Wat heeft de voorrang? (3)
Pastoraat en prediking
De prediking en de catechese behoren vanuit hun eigen aard pastoraal te zijn. De onderwijzing is een verbijzondering van het herderschap.
Een vorig keer schreven wij, dat het pastoraat de achtergrond is van de prediking, de catechese en al het andere werk in de gemeente. De prediking en de catechese behoren vanuit hun eigen aard pastoraal te zijn. De onderwijzing is een verbijzondering van het herderschap.
Herder op de kansel
Wij willen nog eens accentueren, dat een dienaar des Woords op de kansel niet alleen maar leraar, doch niet minder herder is. Door menigeen wordt hij alleen maar als herder gezien, wanneer hij trouw zijn schapen bezoekt en aandacht heeft voor de vele vragen en problemen die er zijn. Zonder dit persoonlijk pastoraat te kort te doen, stellen wij, dat ook én juist op de kansel de leraar herder is. Op de kansel wordt pastoraat in 't groot bedreven. Nooit kunnen zovelen pastoraal bereikt worden als wanneer men op Gods dag in Gods huis bijeen is. Door middel van een pastorale prediking worden mensen aangesproken in hun diepste nood en worden zij geleid tot de Goede Herder. Wanneer de prediking niet meer pastoraal van aard is worden de gemeenten uitgehold en zijn de gevolgen afschuwelijk. Een voorbeeld hiervan is de maatschappijkritische prediking. Wat heeft deze prediking een verwoestende werking gehad - en nog - in het leven van de gemeenten. Welvarende en bloeiende gemeenten zijn aan zulk een prediking ten gronde gegaan. De hoorders kregen stenen voor brood en haakten na korter of langer tijd af. In het gunstigste geval zocht men een pastorale prediking op. Maar hoevelen zouden juist tengevolge van een maatschappij-kritische prediking niet voor de kerk verloren zijn gegaan? Dit alles dringt ons om neer te schrijven, dat de prediking pastoraat dient te zijn. Hiermee willen wij niet zeggen, dat de vragen van de maatschappij en de wereld in een pastorale prediking uit de weg gegaan moet worden. Juist in een pastorale prediking zullen deze niet minder aan de orde komen dan de vragen omtrent de toeëigening van het heil en de zekerheid van het geloof. Maar de vragen van maatschappij en wereld mogen zeker niet het één en al gaan worden. De diepste nood van ons mensen is de zonde-nood. Van deze nood dienen wij verlost te worden, op deze nood dienen wij in te, gaan in de prediking en een wegwijzer te zijn naar Hem Die van deze nood verlost. Het leiden van de zielen, het pastorale element in de prediking is voor ons hervormd gereformeerden altijd een kenmerk geweest. En dat in navolging van de Goede Herder Die in Zijn spreken te alle tijden Zich pastoraal heeft betoond. In Zijn voetstappen willen wij als onderherders gaan, alsmede in de voetstappen van de profeten en apostelen. Door de eeuwen héén zijn de herders ook in die voetstappen gegaan. Wie de preken leest van een Augustinus, van een Calvijn, van een Luther, van een à Brakel, van een Smijtegelt en van een Kohlbrugge zal het met ons eens zijn, dat deze preken voluit pastoraal getint zijn. Als herder hebben alle genoemde personen gesproken tot de afzonderlijke mens, tot de gemeente in haar geheel en tot het volk. Van hoeveel waarde een pastorale prediking is zal menig dienaar van het Woord wel eens gebleken zijn, toen hij op bezoek bij een van zijn gemeenteleden te horen kreeg, dat deze in de prediking een antwoord had ontvangen op vragen die bij hem leefden. Ofschoon de prediker van deze vragen niets afwist, gaf de Heere door middel van de pastorale prediking een antwoord. Wij behoeven niet altijd van hot naar her te rennen om allerlei wetenschap voor de prediking op te doen. De Heere geeft het ook wel zonder dat wij het weten en wil ons als herder op de kansel gebruiken om vragen te beantwoorden. Dat uit het persoonlijk pastoraat soms een halve preek geboren kan worden, daarover willen wij in een ander artikel nog iets schrijven. Het is ons in het bovenstaande gegaan om wat God doet. Zijn werk gaat ver boven al ons werk uit.
