De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat betekent de C in de gezondheidszorg?(1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat betekent de C in de gezondheidszorg?(1)

Drs. A. Noordegraaf bij opening HBO-v te Ede

9 minuten leestijd

Waarom een christelijke opleiding voor verpleegkundigen? Wat betekent die C?

Inleiding

Vragen staat vrij, maar het vraagteken in de titel van deze toespraak kan bij deze feestelijke opening misschien een wat storende indruk maken, alsof er een rem gezet wordt op het enthousiasme bij een nieuw begin. Toch meen ik dat het vraagteken zinvol is. De dankbaarheid voor deze dag sluit nuchtere bezinning niet uit, integendeel. Waarom een christelijke opleiding voor verpleegkundigen? Wat betekent die C? Ik zou me kunnen voorstellen, dat de vraag van twee kanten gesteld wordt. Allereerst door anderen. Medisch handelen, gezondheidszorg, het verpleegkundige beroep zijn immers zaken, waar elk mens mee te maken kan krijgen, zaken die de volksgezondheid raken, het geheel van de samenleving, en is het nu werkelijk nodig ook op zo'n algemeen terrein ziekte en gezondheid een christelijke zuil op te richten en dan nog wel één van gereformeerde signatuur? U kent de vragen wel: doet een christen-verpleegkundige ander werk of doet hij/zij het werk anders dan zijn of haar niet-christelijke collega? Voorts kunnen we de vraag ook aan onszelf stellen. Onlangs kreeg ik een verhandeling onder ogen, waarin onderscheid gemaakt werd tussen het hebben van de waarheid en het zijn in de waarheid.

Toegepast op de vraag van deze toespraak: hebben we de C of leven we uit het christelijk beginsel? Een vraag, die m.i. voortdurend met ons mee moet gaan.

Geen neutraal begrip

Waarom een christelijke HBO-V? Een eerste antwoord zou kunnen zijn: omdat we (zo min als op andere terreinen) ook op het terrein van de gezondheidszorg ons niet op neutraal terrein bevinden. Definities van een begrip als 'gezondheid' laten dat zien. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft gezondheid gedefinieerd als een toestand van lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden en niet slechts afwezigheid van ziekte of zwakte. Sporken onderscheidt in dat begrip een medische, psychische en sociale component. Gezondheid blijkt te maken te hebben met welzijn, en is, zoals iemand het formuleerde, dienstbaar aan de humanitas. Men kan over de juistheid van deze definities twisten, de winst lijkt me dat ze de gehele mens in het oog vatten. Terecht wordt dan ook in het leerplan van onze HBO-V gesteld: Verpleging is zorg voor de gehele mens, geschapen naar het beeld van God. Dat laatst getuigt van een zeer bepaalde, bijbelse visie op de mens. Medisch-ethische vragen hebben alles te maken met de vraag: Hoe zie ik de mens. Meer dan ooit is die vraag heden in het geding. Sinds Van den Berg in 1969 zijn uitdagende boekje 'Medische macht en medische ethiek' publiceerde en een nieuwe doelstelling voor de geneeskunde bepleitte, nl. menselijk leven te behouden, te sparen en te verlengen waar en wanneer dat zinvol is, is de discussie over de kwaliteit van het menselijk leven, de zorg om de humaniteit niet tot rust gekomen. Mag alles wat kan? De wetenschappelijke experimenten, de ontwikkelingen van de orgaantransplantaties, de kunstmatige bevruchting buiten het lichaam, de vragen rondom levensverlenging, de kwestie van selectie en prioriteitenstelling, de zorg voor de bejaarden, stellen ons meer en meer voor de vraag naar het humane handelen. Wat is dat eigenlijk: humaan, menselijk handelen? Die vraag kan men niet neutraal beantwoorden. Levensvisie en levensinstelling spreken mee. En het zal u niet ombekend zijn hoe steeds luider in gesprekken rondom verpleging, hulpverlening, zorg voor de lijdende naaste, stervensbegeleiding, rouwverwerking, de roep klinkt om een hoe dan ook ingevuld levensbeschouwelijk kader. De laatste vragen omtrent zin en bedoeling van het mensenleven laten zich niet wegdringen via een zakelijk-efficient, vertechniseerd handelen.

