Luther en de school (1)
Sinds de wondere herontdekking van het Evangelie liggen de zaken van opvoeding en onderwijs hem zeer na aan het hart.
'Voor alle dingen moet op de hogere en lagere scholen de voornaamste en gewoonste lezing zijn: de Heilige Schrift (....) Zou niet, als het goed was, ieder christenmens op zijn negende of tiende jaar het ganse heilige Evangelie moeten kennen, waar zijn naam en leven in staat? (...) Waar de Heilige Schrift niet regeert, daar raad ik voorwaar niemand aan, dat hij zijn kind daarheen stuurt. Alles wat niet door Gods Woord voortdurend wordt gedreven moet verderven. ( ) Ik heb grote zorg dat de hoge scholen grote poorten van de hel zijn, als ze niet ernstig de Heilige Schrift onderzoeken en ons jonge volk leiden.'
In het bovenstaande is Luther aan het woord in zijn geschrift uit het jaar 1520 aan de christelijke adel van de duitse natie. Deze uitspraken getuigen van een grote betrokkenheid bij en bezorgdheid over de zaak van de scholen van zijn tijd en het onderwijs dat daar gegeven wordt. Sinds de wondere herontdekking van het Evangelie liggen de zaken van opvoeding en onderwijs hem zeer na aan het hart. In vele preken en gesprekken komt hij er telkens weer op terug, hoe noodzakelijk het is om de jongens en meisjes te laten leren. Want alleen als ze onderwezen zijn kunnen zij als ware christenmensen leven, die hun 'naam en leven' weten te vinden in het Evangelie van vrije genade. Wij vinden Luthers gedachten over de school het meest uitgewerkt en principieel gefundeerd in een geschrift uit het jaar 1524: 'Aan de raadsheren van alle steden van het Duitse land, dat ze christelijke scholen oprichten en onderhouden moeten'. Zes jaar later na deze dringende oproep, laat hij tijdens zijn verblijf op de vesting Koburg, nog een preek uitgeven: 'Een preek, dat men kinderen op school moet houden'. Uit dit laatste geschrift blijkt dat zijn eerste appèl nog niet geheel het gewenste resultaat heeft gehad. Nog eens komt de vermaning, en dan wel bijzonder tot de ouders, dat ze alles moeten doen om hun kinderen geregeld onderwijs te geven. Als dan de overheden voor goede scholen hebben gezorgd, dan moeten ze ook gbruikt worden.
Dienst aan het Woord
De gedachten van Luther over de scholen. zoals die vooral in deze beide geschriften te vinden zijn, hebben niet alleen hun waarde gehad voor de tijd waarvoor ze bedoeld waren. Over alle eeuwen heen en met alle verschillen in de omstandigheden geven ze ons nu nog schatten van evangelische raadgeving, waar ook wij in onze zorg voor het onderwijs ons nut mee mogen doen. Luther was geen paedagoog en geen schoolhervormer. Zijn eerste taak en verantwoordelijkheid was gelegen in de dienst aan het Woord, het Evangelie, dat als een wonder weer aan het licht was gebracht. Dat Evangelie moet nu oók aan het licht blijven! De duisternis van het terugvallen in de onwetendheid is een groot en voor de reformatie dodelijk gevaar. Dat was toen en is nu nog evenzo. En daarom is het zo van levensbelang voor kerk en staat dat de scholen van het licht van het Evangelie vervuld blijven. De bevrijdende kennis van het Evangelie van de vreemde gerechtigheid moet al van jongsaf bekend worden. En dat gebeurt nergens anders dan waar de Schriften gelezen worden en geloofd, waar de Heilige Geest de leermiddelen gebruiken wil. Het is niets meer of minder dan de gehoorzaarnheid aan het Woord, die Luther profetisch afeist, als hij de zaak van de scholen bij de ouders en de overheden op het hart bindt. Het laatste doel is dan ook niet zozeer de ontwikkeling en de toekomst van de jeugd op zich, maar het Woord. Het Woord moet door alle woelingen die de reformatie teweeg gebracht heeft, een vaste gang en plaats krijgen in het midden van gezin, kerk en staat. 