Pastoraal en apostolair
Het viel ons op bij de bestudering van ons onderwerp, dat ds. C. Snoei in een artikel 'Pastoraat en Apostolaat' (Pilaar en Kandelaar, blz. 65-76) de nadruk erop legde, dat de herder op de kansel niet alleen pastoraal dient te zijn, maar ook apostolair. Het woord 'apostolair' heeft te maken met 'apostolaat'. Het laatstgenoemde woord is afgeleid van het griekse woord 'apostelloo', dat 'uitzenden' betekent. Ook het woord 'apostel' heeft hiermee te maken, dat 'gezondene' betekent. Zonder nu de onderherders op één lijn te stellen met de apostelen, kunnen wij zeggen, dat ook de onderherders van de Goede Herder 'gezondenen' zijn. Opvallend is dat mensen die door God gezonden worden steeds met een speciale boodschap erop uit worden gestuurd. Zij moeten mensen die 'buiten' zijn naar 'binnen' roepen. De wereld is 'buiten', het Koninkrijk Gods is 'binnen'. Door middel van de oproep tot bekering worden zij die 'buiten' zijn naar 'binnen' geroepen. Terecht merkt ds. C. Snoei op, dat daarom niet alleen het pastorale, maar ook het apostolaire een plaats in de prediking dient te hebben. Wij gaan niet tellen, maar hoevelen jongeren en ouderen die in de kerk komen zouden nog buiten zijn? Jongeren die van vader of moeder naar de kerk moeten, maar die innerlijk geen wezenlijke betrekking hebben op de prediking en dus ook geen echte betrekking op God en Zijn Christus? Maar ook ouderen die de traditie van de kerkgang volhouden, maar die innerlijk onmetelijk ver van het ware wezen der religie afstaan? Wanneer met die allen niet pastoraal of apostolair wordt omgegaan in de prediking, dan zijn het over enige tijd de verloren zonen óf de verloren zonen van de verloren zonen. Want laten wij nuchter zijn - Bijbels-nuchter - : niet allen behoren tot het geestelijk Israël. Wanneer dit besef er bij de onderherder is, zal hij de oproep tot bekering (apostolair) krachtig laten horen. Dan is het zijn intense begeerte dat allen tot het geestelijk Israël gaan behoren. Hij preekt immers niet voor het vuur, maar voor de schuur. Met zijn woorden dient hij zowel pastoraal als apostolair de gehele kudde te bestrijken. Zelfs de mensen die zo maar eens te hooi en te gras de samenkomsten van de gemeente meemaken of er zomaar eens waren. Dit laatste doet zich meermalen voor in doop-en trouwdiensten én vooral bij begrafenissen. Wat een mogelijkheden om dan een woord van hart tot hart te spreken tot degenen die nergens van weten. Om ze dan niet alleen te waarschuwen - dat ook, want het waarschuwend element mag nooit of te nimmer ontbreken - maar óók en vooral om ze te wijzen op Hem in Wie alleen het leven is, nl. onze Heere Jezus Christus. De ernst mag nooit ontbreken. Want een ieder die niet in Christus is ingelijfd door een oprecht geloof gaat verloren. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf! Wat heeft derhalve een onderherder een hoogst verantwoordejiijk werk. Wat is zijn werk ook veelomvattend. Dat werk vraagt al zijn tijd en al zijn krachten. De dienst des Heeren laat niet zoveel tijd voor andere dingen over. Zielen moeten gered worden, zielen moeten geleid worden, zielen moeten geweid worden. Een onderherder dient derhalve geen sierboom, doch een vruchtboom in de wijngaard des Heeren te zijn. Sierbomen zijn mooi om te zien, maar in het Koninkrijk Gods gaat het om de vruchtbomen.
Vrijgesteld om der wille van het Woord
In het bovenstaande hebben wij de nadruk gelegd op de prediking van het Woord. Deze prediking dient pastoraal en apostolair te zijn. Het zou ons te ver voeren om ook nog op de diakonale en missionaire aspecten in te gaan. Dat deze aspecten niet mogen ontbreken zal juist zijn. Om echter deze immense pastorale taak, de prediking, naar behoren te kunnen uitoefenen, zal het ons duidelijk zijn, dat de predikant zich niet met allerlei anderen taken kan bezighouden die buiten het pakket van zijn Opdrachtgever en beroepsbrief om gaan. In Zijn bijzondere zorg voor mensen, heeft de Heere daarom ook drie ambten in Zijn Kerk ingesteld. Een daarvan is: herder en leraar. In tegenstelling tot de ouderlingen en de diakenen zijn de herders en leraars vrijgestelden om der wille van het Woord. De instelling van het diakonaat in Handelingen 6 laat ons zien, hoe de apostelen de handen vrij krijgen terwille van de bediening van het Woord. Het ging hun krachten te boven goede zorg te besteden én aan de Woordbediening én aan de verzorging van de armen.
Zo zien wij, dat de kerk van den beginne scherp heeft gezien hoe gewichtig de bediening van het Woord is. Ook de oude kerk (100-400 na Chr.) lette er nauwgezet op, dat de primaire taak van de onderherders primair bleef. Zij moesten zich hoeden voor veelbezigheid in allerlei zaken ten koste van de arbeid in het Woord, waardoor de Goede Herder in Zijn gemeente arbeiden wil. Zou dit in onze tijd anders zijn? Onze tijd die zich kenmerkt door een saecularisatie in kerk, gemeente en volk zonder weerga? Moet daarom het individuele pastoraat overal aanwezig zijn en overal inzitten van de onderherders de voorrang hebben boven het pastoraat op de kansel, boven de prediking? Of dienen wij evenwichtiger te zijn en moeten wij zeggen: zowel het één als het ander verdient de aandacht al naar gelang de krachten, gaven en talenten van een herder en leraar? Nu reeds willen wij vaststellen, dat het niet zozeer gaat om 'óf-óf, doch om 'én-én'. Het ene moet goed gedaan worden en het andere evenzeer. De studie van het Woord is van eminent belang, maar het persoonlijk pastoraat niet minder. Doch hierover graag een volgende keer meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's