Luther en de school (2)
Nu de reformatie doorwerkte was het zaak met nieuwe moed en kracht het onderwijs gestalte te geven.
Materialisme en spiritualisme
De vorige keer zeiden we dat Luther het een list van de duivel vond dat deze de scholen, juist op het moment dat ze de goede kant opgingen, wilde afbreken. Het was goed dat de kloosterscholen hun tijd gehad hadden. Dat waren immers niet anders dan broedplaatsen van papen en monniken die het licht van Gods stralende gerechtigheid, het Evangelie van vrije genade, niet dulden wilden. Maar nu de reformatie doorwerkte was het zaak met nieuwe moed en kracht het onderwijs gestalte te geven. Er waren echter nog twee gevaarlijke houdingen t.o.v. de scholen. Een van de gevaren was de onverschilligheid van vele ouders. Men zag er het nut niet meer van in om hun kinderen naar school te sturen. Wat lezen en schrijven en rekenen, wat nodig was om in het maatschappelijk verkeer mee te kunnen komen, kon ook wel op hele beperkte lees-en schrijfscholen geleerd worden; en meer was niet nodig, in ieder geval niet de scholen zoals men die gewend was, met hun veel bredere vorming. Vroeger stuurde men de kinderen naar school om ze zo een plaats te laten krijgen in de geestelijke stand. Dat bracht dan direct al dit voordeel met zich mee dat men ze niet langer hoefde te onderhouden want dat deed de kerk wel. Ook gaf het heel wat minder problemen als het erom ging dat alle kinderen een betrekking moesten krijgen om de kost te verdienen. Als je een betrekking had in dienst van de kerk dan was je kostje gekocht. Maar nu de reformatie zijn invloed deed gelden, merkte Luther dat er veel ouders waren die zeiden: 'Wat moet men nog laten leren, als ze toch geen priesters, monniken of nonnen zullen worden? Laat men ze maar meer leren waarmee ze zich voeden en hun eigen kost verdienen”.
Luther hekelt deze houding sterk als een vleselijke houding. Kenelijk zocht men ook vroeger in de geestelijke stand niet het heil der zielen, maar het welzijn van de buik. Als het hen werkelijk ernst was geweest, dat men inzag dat het onderwijs zoals het altijd geweest was niet deugde, dan zou men juist nu moeten zeggen: 'is het waar dat het Evangelie leert, dat zulk een stand (de geestelijke stand) voor onze kinderen gevaarlijk is, leer ons dan alstublieft een andere wijze die God welgevallig is en voor onze kinderen heilzaam'. Dat is veel beter dan op een vrome manier het hele onderwijs op zich uit een puur materialisme af te wijzen of te verwaarlozen. Het onderwijs is een veel te groot goed, en daarom mag het niet de enige vraag zijn: wat brengt het ons op, wat het materiële betreft.
Naast het materialisme als bedreiging van de school bestond er ook een heel ander gevaar, van de kant van het spiritualisme. Bij sommige aanvankelijke volgelingen van Luther vinden we sterke onderwijsvijandige tendenzen, voortkomende vanuit een toenemende overgeestelijkheid, vooral na 1521. Daarom nog des te meer is het er Luther alles aan gelegen orn duidelijk te maken dat een verachting van het onderwijs absoluut geen logische gevolgtrekking is van de leer van de reformatie. Uit het vervolg zal blijken hoezeer Luther ook in deze dingen het spiritualisme heeft afgewezen. Hij moest niets hebben van de redenering van die mensen die vonden dat studie en onderwijs er niets toe deden, omdat de Geest het alleen was die ware kennis, onmiddelijk kon geven. De Geest moet het doen, jazeker dat wist Luther ook, maar de Geest wil daarbij dat de middelen gebruikt worden. Het verachten van de weg van de middelen is een tegenwerken van de Geest. Luthers pleidooi voor de studie van de talen, waar we in het vervolg nog wat van horen zullen, is een hartstochtelijk verzet tegen mensen zoals Karlstadt, die al dat leren en studeren maar vleselijk werk vond, waar hij al ver boven verheven was.