'Daarom wil ik spreken (zoals Jesaja zegt) en niet zwijgen, terwijl ik leef, totdat Christus' gerechtigheid uitbreke als een glans en Zijn heilzame genade als een lamp aangestoken wordt'. (ADR, afkorting van Aan de Raadsheren, de meeste citaten zijn hieruit genomen, waar een citaat van elders komt zal het voortaan tussen haakjes worden vermeld, zonder vermelding is het dus uit het geschrift van 1524). Zo staat Luthers pleidooi in een onlosmakelijke verbondenheid met zijn gehele reformatorische werkzaamheid. Zijn geschriften zijn niet zozeer practische vernieuwende schoolprogramma's, als wel pastorale vemaningen die nauw samenhangen met het geheel van zijn theologie, zoals we in het vervolg wel zullen merken. Juist ook hier blijkt zo prachtig dat heel zijn reformatorisch werk een midden vindt in het Woord Gods. Ook in deze geschriften is geen onderwijskundige aan het woord, maar een prediker, een Dienaar des Goddelijken Woords, die zijn oog en hart bijzonder gericht heeft op de jeugd. Luther heeft nooit vergeten dat daarin de voortgang van het Evangelie ook in de tijd gestalte moest krijgen. Wie de evangelische vorming van de jeugd verwaarloost is er schuldig aan als de glans van het Evangelie in de toekomst verdoven zal in een duistere onwetendheid. Zo mogen wij vandaag ook ons nut doen met deze rijke juweeltjes van evangelisch vermaan, die Luther ons in zijn geschriften over de scholen te bieden heeft. Opdat het Woord ons één en al zal zijn op alle terreinnen van ons leven.
Onderwijs in de crisis
De herontdekking van het Evangelie heeft gewerkt als een steen in een vijver. Rond het centrum kringen de hoogste golven, die zich langzaam uitbreiden naar de verre randen. De directe invloed van de reformatie raakte de kerk, die tot in haar fundamenten werd geschud. Het pausdom, de leer van de genade, de sacramenten, het gezag van de Schrift, de vrijheid van de christen, dat zijn de grote thema's van de eerste jaren, die de inhoud van Luthers geschriften bepalen. Dat blijkt uit de bekende reformatorische geschriften uit het jaar 1520. In de jaren die daarop volgen en waarin veel oude structuren opnieuw geordend worden, wordt ook het effect van het ingrijpende gebeuren van de reformatie vastgesteld, wat vele ander terreinen betreft. Dat gebeurt wat de scholen betreft in ADR. Wat betekent de reformatie als verandering en vernieuwing in de praktijk voor opvoeding en onderwijs? Dat is de vraag waar het om draait. Deze vraag werd des te meer dringend in Luthers dagen omdat het in de woelige jaren van de reformatie niet zo best ging met de bestaande scholen. Er dreigde haast een totale ineenstorting van het geldende onderwijsstelsel. Luther zag daar zeker ook positieve kanten aan, voorzover daardoor de oude scholen gezuiverd werden van het roomse dwaalleer, maar hij zag daarbij de gevaren zeker niet over het hoofd. Een onverschilligheid en verwaarlozing van de scholen in het algemeen was een zeer groot gevaar. Zelfs in Wittenberg, na de reformatie, liepen de scholen meer en meer terug. Luther zag het wel aankomen dat het verwijt zou komen dat het de schuld van de reformatie was, dat het onderwijs een wanorde was geworden. Ook daarom schrijft Luther, om duidelijk te maken dat de reformatie geenszins onderwijsvijandig is. Het is eigenlijk veel meer de schuld van de oude scholen zelf, dat ze nu zo in problemen verkeren. Dat komt omdat ze voorheen niet echt christelijke scholen waren. Maar de diepste oorzaak ziet Luther in de listige aanslagen van de duivel. Die zit erachter als de scholen vernield worden. De boze vijand is er direct bij als het Woord Gods aan het licht treedt. En nu het juist een gouden jaar is voor het nieuwe Woord, nu wil de duivel de school doen ondergaan. Zijn list mag niet gelukken. Daarom moet Luther zijn mond opendoen als dienstknecht van God. Want het gaat om Gods zaak. En ja, dan is het toch 'de aard van Gods Woord en werk, dat het dan het meest toeneemt, als het het meest beschimpt wordt als men het op het hoogst vervolgt en verdrukken wil'. Daarom is het geen verloren zaak waar Luther voor strijdt, al is de crisis dan ook groot.