Heerschappij van het Woord Gods

Het is, denk ik, goed de kaarten eerlijk op tafel te leggen. De keus voor een protestants-christelijke Academie op Gereformeerde Grondslag impliceert dat wij ons vertrekpunt willen nemen in datgene, wat wezenlijk is voor het gereformeerd denken en leven, nl. de erkenning van het volstrekte gezag van de Heilige Schrift als openbaring van Gods geboden en beloften voor heel het leven, voor allen en ieder. Ik kan het ook anders formuleren: het gaat in deze theocratische belijdenis om de heerschappij van de Heere der Heeren over alle terreinen van het leven. Uiteraard weet ook ik, geleerd door de geschiedenis, hoe gevaarlijk, parmantig en triomfalistisch zulke uitspraken geduid kunnen worden. De geschiedenis van organisaties op gereformeerde grondslag is helaas in verschillende opzichten een zwartboek. En zo ergens, dan geldt hier: alle roem is uitgesloten. De keerzijde van de belijdenis, dat het Woord van God licht en lamp voor heel ons leven is, is niet de uitspraak van een betweter, maar de ootmoedige erkenning: 'Heere, leer mij Uw wegen'. Nu zou men kunnen zeggen: Wordt een dergelijke grondslag niet bij voorbaat onmogelijk gemaakt door de verdeeldheid en verbrokkeling van de gereformeerde gezindte? Dreigt bovendien niet een verkerkelijking van het leven? Met excuus voor de beknoptheid van het antwoord: De verdeeldheid van de gereformeerde gezindte, de vele manieren van bijbellezen, moeten ons juist meer dringen ernst te maken met het gezag van Gods openbaring, opdat aan eigen inzichten de deur gewezen wordt. En wat de verkerkelijking betreft: ik meen, dat juist de Reformatie in haar gereformeerde gestalte deze verkerkelijking heeft afgewezen, maar aandacht vraagt voor het gezag van Gods beloften en geboden midden in de samenleving. Daar heeft de christen, ook de christenarts, - verpleegkundige, - welzijnswerker, - hulpverlener zijn/haar plaats: midden in de maatschappij, ziekenhuis, kliniek, gezondheidscentrum, laboratorium, school, bedrijf.