Dringende noodzaak
Tegen deze materialistische onverschilligheid en spiritualistische verachting pleit Luther dus voor een grondige vernieuwing van de school. Dat is een dringende noodzaak vanwege drie redenen. In de eerste plaats moet de duivel wederstaan worden, die in de tijd van de reformatie niets anders doet dan verwarring scheppen. In de tweede plaats moet de van God gegeven gelegenheid te baat genomen worden, nu er zoveel gunstige omstandigheden zijn om te vernieuwen. En tenslotte moet het gebod van God, dat wij de kinderen op moeten voeden, gehoorzaamd worden. Deze drie redenen brachten hem tot het vurige pleidooi voor de raadsheren van de duitse steden. En de zaken die zijn aandacht hadden zijn hem ook tot het laatst van zijn leven zeer ter harte gegaan.
‘Een gulden jaar’
Wij staan nog wat nader stil bij de tweede reden. De scholen nu niet opnieuw opbouwen is een kostelijke gelegenheid voorbij laten gaan, vindt Luther. 'Want God de Almachtige heeft voorwaar ons duitsers nu genadig bezocht en een recht gulden jaar opgericht.' Luther doelt hierop, dat er juist in zijn tijd veel gunstige omstandigheden gegeven waren. De wetenschap maakt een sterke vernieuwing door onder invloed van het humanisme. Daardoor was er veel meer aandacht voor de bronnen, ook die van de christelijke kerk, de Schriften. Er waren veel geleerden te vinden met kennis van de grondtalen. De winst van deze positieve ontwikkeling moest gebruikt worden. Luther vond het niet toevallig dat juist in zijn tijd zoveel gunstige omstandigheden waren voor het onderzoek van het Woord. Hij zag daarin Gods genadige besturing. En juist omdat hij Gods hand in deze ontwikkeling zag, drong hij er zo op aan deze gegeven gelegenheid van genade niet te verachten. 'Hij staat voor de deur, wel ons, als wij Hem opendoen. Hij groet ons, zalig wie Hem antwoordt. Als wij aan Hem voorbij zien, wie zal Hem dan terughalen?' vraagt Luther. En dan volgt de meest bekende en treffende passage van zijn geschrift ADR, dat bij velen bekend is, zonder dat ze beseffen dat het in dit kader staat. Maar juist hier, in het licht van de dringende noodzaak van het onderwijs, spreekt het ons het meest aan: 'Laat ons onze vorige jammer aanzien en de duisternis waarin we geweest zijn. Ik acht dat het duitse land nog nooit zoveel van Gods Woord gehoord heeft als nu. Men bespeurt het niet in de historieën, daarom als wij het dan zo heen laten gaan, zonder dank en eer, dan moeten wij vrezen dat wij onder een nog gruwelijker duisternis en plaag moeten lijden? Lieve Duitsers, koopt terwijl de markt voor de deur is, zamelt in, terwijl de zon schijnt en het goed weer is, gebruikt Gods genade en Woord terwijl het er is. Want dit moet u weten, dat Gods Woord een voorbijgaande plasregen is, die niet wederkomt, waar hij eenmaal geweest is. Hij is bij de joden geweest, maar weg is weg, ze hebben nu niets. Paulus bracht het naar het Griekse land. Ook daar, weg is weg, nu hebben ze de Turken. Rome en het Latijnse land hebben het gehad; weg is weg, ze hebben nu de paus. En jullie, Duitsers, mogen niet denken dat jullie het eeuwig zult hebben. Want de ondank en verachting zullen het Woord niet laten blijven. Daarom, grijpt toe en houdt vast, wie grijpen en houden kan. Luie handen zullen een slecht jaar hebben’.
Gods gebod
De derde en belangrijkste reden voor Luthers pleidooi is het gebod van God. Luther verwijst daarbij naar psalm 78 om aan te geven hoe God van ons vraagt de kinderen op te voeden. Kinderen kunnen nu eenmaal zichzelf niet onderwijzen, daarom moeten de ouders het doen. Verwaarlozing van de opvoeding is een van de ergste zonden, tegenover de kinderen en bovenal tegen God. Luther zegt ergens dat er in zijn jeugd een spreekwoord bekend was dat zei: 'Het is niet geringer om een scholier te verwaarlozen dan een maagd te schenden'. Wie de kinderen niet naar behoren onderwijst, wordt vergeleken met diegenen van wie Jezus zegt dat ze 'de kleinen ergeren', die dus maar beter met een molensteen om in de zee geworpen kunnen worden. 'Het zijn niet dan kindervreters en verdervers', die dit gebod niet gehoorzamen.
