Hizkia’s worsteling
...maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.' Jesaja 38 vers 17
Onze aandacht kan soms ineens beperkt worden tot de persoonlijke geschiedenis. Meestal gebeurt dat wanneer er plotseling ziekte of tegenslag optreedt. Onze ogen richten zich dan niet meer op het grote wereldgebeuren, maar ze blijven gevangen binnen de kring van het persoonlijke leven en de verbanden waarin we als mens staan. Zoiets zal ook plaats hebben gevonden in het leven van koning Hizkia. Hij leefde in een tijd die politiek gesproken uitermate spannend was. Na vertrek van de vijandelijke legers bleef het toch onrustig en rumoerig in het land. De koning had zijn handen vol aan allerlei politieke werkzaamheden. Maar ineens verandert dat. Koning Hizkia wordt ziek, doodziek. En op een dag komt de profeet Jesaja op ziekenbezoek met deze boodschap: zo zegt de Heere, treft beschikkingen voor uw huis, want gij zult zeker sterven!
De boodschap die we allemaal vrezen. En wat dan?
We lezen iets over de worsteling die dan volgt in het lied van Hizkia, een danklied uitgesproken na zijn genezing.
Na het bezoek van de profeet Jesaja keert Hizkia zich op zijn ziekbed om, met zijn gelaat naar de muur. Geen mens kan meer helpen en God wil blijkbaar niet helpen. Toch bidt de koning vurig. Het valt op dat zijn worsteling zich afspeelt voor het aangezicht des Heeren, het is een geloofsstrijd. De Heere heeft zijn einde laten aankondigen, maar wordt hij nu ook van de levende God afgesneden?
Hizkia weet wel dat de Heere niet aan de grenzen van Zijn macht is gekomen. Zelfs in het dodenrijk kan Hij Zijn macht openbaren. Maar is er misschien een einde gekomen aan Zijn genade en vergeving? Laten we er eens op letten wat de koning zo benauwt. Hij moet heengaan door de poorten van het dodenrijk, terwijl hij toch menselijk gesproken in de bloei van zijn leven is. Hizkia kan dat niet aanvaarden, hij kan de afbraak niet onder ogen zien. Hij vreest dat in het sterven een mens wordt afgesneden, de draad van ieder kontakt wordt doorgeknipt en het komt niet meer terug. Met deze dingen worstelt hij, en is dat niet de worsteling van ieder mens in een soortgelijke situatie?
‘Ik zeide: ik zal de Heere niet meer zien, de Heere, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld' (vers 11).
Hizkia geeft hiermee te kennen dat op twee punten hem de levendmakende gemeenschap wordt ontnomen. In de eerste plaats zijn gemeenschap met God. Als ik sterf, dan zie ik de Heere niet meer. Dan kan ik niet meer opgaan naar de tempel, dan kan ik de Heere niet meer ontmoeten in de eredienst. Die grote en duistere kloof ziet hij voor zich; uitgesloten uit de gemeenschap met de Heere! Dat drukt zwaar op zijn ziel, en het doet hem uitbreken in een klacht. Maar in de tweede plaats noemt hij ook het doorsnijden van de band met de medemens. Daar gaat men in de bijbel niet licht aan voorbij. Hizkia weet, ik zal de mensen niet meer zien, ik zal mijn gezin, mijn vrienden en mijn werk niet meer zien. Al die dingen waar hij vreugde aan beleefde worden afgebroken. Hoe pijnlijk is dat!
Door deze klachten van Hizkia komt er in feite een enorm accent op het leven te liggen. Hij klaagt omdat hem het leven, zoals dat toch door de Heere bedoeld is, wordt ontnomen. Zolang hij nog leeft staat hij in gemeenschap met God en met de medemens. En dat is toch ook de wil des Heeren, want in het gebod stelt God de mens voor Zijn aangezicht en in relatie mét de medemens. In het gebod ligt het leven voor de mens.
Maar Hizkia moet nu ervaren: bij mij zal dat snel afgelopen zijn, ik word afgesneden. Dat wat nu juist de kern en de vreugde van het leven is, dat gaat er straks aan.
Daarom wendt hij zich tot de Heere. Nu kan hij God nog aanroepen, maar uit het graf zal zijn stem niet meer opklinken. 'Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen.' Het benauwt hem dat hij straks Gods goedgunstigheid niet meer zal ervaren: die in de kuil nederdalen zullen op Uw waarheid niet hopen.
Hizkia legt een enorm accent op het leven, zelfs op het aardse leven. We moeten niet denken dat hij ten koste van alles vast wil houden aan dit leven, neen, hij houdt vast aan het leven omdat hij in dit leven de gemeenschap van de Heere mag kennen. Daarom hangt hij zo aan het leven. Want in de afbraak die hij ervaart in zijn korte en hevige ziekte merkt hij al dat de banden doorgesneden worden.
En laten we niet gering denken over alles wat een mens dan doormaakt. Zoiets is niet te beschrijven. Hizkia geeft dat kermen en roepen weer met het tjilpende geluid van een vogel.
Maar toch... temidden van alle pijn en verdriet zoekt hij het aangezicht des Heeren: mijn ogen verhieven zich omhoog.
Misschien denkt u, dat heeft weinig zin, want het is toch de Heere Zelf Die besloten heeft tot zijn dood. Kun je dan nog wel bidden: Heere, laat me leven?
Wie de Heere kent, die weet dat er niets anders rest dan tot Hem te gaan, tot Hem Die in vrijheid beslist over leven en dood. Hizkia kan het alleen maar verwachten van Gods vrije genade. En de Heere verhoort. Hizkia mag 15 jaar verder leven.
Waar komt dat nieuwe leven dan uit voort, waar heeft de koning het aan verdiend? Dit staat er: 'Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen' (17). De Heere Zelf geeft het leven. Hij geeft het uit vrije genade, omdat Hij Zelf de Levende is.
Vanuit die liefde daalt Hij neer en omhelst Hij de mens.
Gebeurt dat dan zomaar? Het gebeurt wanneer de zonde wordt weggedragen, wanneer die geen scheiding meer maakt tussen God en mens, maar weggeworpen is achter Gods rug.
De weg naar het leven ligt open wanneer de Heere de zonden vergeeft, wanneer het gebod ons niet meer aanklaagt maar juist het echte leven openbaart.
De vraag naar leven en dood speelt niet alleen maar aan het eind van een mensenleven. Het gaat er namelijk om of we als levenden de dood of het leven toebehoren. Ook al bent u kerngezond, de beslissende vraag is: zijn we nog in onze orde? Want juist in de zonde zit de scheiding met God en met de medemens. Alleen in verbondenheid met de Opgestane Heere is er nieuw leven en een nieuwe, gereinigde, gemeenschap. En wanneer de schaduw van het naderende einde over het leven valt vinden we in Hem onze vreugde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's