het getuigenis van Paulus en de andere apostelen een boodschap is van Joden aan hun volksgenoten, dat neemt toch niet weg dat ook in dit getuigenis de oproep tot geloof en bekering niet ontbreekt en dat de ergernis aan een gekruisigde Messias niet verzwegen wordt. Stellig kan een joodse visie op de Schrift in allerlei opzichten verhelderend werken. Maar alle verheldering neemt toch niet weg dat in het gesprek met Israël toch nog altijd de belijdenis, dat Jezus de Messias is, in het geding is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's