Uit de pers
Het ambt in discussie
Een van de vragen die in de bezinning op ambt en gemeente voortdurend aan de orde komen is de vraag naar de ambten in het Nieuwe Testament. Vooral van historischcritische zijde wordt geponeerd dat de kerkorganisatie zoals de Reformatoren die kenden, niet in het Nieuwe Testament te vinden is, omdat de oudste gemeenten een type gemeenteleven kenden, waarbij de genadegaven allesbeheersend waren en de Geest niet gebonden was aan ambt en instituut. Bovendien ziet men vaak een tegenstelling tussen de brieven van Paulus en de - aan Paulus ontzegde - pastorale brieven en de geschriften van Lucas. Dat alles vergemakkelijkt de discussie niet. Enerzijds hebben we vanuit de traditie der kerk steeds weer opnieuw te vragen: Wat zegt de Schrift en worden we geroepen tot zorgvuldig Schriftonderzoek, anderzijds blijken de resultaten van de exegese niet altijd onbevooroordeeld tot stand te zijn gekomen. Prof. dr. W. v. 't Spijker signaleert deze spanning in zijn artikelenreeks over het ambt. Hij is van mening dat wat men het nieuwere Schriftonderzoek noemt, bijna geheel beheerst wordt door een standpunt, dat de resultaten van het historisch-critisch onderzoek als vaststaand aanvaardt. Daaraan voegt hij een tweede stelling toe:
'De tweede stelling is, zo lijkt het, veel ingrijpender, onthutsender.
Ze luidt: de exegese wordt, zo blijkt slag op slag in de moderne commentaren, door het dogmatische standpunt bepaald. De geweldige uitspraak: alleen de Schrift, is op de keper beschouwd een prachtige, maar ook een vrome leus. In de oecumenische commentaar, die bezig is te verschijnen haalt men om zo te zeggen met de ogen dicht de roomse exegeten er uit. Bij de protestantse is dat wat minder gemakkelijk. Maar dat ligt aan de kwaliteit van hun protestantisme.
En het blijkt ook al weer uit de literatuur, die aan dit thema is gewijd. Het dogmatische standpunt is doorslaggevend.
Nu behoorde zulk een uitspraak ons in het geheel niet te verbazen. Wie zou van Augustinus een Pelagiaanse exegese hebben verwacht? En wie zou niet geschrokken zijn wanneer hij, Pelagius lezende, daarin een puur Augustiniaanse uitleg zou hebben gevonden? Denk aan Luther. Hij ligt velen van ons het meest, in ieder geval meer dan Calvijn. Wat u altijd in Luther opviel was immers zijn puur reformatorische exegese. En het zat er altijd op een of andere manier in. Het klopte ook. Welke tekst hij ook leest, altijd vindt hij daar de rechtvaardiging van de aangevochten en in zichzelf verloren zondaar. En als u Luther las, dacht u wat is het evangelie rijk. Maar neem nu zijn tegenstander, b.v. Eck. Hij legt met grote nauwkeurigheid de Schrift uit en hij vindt daar alles in wat het roomse geloof maar kon bevestigen.
En zo zouden er veel meer voorbeelden te geven zijn. Het exegetisch resultaat van de uitlegger van de Schrift wordt bepaald door zijn dogmatisch standpunt. Van die stelling ben ik zelf ten zeerste overtuigd. Bovendien schaam ik mij voor de stelling niet. Is het dan werkelijk al zo ver gekomen, dat ik mij zou moeten schamen om gereformeerd te zijn? Dat ik pardon zou moeten zeggen, omdat ik achter de gereformeerde confessie sta? Er zijn naar mijn mening dingen in onze huidige wereld waarvoor ik mij meer zou moeten schamen. En er zijn zeker in de kerkelijke samenleving dingen die mij ten opzichte van de wereld het rood naar de wangen jagen. Maar schaam ik me, omdat ik gereformeerd ben? Ik schaam me dat ik het veel te weinig ben en dat ik het nog niet genoeg ben! Welnu, deze stelling nl. iemands dogmatiek beheerst zijn exegese, vind ik mede geïllustreerd in de werken van Schweizer, Kasemann, Moltmann en vele anderen met en nevens hen. En we moeten derhalve niet de illussie koesteren, dat wij er aan zouden ontkomen, aan deze vooringenomenheid, die ik blijmoedig aanvaard en waartoe we iedereen willen opwekken.