Wie is verantwoordelijk?
Het is dus duidelijk dat Luther in de eerste plaats de ouders verantwoordelijk stelt voor de zorg voor het onderwijs. Maar waarom richt hij dan zijn geschrift in het bijzonder tot de raadsheren van de steden, de burgerlijke overheid? Luther geeft zelf antwoord op deze vraag. Hij richt zich tot hen, omdat hij tot zijn spijt merkt dat de ouders de noodzaak er niet zo van inzien. Vooral ook in zijn preek van 1530 kunnen wij horen hoe dat hem verontrust. De ouders verzuimen hun kinderen naar school te sturen uit gierigheid en kortzichtigheid. Als de ouders het dan verzuimen, wie moeten er dan anders voor zorgen dat de jeugd toch wordt onderwezen? Zullen de landsheren, de adellijke heersers het doen? Luther had enige jaren eerder die hoop wel gehad, dat zij oog zouden hebben voor de vernieuwing in de zin van de reformatie. Maar wat het onderwijs betreft heeft hij kennelijk nog maar weinig verwachting van hen als hij spottend zegt: 'Vorsten en heren moesten het doen. Maar ze hebben het druk met sleetje rijden, drinken en in mascerades rond te lopen. Ze zijn bezet met hoge en merkwaardige zaken, die van kelder, keuken en kamer; en als sommigen het al graag deden, dan moeten ze voor de anderen oppassen, dat ze niet voor narren en ketters gehouden worden. Daarom zal het u lieve raadsheren alleen in de hand blijven; u hebt de ruimte en de mogelijkheid daarvoor, meer dan vorsten en heren’.
Overheid heeft vaderlijke taak
De stedelijke overheid kan het immers niet toelaten dat er door de verwaarlozing van het onderwijs kinderen opgroeien die tot gif voor de stad worden. Verder merkt Luther op, dat er vele ouders zijn, die eenvoudig niet verstandig genoeg zijn om de noodzaak te verstaan. Ook ten opzichte van hen heeft de overheid een opvoedende taak. En als de ouders al geneigd zijn hun kinderen naar school te sturen, dan hebben ze er door de drukte van de dagelijkse beslommeringen vaak geen tijd en gelegenheid voor. Het hoort bij de vaderlijke taak van de overheid zich over ouders en kinderen te ontfermen en hen te leiden. Als de overheid dat doet, dan zal het resultaat ook tot welzijn dienen van de stad. Een stad heeft meer aan goede burgers dan aan schatten van goud. Wat heeft een stad eraan als men 'grote schatten verzamelt, sterke muren en mooie huizen bouwt en veel geschut en harnassen vervaardigt, en er gaan niets dan dwaze narren over?’
Daarom moet de overheid niet wachten tot er vanzelf verstandige mensen opgroeien, want dat pleegt meestal niet te gebeuren. Even zoals kosten noch moeite gespaard worden voor de aanleg van dijken en wegen en verdedigingswerken, moet men al het mogelijke doen om de scholen in alle opzichten te bevorderen. Regeren is vooruitzien, en wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Daarom zegt Luther: 'Het is mensonwaardige simpelheid als men niet verder denkt dan: wij regeren nu wel, wat gaat het ons aan, hoe het die zal vergaan die na ons komen? Niet over mensen, maar over zwijnen en honden zullen zulke mensen regeren, die bij het regeren niet verder dan nu zien en eer voor zichzelf zoeken. Heeft men de hartstochtelijke oproep van Luther gehoor gegeven? Het is bekend dat in hetzelfde jaar al als waarin Luther ADR schreef, enkele steden scholen oprichtten zoals Luther die bedoelde. Dat gebeurde in 1524 in Maagdenburg, Nordhausen, Halberstadt en Gotha. Luthers geboortestad Eisleben deed het een jaar later.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's