Theocentrisch uitgangspunt

Wat impliceert dit uitgangspunt nu voor het veld van de gezondheidszorg? Ik stip enkele punten aan. U weet: een lange traditie van medisch-ethisch handelen wordt gekenmerkt door het oude adagium: 'eerbied voor het leven'. Vooral kort na 1945, met de herinnering aan de gruwelijke praktijken van de Nazi's nog vers in het geheugen, was dit voor velen het enig vaste en zekere uitgangspunt. De laatste jaren worden er ook van niet-christelijke zijde vraagtekens bij gesteld. Is deze norm niet te absolutistisch? Bovendien is het de vraag: waarin funderen we deze eerbied voor het leven? Humanisten volstaan doorgaans met de betuiging, dat de mens als persoon die eerbiediging waard is. Anderen beroepen zich op de heiligheid en onaantastbaarheid van het leven. Maar, zo zouden we met Douma willen stellen, wij belijden niet de heiligheid van het leven, maar de heiligheid van Gods gebod. Schepper van alle leven. Met name Karl Barth heeft de zin 'eerbied voor het leven' in die zin gewijzigd, dat hij nadruk legt op de relatie tot de Schepper, Zijn Woord, Zijn bevrijdend gebod. Het leven is Zijn gave. Wij zijn er geen eigenaars over, maar hebben het in leen ontvangen en hebben daarom het leven van ons zelf, en onze medemens te beschermen, te eerbiedigen en niet te oordelen over zinvolheid of zinloosheid van het leven. Het zal duidelijk zijn, dat een dergelijk uitgangspunt in tal van zaken, die de gezondheidszorg raken, consequenties heeft. Ik behoef alleen maar te noemen de kwestie van de beschermwaardigheid van het ongeboren leven, de vragen rond euthanasie en levensverlening. Hierboven zei ik reeds: in de gezondheidszorg hebben we te maken met de gehele mens, geschapen naar Gods beeld. De naaste, die we in het verpleegkundig handelen ontmoeten, is een mens van wie geldt: 'Gij zijt mensen van God'. Dat bepaalt de verpleegkundige zorg. En dat betekent dat naastenliefde in deze zin nog wat anders is, dan een formeel medemenselijkheid. In de doelstelling in het leerplan wordt gezegd: De verpleegkundige dient zonodig pastoraal beschikbaar te zijn. Alweer: u kunt dit natuurlijk afdoen met de opmerking: verpleegkundige-zijn is geen pastor-zijn. En dan hebt u gelijk. En ik hoor de hoon al van mensen, die zeggen: Dus u wilt mensen opleiden die vaardig gemaakt worden her en der een bijbeltekst te lanceren. Tegen dat hoongelach ben je natuurlijk weerloos. Laat me mogen zeggen ik ben erg dankbaar voor de zin in het leerplan niet omdat ik de terreinen wil vermengen. Als van een timmerman verlangd wordt, dat hij een goede timmerman is, zal (met excuus voor de vergelijking) van onze - straks - afgestudeerden verlangd mogen worden, dat we goede en bekwame verpleegkundigen afleveren. Maar als verpleegkundige betekent dienst aan de gehele mens en als tot het beeld van de herder, die zorg heeft voor de schapen, volgens Ezechiël 34 ook behoort: het genezen van de zieken en het verbinden van de gewonden, dan is het m.i. alleszins gerechtvaardigd te spreken van een geestelijk-herderlijk bezig zijn als facet van dit dienstverlenend handelen.

Want nogmaals, het gaat om de gezondheid van een mens, die voorwerp is van Gods liefde voor zijn totale bestaan. Dat brengt me nog op een ander punt. In de medischethische bezinning klinken nogal wat stemmen, die de norm voor het verplegend en geneeskundig handelen willen leggen in de humaniteit. Goed is wat de menselijkheid dient. Kwaad wat de menselijkheid schendt. Dat laat zich horen. Zeker in een tijd, waarin de menselijke waardigheid zo schrikbarend en gruwelijk geschonden wordt, mensen verlaagd worden tot nummers, radertjes in een machinerie, vervangbare onderdelen.

't Probleem is alleen: wat verstaan we onder menselijkheid? Wij hebben eeuwenlang in ons land geteerd op een invulling, die berustte op een gemeenschappelijk christelijkhumanistisch cultuurgoed. Maar, nu dit bondgenootschap in de cultuur scheuren en deuken gaat vertonen, treden de verschillen aan het licht. Pleidooien voor ruimere toepassing van euthanasie geschieden in naam van de menselijkheid. Pleidooien voor toepassing van abortus vinden plaats met een beroep op de nood van de mens. Een sexuele moraal, waarbij buitenechtelijk geslachtsverkeer, het verstrekken van anticonceptiva aan jeugdigen, variaties in relatievormen, bepleit worden, wordt gemotiveerd met een beroep op de menselijke ontplooiing, die als enige norm heeft dat men de ander niet schaadt. Ik moet het bij deze enkele aanduidingen laten. Maar ze kunnen duidelijk maken dat met de norm 'menselijkheid' op zich nog weinig gezegd is. Zeker, het Woord Gods is niet anti-humaan. Gods richtingwijzers willen juist de mens dienen en hem tot zijn bestemming brengen. Maar Zijn Woord alleen zal dan hebben uit te maken wat waarlijk menselijk en heilzaam is. Daarom zullen we in het ethisch beraad steeds weer hebben te zoeken naar de zin van Gods geboden voor het concrete leven. De barmhartigheid van hen, die met God niet rekenen, zou ook in onze tijd wel eens zeer wreed en anti-humaan kunnen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Wat betekent de C in de gezondheidszorg?(1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's