Een onderbroken avondgebed
Vertrouwt op de Heere Psalm 4 vers 6
David onderbreekt zijn vertrouwend gebed. Het wantrouwen van de mannen om hem werkt als, wat wij zouden noemen stoorzenders. Zij willen de dingen zelf ter hand nemen, naar hun hand zetten. Dan weet je waar je aan toe bent, denken ze. Waarom die koning Saul niet uit de weg geruimd? Waarom wachten tot de Heere het lot wendt? Wie weet wanneer dat een keer zal zijn?
David lijdt onder hun ongeloof. Wat hem op de been hield was het vertrouwen op de Heere, die Zijn belofte aan hem vervullen zou op zijn tijd en op zijn manier. Dat was wat David noemt 'zijn eer'. Dat gaf glans aan zijn leven. Maar zijn metgezellen vinden dat maar niets. Zij maken zijn eer te schande. David is er echter van overtuigd, dat wat zij voorstaan ijdelheid is, een weg die heidenen eigen is (Psalm 2 vers 1), maar Israël kan beter weten.
Deze woorden mogen wij wel ter harte nemen.
Hoe vaak wantrouwen ook wij de Heere. Van Zijn bedreiging, dat Hij de zonde straft, denken wij heimelijk, dat dat zo'n vaart niet zal lopen. En wij wantrouwen Hem in Zijn beloften: mag ik daar wel op afgaan? Zou Zijn Woord de redding zijn van mijn leven?
In dat wantrouwen van ons tekent zich af de leegheid van ons bestaan. Wij jagen achter de leugen aan, want wat de Heere zegt is de waarheid en wat wij bedenken is leugen, zonder meer.
David zegt: je hoeft niet zenuwachtig van alles te verzinnen om de zaken zelf voor elkaar te krijgen. Weet toch, dat de Heere Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd. De Heere heeft in Zijn welbehagen mij Zijn gunst getoond en mij bestemd om koning te zijn in Israël. Laat dat toch genoeg zijn. De Heere zal Zelf zorgen voor de uitkomst van Zijn woorden aan Zijn gunstgenoot. Dat is iemand die Gods gunst geniet. Dat zou je niet zeggen, David, zeggen zijn metgezellen, je bent maar een voortgedreven vluchteling. Zelf zegt hij: een gunstgenoot: de Heere hoort, als ik tot Hem roep. Deze zekerheid gaat terug op Gods beschikking, waar Psalm 2 van zingt: De koning gezalfd over Sion.
Als je dat laat gelden, dat de Heere Zijn plan bekend gemaakt heeft en zeker volvoeren zal, dan verbitteren de omstandigheden je niet meer. Daarom zegt David: Als je het niet verkroppen kunt in je ontsteltenis en toorn, dat wij buiten de gemeenschap zijn geplaatst, zondig niet door eigen rechter te willen zijn. Breek zelf geen weg open, als de Heere die niet opent. Een opwekking tot lijdzaamheid dus, tot volharding. Spreek in uw hart op uw leger. Dat betekent: Overweeg de dingen liever stil als je je hebt neergelegd om te slapen, maar houdt het vooral binnen. Laat het niet uitbreken in woorden van ongeloof, in daden van overmoed.
David wil in zijn lied het wantrouwen van zijn mannen ombuigen in vertrouwen op God, een vertrouwen dat zich uit in het offeren aan de Heere zoals Hij het bevolen heeft.
'En vertrouwt op de Heere.' Daarin wordt het met zoveel woorden gezegd. Want als er Eén is die ons vertrouwen waard is dan is het wel de Heere onze God. Wat is ons wantrouwen tegenover Hem eigenlijk beledigend, krenkend voor Hem. Hij is immers altijd Zijn woord nagekomen. Vertrouwt dan toch op Hem. Dat is wel de kerntekst van deze psalm. Een woord om te bewaren in ons hart: vertrouw op de Heere.
Maar het wantrouwen is zo maar niet overwonnen. Velen zeggen - hier is ineens de parallel met Psalm 3. Daarin ook de velen die zeggen: denk niet dat God je helpen zal. Hier een algehele twijfel: velen zeggen: wie zal ons het goede doen zien? Dat is de twijfel, die meestal volgt op de zelfverzekerdheid van: wij knappen het zelf wel op.
Het wantrouwen jegens God uit zich eerst in ijdele plannen, listige manieren. Maar tenslotte kom je er niet zover mee. Dan legt zich een neerslachtigheid over de gedachten: wat haalt het allemaal uit? Het blijft toch ellendig in de wereld, het komt nooit goed. Aan narigheid geen gebrek, maar wie zal ons het goede doen zien?