Schweizer schreef in zijn eerste boek: Das Leben des Herren in der Gemeinde und ihren Diensten (1946). Ik noem het een dogmatische studie met tekstenmateriaal ter bewijzing van zijn stellingen. Hij schreef zijn tweede boek over deze materie: Gemeinde und Gemeindeordnung im Neuen Testament (1959). Het is een exegetische studie ter "onderbouwing" van een dogmatisch standpunt. Wie Kasemann leest, in zijn velerlei publicaties over deze kwestie, en dat alles dan ziet in het licht van zijn mémoires, zoals ik ze voor het gemak maar noem (Kirchliche Konflikte, 1, 1982) komt tot geen andere overtuiging: exegese wordt ingegeven door een dogmatisch standpunt. En zij wordt zelfs bepaald door dingen die men in eigen leven ondervindt. Zo weinig objectief zijn wij. Als dit alles waar is - ik twijfel er niet aan - dan wil ik nog eens een keer praten over de vraag: kun je, wil je, durf je vandaag gereformeerd te zijn, ofschoon het niet in trek is en hoewel je daarmee achteraan komt?
Achteraan komen?
Nu denk ik opeens aan de oude oefenaar, die zei: 'ik hoef niet vooraan te staan, als ik maar mee mag gaan. Wat scheelt het mij, of de wereld zegt: die man komt achteraan! Dat is mijn standpunt. En als ik blijkbaar tóch een standpunt moet hebben om te kunnen exegetiseren, geef mij dan een gereformeerd standpunt.'
Dat de exegese vaak door dogmatische standpunten beheerst wordt zal waar zijn. Dat we voor een gereformeerde visie ons niet behoeven te schamen is al evenzeer waar. En het is goed dat het hardop gezegd wordt. Want én van moderne zijde en van bepaalde evangelische kanten wordt het gereformeerde standpunt afgedaan als iets wat niet meetelt. Wel blijf ik met enkele vragen zitten. Uitgaan van een gereformeerd standpunt kan toch nooit betekenen, dat ik dit standpunt verabsoluteer in die zin, dat ik niet meer bereid ben het te toetsen aan de Schrift, de gehele Schrift. Zit er in de relatie exegese-dogmatiek, Schrift en belijdenis toch niet iets meer beweging dan Van 't Spijker hier formuleert. Toegegeven, niemand is onbevooroordeeld in zijn exegese. Maar we zullen toch altijd weer eigen standpunten hebben te toetsen. De exegese van de Reformatoren is nooit hét laatste woord.
In de tweede plaats: Ten aanzien van de ambten blijf ik zitten met de vraag, of het wel zo eenvoudig is de gegevens van het Nieuwe Testament ontstaan in een situatie toen nog veel in beweging was, in een systeem te brengen. Zeker, we zullen de gehele Schrift moeten laten meespreken, en niet zoals bij modern protestantse exegeten vaak mode is, de latere brieven buitenspel mogen zetten. Maar we zullen bij de lezing van de brieven nooit mogen vergeten, dat ze geen afgeronde dogmatiek geven, maar ingaan op vragen en zorgen van de jonge gemeente. En we zullen de verschillende benamingen voor hen, die in Christus' gemeente een dienst vervulden zorgvuldig moeten aftasten op hun betekenis, noch vervallend in de fout van de aftrekmethode, noch door gegevens uit latere tijd 'in te lezen' in de Schrift.