Oorzaken van achteruitgang
Hoe kwamen de scholen zo in de crisis terecht? Eén oorzaak noemden we al het systeem van de oude scholen, dat wel tot mislukken gedoemd moest zijn, in het licht van Gods Woord. Daarom ziet Luther toch ook wel een positieve kant aan het teruglopen van de scholen. De scholen van voor de reformatie stonden er bij hem niet zo best op. Het waren zeker geen christelijke scholen. Betekende dat, dat ze met de kerk en de godsdienst niets van doen hadden? Nee, verre van dat. Ze hadden er veeleer veel te veel mee te maken. De scholen waren meestal aan een klooster verbonden en stonden dus ook helemaal in een kerkelijk kader. De geestelijken werden er opgeleid. De leerlingen waren ook vaak op vele manieren betrokken bij de dagelijkse erediensten en bij de lessen werden vele godsdienstige oefeningen behandeld. Maar bij dat alles was er geen plaats voor het Woord. En daarom waren het voor Luther geen christelijke scholen. Hij zegt het met zoveel woorden dat de oude scholen in christelijke scholen veranderd moeten worden. Het is niet erg als de middeleeuwse kloosterscholen niet meer floreren, als ze dan ook maar in christelijke scholen worden omgezet. Niet het toebehoren aan een kerk of aan de christenheid maakt een school tot christelijke school, maar alleen het Evangelie, dat centraal staat. Een christelijke school, is die school waarin alles door het Woord Gods wordt geregeerd. De teruggang van de oude scholen zou dus positief zijn, als die maar gepaard ging met de opgang van zulke christelijke scholen.
Maar dat is nu juist van de duivel, dat hij dat verhinderen wil. Eerst bevorderde hij de oude scholen, waardoor hij de jeugd des te meer kon afhouden van het Evangelie. Maar nu de scholen veranderen ten goede is hij ze in alles tegen. Nu de kloosterscholen, die 'zijn nesten' waren, door het Evangelie verstoord zijn, wil hij alle scholen verderven. 'Daarom heeft hij wel wijs gedaan toen ter tijd toen de christenen hun kinderen christelijk opvoedden en lieten leren. Hij was er direct bij en breidde zijn netten uit, richtte zulke kloosterscholen op en zorgde ervoor dat het niet mogelijk was dat een knaap hem zou ontlopen hebben, dan alleen door een wonder Gods. Nu hij echter ziet dat deze strikken door Gods Woord gebroken werden, keert hij naar de andere kant en wil hij helemaal niet meer laten leren.' Zo doet dus de duivel. Luthers negatieve beoordeling van het oude onderwijs gaat dus wel ver. Ik denk dat dat mede komt door wat hij zelf als leerling ervaren heeft op de scholen, al komt het mij voor dat de beschrijving van zijn eigen ervaringen ook wel sterk vanuit zijn latere visie is ingekleurd. Juist vanuit het aanbreken van de dag van het Evangelie is Luther zo fel kritisch op de duisternis van de nacht. Luther zegt dan ook dat hij liever helemaal geen school zou willen hebben als het alles bij het oude bleef. Maar gelukkig hoeft dat laatste niet. De opdracht is daarom dan ook de duivel te wederstaan door de christelijke scholen te bevorderen. Laat de duivel het maar ervaren 'dat hij zijn lekkere hapje, de lieve jeugd, verliest en het dulden moet dat ze op zijn kosten en met zijn goederen (bedoeld zijn de kloosterscholen, vdB), tot de dienst van God worden bekwaamd. Enerzijds is er dus een positieve kant aan de crisis van het onderwijs, als er aanzetten gegeven worden tot een afbraak die leidt tot een nieuwe opbouw, maar anderzijds zijn er ook oorzaken die Luther grote zorgen baren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's