U ziet dat hoogmoed geleidelijk aan omslaat in wankelmoedigheid. Dat kennen we in ons eigen leven, dat het vuur van de verwachtingen dooft en idealen omslaan in teleurstellingen. Wij kennen dat in de pessimistische cultuurstemming van onze tijd. De hoogmoed van ons technisch kunnen heeft plaats gemaakt voor de trieste vertwijfeling, dat wij aan de verrijking van ons leven te gronde gaan en elkaar te gronde richten. Hoeveel mogelijkheden die God in Zijn schepping heeft gelegd, zijn ontdekt en in gebruik genomen tot zegen, maar ook tot een verlammende bedreiging.
Wie zal ons het goede doen zien? De modeuitdrukking van onze tijd verraadt ons defaitisme: ik zie het niet zitten. Net als bij Davids lotgenoten: wie zal ons het goede doen zien?
David gaat dan niet debatteren of de feiten anders belichten. Dan zou hij zijn beschouwing stellen tegenover die van zijn metgezellen - hij stelt liever het vertrouwen op God tegenover hun wantrouwen. Zo komt in het slot van de psalm dat vertrouwen weer aan het woord. Allereerst in een gebed: verhef over ons het licht van Uw aanschijn, o Heere. Dat wil zeggen: Als U ons aanziet met vriendelijke ogen, dan klaart ons leven op.
Deze uitdrukking, dat God het licht van Zijn aangezicht over ons verheft, heeft David opgevangen van de priesters. Wanneer die het volk zegenden, dan spraken ze de zegen van Aäron uit, waarin gezegd wordt: De Heere verheffe Zijn aangezicht over u. Die zegen resonneert in zijn gebed.
Dat is het rechte gebruik van Gods woorden. Wat de Heere belooft, dat mogen wij Hem biddend vragen. Het Woord van God dat over ons wordt uitgesproken, gaat dan in ons over tot een spreken met de Heere. Zijn woorden komen tot ons en van het een komt het ander. Keert u ook wel eens met het Woord van God dat u hoorde naar de Heere terug?
Ook de zegen, aan het eind van de kerkdienst over ons uitgesproken, geadresseerd naar de stijl van Gods verbond ook aan allen die bij ons horen, uw jongen, die u niet meekreeg naar de kerk, uw getrouwde kinderen, die in de kerkgang verslappen - komt u er wel eens mee terug voor Gods aangezicht: Heere, Uw genade werd over mij uitgeroepen en over mijn kinderen, bevestig Gij Uw Woord door Uw Geest in mijn leven, in hun leven.
Wij mogen van David leren, om wat de Heere toezegt in het gebed Hem te vragen. Dan worden de vraagtekens in ons leven tot echte vragen, vragen aan God. En David weet bij ondervinding: als de Heere Zijn aangezicht over ons doet lichten, dat is een levensvervulling waar alle tijdelijke zegen niets bij is. De vreugde die God ons schenkt gaat de vreugde om overvloed aan koren en most ver te boven.
Tijdens Davids vlucht voor Saul had hij maar een onzeker leven. Anderen konden bij koren en most wellustig leven, maar hij werd kort gehouden. Maar de ervaring van de gunst van God weegt royaal op tegen een leven in overvloed. Die gemeenschap met God schenkt hem vrede in zijn onzeker bestaan. Eigenlijk is zijn bestaan niet onzeker, al moet hij vluchten van spelonk naar spelonk. Hij heeft zijn God, dat is genoeg. In dat vertrouwen gaat zijn gebed over in een geloofsbelijdenis. Dan kan hij gaan slapen: in vrede neerliggen veilig in Gods hoede.
Ook in deze woorden klinkt de priesterlijke zegen door. Hij geve u vrede, zo besloot de priester bij het heiligdom. David heeft de zegen tot zijn gebed gemaakt en nu deelt deze zegen zich ook aan hem méé: hij legt zich op Gods Woord te ruste, zeker van Gods trouw in alle omstandigheden, veilig in een onveilig bestaan. Niet maar voor even, een enkele nacht. Hij spreekt van wonen, blijvend beveiligd.
In de literatuur van onze tijd klinkt een aangrijpende verlegenheid:
Waar is de vrede en hét onderkomen, wie zegt ons wat er van ons allen wordt? David reikt ons het antwoord aan: Wie God vertrouwt, vast op Hem bouwt, die zal Hij nooit verlaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's