Globaal bekeken
De herfst is begonnen. In het Kerkblad van Hervormd Veenendaal schreef ds. C. A. van der Sluijs een keer een meditatie over 'De naderende herfst', in dichtvorm. Al eerder plaatsten we in deze rubriek een dergelijke meditatie van zijn hand. Hier volgt de genoemde overdenking;
‘De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij. Psalm 103 vers 15.
Gelijk het gras
en evenals de bloemen,
waarvan ik las
- om de dingen bij hun naam te noemen -
in het Heilig Blad...
Zo is ons korte leven,
nog even,
en wij vallen af als een blad.
Als straks de bladeren kleuren
en het groene gras verdort,
nog enkele late bloemen geuren,
en de dag inkort...
Dan komt het herfst-tij,
in majestueuze tederheid
en ondoorgrondelijke vreselijkheid,
met rasse schreden naderbij.
Als dan de wind zich weer laat horen
met onheilspellende kracht
en als nooit te voren,
dan valt de doodse nacht
De levensbloem valt af,
haar schoonheid is vergaan.
En waar zij ooit mocht staan,
daar vindt men nu een graf.
Want als de Geest des Heeren waait
met de windkracht van gerechtigheid
over wat de mens der zonde zaait,
dan rest alleen een dodelijke amechtigheid.
Zijn standplaats in het paradijselijk leven,
in schoonheid en in heerlijkheid,
verloren door begeerlijkheid,
kan de mens zichzelf niet geven.
Maar wat nu ook vergaat
en nog niet is te keren,
voor eeuwig staat de goedertierenheid des Heeren.
Als de boog aan donk're lucht,
over allen die Hem vrezen
- en voor wie Hij als een Vader toch wil wezen -
en over al wat tot Hem zucht.
Zelfs op het late nageslacht rust 's Heeren trouw,
't geslacht dat 's Heeren wet betracht,
en zich tot Hem wendde in berouw.
Kinderen van dit geslacht zullen sterven
in de hoop van 't eeuwig leven,
door Jezus Christus hun gegeven,
om zo met Hem te erven.
Eens komt de grote zomer,
dan zal het herfst-tij zijn gekeerd.
Van het manna nog een enkele gomer,
en wij zijn voorgoed tot God bekeerd.
Dat alles dan de Heer' zou prijzen!
Hemel, aard', en zee, en berg, en dal,
en onze ziel toch bovenal naar Hem zou wijzen.'
***
Elk beroep heeft zonnige kanten en schaduwzijden, In Het Richtsnoer, het maandblad van de vereniging voor verpleegkundigen in de Gereformeerde Gezindte, stond het volgende over het wel en wee van het beroep van de verpleegkundige, onder de titel Verplegen.
‘Verplegen is:
Wassen met de washandjes die je hebt
gemiddeld zo'n 40 km lopen
rozen in het water zetten
babytjes knuffelen
een vader leren z'n kind een luier om te doen
tegen alle luchtjes kunnen
in de waszak kruipen
flauw vallen op de operatiekamer
weggelopen patiënten zoeken.
Verplegen is:
Een zoen krijgen van een dame van 81 jaar
's avonds met de benen in de lucht
met de feestdagen in de wacht gaan
in de wacht erg bang zijn
zachtjes lopen in de wacht
even tijd maken voor een praatje
blozen op de mannenzaal
huilen en lachen op de andere zaal.
Verplegen is:
Net doen of je flink bent
mensen uitzwaaien
bezoek te woord staan
dankbaarheid ontvangen fijn,
een lichtje zijn voor andere mensen
houden van, geduld hebben en
geduld ontvangen, luisteren
een verlamde patiënt helpen met eten
leren waarderen datje zelf gezond bent
mobiliseren en aktiveren,
geen onderscheid maken.
Verplegen is:
Het gevoel hebben dat je machteloos bent
hopen dat je de juiste woorden zegt
niets meer kunnen zeggen
soms moeite hebben met je zelf
twijfelen en zeker zijn medelijden,
meeleven, je afvragen waarom?
samen hopen, samen geloven.
bidden en danken
je kollega 's bemoedigen.