Een derde vraag: Hoe komt het dat het woord 'ambt' vaak een zo verschillende invulling krijgt? Staat dat helemaal los van het feit dat het Nieuwe Testament het woord als zodanig niet kent? Let wel: daarmee is niet gezegd dat de zaak ontbreekt. Dat Christus Zijn gemeente regeert door de dienst van daartoe geroepen mensen, is op vele bladzijden van het Nieuwe Testament af te lezen. En ik ben met Van 't Spijker eens: verzet daartegen is vaak geen kwestie van uitleg van de Schrift, als wel voortvloeiend uit de ergenis van mondige mensen jegens gezagsinstanties. Zeker, je kunt de traditie niet overboord zetten. Want wij lezen de Schrift samen met alle heiligen. Maar willen we de traditie vruchtbaar maken, dan zullen we toch steeds weer opnieuw bij de Schrift zelf moeten uitkomen. Zodat ik in die zin de roep om exegese in de discussie rondom ambt en kerkorganisatie toch wel verstaan kan.
***
Wat is leven?
In het Centraal Weekblad van 10 augustus gaat dr. B. Rietveld in op de zaak van de euthanasie. Hij is van mening dat in de beantwoording van de vragen rondom deze problematiek de levensvisie van doorslaggevend gewicht is.
'Dezer dagen werd ik opgebeld en hoorde het volgende verhaal: Een kankerpatiënte in vergevorderd stadium van de ziekte kwam terecht in een gerenommeerd ziekenhuis, in de verwachting daar verpleging en medische hulp te vinden voor het eindstadium van haar ziekte. De behandelende arts maakte haar en haar man duidelijk dat zij een moeilijke lijdensweg tegemoet ging en wees de weg van euthanasie. Die patiënte is daarop naar huis gegaan. En zij is, met alle verlichting die verpleging en medische hulp thuis nog geven kon, via het gewone loop van de ziekte, haar dood tegemoet gegaan. Het argument van de dokter dat haar en haar man deed schrikken en waardoor zij zich bij hem en in het ziekenhuis niet meer thuis voelden, was zijn uitgesproken mening over wat de patiënte tegemoet ging: "Dat is toch geen leven meer!"
Rietveld wijst er op dat menselijk bezien de reactie van de arts wel te begrijpen is. Hoe vaak voelen we ons geen slachtoffer van medische macht. Maar daar mee is het eigenlijke niet gezegd.
'Wat is namenlijk leven? Is het alleen een zich welbevinden naar lichaam en geest, in prettige, althans dragelijke omstandigheden in het hier en nu binnen de grenzen van het aardse bestaan? Onwillekeurig gebruiken we het woord "leven" vaak in deze zin. Ook gelovige christenen zullen vaak van een bepaalde situatie zeggen: "Dat is geen leven" en trachten in de situatie verbetering te brengen. Maar zij gebruiken het woord "leven" dan in een beperkte zin: te zwaar werk, verwaarloosde lichaamsverzorging e.d.