Verplegen is:
Jezelf proberen te blijven
ook fouten maken
de grenzen van het leven leren kennen
snel volwassen worden.
Verplegen is: Tot het laatste toe er zijn!'
***
Elk jaar kiest het Werelddiakonaat een motto. Dit jaar is het thema voor het nieuwe seizoen 1983/1984 'Werken om te overleven'. Er is een werkmap samengesteld, bestaande uit 7 katernen. De eerste drie handelen over de (arbeids)situatie in de Derde Wereld. De volgende katernen zijn gewijd aan internationale arbeidsverdeling, de arbeidssituatie in Nederland, handreiking voor zondagsscholen en bijbelstudie, adressenmateriaal, literatuur. De map is voor ƒ 7, 50 verkrijgbaar bij de Generale Diakonale Raad, Maliesingel 26 te Utrecht (tel. 030/332426). Uit de vele zaken, die in de map te lezen zijn, het volgende:
• Interview met een man uit Sri Lanka
Hebt u veel kinderen? , vroeg zij.
God is niet erg goed voor mij geweest
Van de zestien kinderen die geboren zijn leven er nog maar negen, antwoordde hij.
Werkt uw vrouw?
Nee, zij blijft thuis.
Ik begrijp het. Hoe brengt zij haar dag door?
Wel, ze staat 's morgens om vier uur op, haalt water en hout, maakt het vuur aan en maakt het ontbijt klaar. Dan gaat zij naar de rivier en wast de kleren. Daarna gaat ze naar de stad om de maïs te halen en op de markt te kopen wat we nodig hebben. Dan kookt ze het middagmaal.
Komt u om twaalf uur thuis?
Nee, nee, zij brengt me het middagmaal op het land - ongeveer drie kilometer van huis. En daarna?
Wel, dan zorgt ze voor de kippen en varkens... en natuurlijk let ze de hele dag op de kinderen... dan maakt ze het avondeten klaar, zodat het klaar is als ik thuis kom.
Gaat zij na het avondeten naar bed? Nee, dan ga ik naar bed. Zij heeft nog het een en ander bij het huis te doen tot ongeveer negen uur. Maar u zegt dat uw vrouw niet werkt? Natuurlijk werkt ze niet Ik zei u toch, dat ze thuis blijft.'
• Zo leeft Khushima
Ghulsan is een nieuwe wijk van de Bengaalse hoofdstad Dacca. Een van de rijke delen van deze stad. In een van de groenstroken tussen de huizen veegt een klein tenger meisje van zo 'n tien jaar oud de gevallen bladeren en takjes bij elkaar en doet ze in een juten zak. 's Middags vertrekt ze, een baal op het hoofd, een tweede zak achter zich aanslepend. Ze heet Khushima. Samen met haar oude invalide vader, haar broer en diens echtgenote woont ze in een hut van gevlochten palmbladeren in de krottenwijk Shantinagar. De grond is daar vrij. Ze hoeven er geen huur te betalen.
Acht jaar geleden zijn ze hier gekomen. Voordien bezat de familie een stukje grond bij een dorpje in de buurt van de provinciehoofdstad Barishal. Herhaalde overstromingen hebben echter hun akker weggespoeld.
Net als duizenden voorgangers trokken ook zij naar Dacca om hun geluk te beproeven. Een paar jaar leefden ze op het perron van een treinstation, twee jaar geleden betrokken ze hun huidige behuizing. Eerst zorgde de vader voor het inkomen als sjouwer, maar hij brak een been en is nu invalide.
Bovendien is hij inmiddels te oud om te werken. Hij wil niet gaan bedelen. Khushima's broer zorgt nu voor het familie-inkomen als taxi-fietser. Zelf verzamelt zij bladeren en twijgen: de brandstof om de maaltijd te koken. Brandhout is te duur. Moeder stierf vier maanden geleden aan buikloop. Khushima wil niet leren: "Dat kan ik me niet veroorloven tegenover mijn familie, ze zouden een hulpkracht verliezen".'