Maar als het er op aankomt? Dan hebben gelovige christenen een veel dieper en veel verstrekkender levensvisie. Dan is het leven dat leven, waarop Johannes doelde, toen hij schreef: "In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen'' (Joh. 1 vers 4). En het leven was dat leven, waarop Jezus Christus wees, toen Hij zei: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven" (Joh. 14 vers 6). Het leven gaat zich daarbij uitstrekken over de grenzen van het aardse bestaan heen en wat in dit aardse bestaan ons deel is, heeft zijn diepe zin niet in ons welbevinden hier en nu, maar in wat het betekent voor de ontwikkeling van dat leven, dat gaat uitlopen in het eeuwige leven. Daarbij gelden woorden als die van Paulus in Rom. 8 vers 28: "...dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben...". Heel veel meer geeft het evangelie over de levensvisie van de gelovige. Maar laat ik hierbij blijven: is het niet vanzelfsprekend dat juist als de dingen erg spannend worden, in lijden en dood, de gelovige christen niet ruw wil ingrijpen in dat mysterieuze, maar ook zo beloftevolle woord over God, die bezig is in mijn levensloop en "alle dingendoet medewerken ten goede?" Een doodzieke, lijdende christen is juist niet een sterveling, die aan het eind is, maar een levend mens, die op weg is naar een hoogtepunt, naar de voltooiing van dat werk van God, die alle dingen doet me dewerken ten goede. Hij is niet aan een eind. Hij nadert een begin. En hij wordt daarbij in zijn verhouding tot God juist bijzonder gevoelig. Wie dit verstaat, zal de schrik van bovengenoemd echtpaar, juist bij de meelijdende en op alleen maar menselijk vlak zo ware woorden "dat is toch geen leven meer" begrijpen. Dat echtpaar voelde er een verzoeking in, de verzoeking om niét te volharden tot het einde, om zich niét langer aan God toe te vertrouwen met Zijn hoge bedoelingen ons ten goede. Daarom gingen zij naar huis!'
Terecht onderstreept Rietveld hoe belangrijk het is dat we in de afweging van het voor en tegen niet formalistisch-wettisch te werk gaan, maar ons concentreren op de diepste en laatste vragen. Beleven we de levensvisie van het Evangelie?
'Het klinkt heel hard en zal mij niet in dank worden afgenomen, maar ik moet toch zeggen, dat in het woord van de arts "dat is toch geen leven meer" de levensvisie doorklinkt die Paulus in de heidense wereld zo vurig bestreed, dié levensvisie namelijk die hij typeerde met de woorden "leven naar het vlees". Daarmee bedoelde hij het leven van de mens met al zijn lichamelijke en geestelijke functies, naar eigen inzicht en wens. Hij wijst dat scherp af en komt met iets dat dit leven van de mens zowel ver te boven gaat als ook doordringt, namelijk met de Geest. "Wandelt door de Geest" zegt hij in Gal. 5 vers 16 letterlijk.
In de oude heidense wereld was de tegenstelling tussen vlees en Geest overduidelijk. Hoe is dat in onze moderne wereld? Zijn wij ook al niet weer klaarblijkelijk in de situatie van de tegenstelling? En zullen wij als gelovigen niet een eigen weg moeten gaan dwars tegen de algemene opvattingen in? Zullen we vrijheid daartoe niet moeten opeisen? En zullen we het wanbegrip, de medelijdende verachting van anderen, de verdenking zelfs van een lafhartig ons vastklampen aan de laatste vezels van het leven, niet moeten verdragen? Het is immers zoveel stijlvoller en ook meer karakter-vol om, als het nu eenmaal zover is, de dood bewust te kiezen en zichzelf en anderen veel ellende te besparen. Het doet denken aan de dood die veel heidenen uit de Romeinse wereld in Paulus' dagen kozen. En wie sterft ook nu nog niet graag in het harnas, niet afgetakeld, niet gebroken, niet als een zielig hoopje mens?
Maar zullen de heidenen onze levensvisie en levenspraktijk bepalen? "Dat is toch geen leven meer", neen, maar het kan wel de enige poort zijn en de smalle weg die tot het leven leidt, dat dan echt leven heten mag, eeuwig leven.'
Er zitten uiteraard aan dit ethisch probleem veel meer vragen. Maar een feit is dat in de huidige visie op leven en dood de secularisatie toeslaat. Een horizontalistisch-binnenwerelds denken heeft de eeuwigheidsdimensie van leven en sterven geschrapt. Dan gaan nut, belang, welzijn, efficiency de discussie beheersen. Alle beroep op naastenliefde kan dat niet verbloemen. Meer dan ooit staan christenen in deze tijd voor de noodzaak te laten zien wat het is te leven in de hoop, de hoop die zekerheid is, op het eeuwig leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's