***
Een uitspraak van Isaac Da Costa is: 'Weggevlotene jaren; herrijst voor mijne ogen'. Onder de titel 'Weggevlotene jaren' schreef in 1918 L. C. Schuller tot Peursum een boek met herinneringen van een 'dorps-en stadspredikant', met name over 'richtingen'. De schrijver zegt in het voorwoord 'Wie de indruk had, dat humor mijn luchthartigheid verried, weet niet hoeveel smart en toorn daardoor in hun uitingen beteugeld worden'.
Huhior kan inderdaad beteugelend werken. Hier volgt één van de vele treffende passages uit het boek. Het gaat over veranderingen, zeg vernieuwingen (in die tijd).
‘Bij mijn optreden te Alkmaar had ik kunnen terugzien op een werkzaamheid van tien jaren in de dienst der kerk en op meer dan twintig jaar van medeleven met haar belangen. Hoeveel was in die tijd veranderd, gaandeweg afgebrokkeld of plotseling afgebroken! Dat de voorlezer zijn taak mocht vervullen zonder eerst in de kérkekamer onder de kraag van zijn rok te hebben vastgehaakt een strook zwarte zijde, welke "mantel" heette en ook vroeger geweest was, maar voortdurend ingekort, nu slechts gemarkeerd werd, kon gelden als een symbool van het lot veler kerkelijke praktijken en opvattingen, tot nu toe beschouwd als van de ware godsdienst onafscheidelijk. Ook de gehele godsdienstoefening vertoonde bij toeneming een anderuiterlijk. Een predikant in toga was geen zeldzaamheid meer en had niet te vrezen dat een zuster der gemeente verwijtend zou klagen: "naar uw woord heb ik nog kunnen luisteren, maar met gesloten ogen. Dat nieuwe kleed mocht ik niet zien". Weldra wist men niet meer wat een preekrok was, eigenaardig recht van snit langs de hals en aan de polsen versierd met een kringetje van knopen.
De gemeente werd rustiger. Onder het tweede deel der preek, het leerstellige na het verklarende, werd steeds minder eau de cologne en pepermunt gepresenteerd, met zacht fluisterend: "wilt u niet eens ruiken? Zult u ook gediend wezen? "
De gewoonte raakte ook in onbruik dat bij het derde, toepasselijke deel vele mannen gingen staan, misschien om de twijfel aan hun belangstelling te beschamen, welke slaperigheid onder het tweede deel had verweten: de klepels aan de collecte-zakjes konden ook verdwijnen.
Trouwens bij de jongere predikanten werd men geen twee uren lang bezig gehouden en kreeg niet eens meer een driedelige verdeling: soms in 't geheel geen, bij hen die geen leerlingen van v. Oosterzee waren geweest
De prediking zelf ontving ook een ander karakter. Zelfs zij die zich aan de Leekedichtjes geërgerd hadden, toonden de invloed te hebben ondergaan der bede:
Verlos ons van de preektoon. Heer!
Geef ons natuur en waarheid weer!
Van gesticuleren werd al minder studie gemaakt en men had niet meer te verwachten dat iemand om zijn vaardigheid daarin de gemeente bijzonder behaagde, zoals mij eens een bejaard collega verhaalde. Hij toch was met leden van zijn kerkeraad prof. Bouman om een zestal gaan vragen bij de naderende vacature.
Een vijftal kon de hoogleraar wel aanprijzen; maar zes? ... 'zet er dan nog X op, geen groot licht, maar in gesticulatie door mij niet te evenaren". Toen de commissie verslag van haar zending deed, zei een ouderling: "verzwijg niet, dat de professor iemand noemde die hem in één vak de baas was; zulk soort hebben wij gaarne". De man kreeg de meerderheid en bleef tot zijn einde.
Latijnse en Griekse citaten raakten uit de mode, ofschoon ik nog eens een boerengemeente verbaasd zag opkijken over de geleerdheid van haar jonge dominee, die zijn rede aanving met een luid: "Panta rei! zo duidde een wijsgeer der oudheid de wisselvalligheid aan van al het ondermaanse.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's