Luther en de school (3)
In de twee geschriften, uit 1524 en 1530, wijst Luther op de grote betekenis die de school heeft voor kerk en staat.
Twee rijken
In de twee geschriften, uit 1524 en 1530, wijst Luther op de grote betekenis die de school heeft voor kerk en staat. De preek van 1530 is dan ook in twee delen, het eerste handelt over het geestelijk nut en het tweede over het wereldlijk nut van het onderwijs. Wij merken dus dat wij ook zijn gedachten over het onderwijs geheel moeten zien tegen de achtergrond van zijn zgn. twee-rijkenleer. God regeert niet alleen door het Evangelie, het geestelijk regiment, maar Hij regeert als Heere van de wereld ook in Zijn wereldlijk regiment. Al het onderwijs moeten wij ten diepste van God uit bezien. Hij is daarin de Handelende God, op de wijze van Zijn tweevoudige regering. Het onderwijs hoeft daarom van Luther ook geheel niet in handen te zijn van de kerk. God gebruikt ook de wereldse overheid tot Zijn doel, en ook de middelen die niet direct binnen het gebied van het geestelijk regiment liggen kunnen goed gebruikt worden, zoals bijvoorbeeld de humanistische taalwetenschap die in Luthers dagen een grote bloei doormaakte. Als God ook wereldlijke middelen in Zijn regering gebruikt, dan mogen ze niet veracht worden maar dankbaar benut. Als God op deze wijze Zijn wereld regeert, geestelijk en wereldlijk, dan wordt ook de mens in gehoorzaamheid geroepen om dienstbaar te zijn in geestelijke en wereldlijke stand, in ambt en dienst. Het onderwijs mag daarin tot nut zijn. Van God uit gezien gaat het in het christelijk onderwijs om onderricht met het oog op de twee rijken.
Natuurlijk is er verschil tussen de twee rijken. Het geestelijke rijk gaat het wereldlijke ver te boven. Van de geestelijke stand zegt Luther in zijn preek, dat God die gesticht heeft en ingezet 'niet met goud noch met zilver, maar met het kostbaar bloed en de bittere dood van Zijn enige Zoon, onze Heere Jezus Christus'. Het geestelijk ambt dient niet alleen het tijdelijke maar ook het eeuwige leven. Als de geestelijke stand er niet zou zijn, was de wereld allang te gronde gegaan. Het wereldlijke ambt staat niet op deze hoogte. 'Maar toch is het een heerlijke Goddelijke ordening en een voortreffelijke gave Gods, die Hij ook gesticht en ingezet heeft en ook onderhouden wil hebben, als iets dat men niet ontberen kan.' Het theologisch uitgangspunt van het denken over het onderwijs betekent voor Luther dus zeker geen onderwaardering van de betekenis van het onderwijs wat het wereldse leven betreft. Luther stelt dan ook met de grootste nadruk dat het nodig is dat ook zij die niet voor een geestelijk ambt bestemd zijn, toch een goede scholing zullen ontvangen om zo God in hun wereldlijk ambt te kunnen dienen. Zo'n goede scholing van de wereldlijke stand ontbrak nu juist tevoren. 'Als we alleen het tijdelijke regiment, met betrekking op de wereld zouden beschouwen, dan zien we dat ze nog in veel hogere mate goede scholen en geleerde mensen kunnen gebruiken dan het geestelijke. Tot nu toe hebben de sofisten zich geheel en al niet daarom bekommerd, ze hebben de scholen zo geheel op de geestelijke stand ingesteld, dat het zelfs een schande geweest is, als een geleerde getrouwd was. Zo iemand heeft zich moeten laten zeggen: 'Kijk eens, die wordt werelds en wil niet geestelijk zijn - alsof alleen de geestelijke stand Gode aangenaam zou zijn en de wereldse (zoals ze hem noemen) geheel van de duivel en onchristelijk. Eens toch zullen ze zelf, voor God, de duivel toebehoren en slechts dit arme volk is, zoals dat in de Babylonische gevangenschap het volk Israël gebeurde, in het land en in de rechte stand gebleven, terwijl de besten en oversten voor de duivel naar Babylon gevoerd zijn, met tonsuren en monnikskappen’.
Wij zien dus dat Luthers denken vanuit de tweeërlei regering van God, ook wat het onderwijs betreft, niet geleid heeft tot een onverschilligheid wat het tijdelijke leven in deze wereld aangaat, maar veeleer tot een grotere betrokkenheid dan die voor zijn tijd in de scholen te vinden was.
De geestelijke stand
Wij zagen al hiervoor hoe hoog Luther de geestelijke stand heeft gewaardeerd, als door God gesticht met het kostbaar bloed van Zijn Zoon. Hij bedoelde daarmee niet de geestelijkheid zoals hij die van vroeger kende. Daar vond hij weinig geestelijks aan, omdat hij er niets vond van het Woord, het Evangelie. De echte geestelijke stand is voor Luther het predikambt en alle dienst aan het Woord, in welke verschillende vormen dan ook. God wil dat deze stand niet ophoudt, maar blijft tot de jongste dag. Wie moeten die stand dan onderhouden? Moeten ossen en paarden, honden en zwijnen dat soms doen? vraagt Luther. Nee, maar mensen moeten het doen, en daarom is het noodzaak dat telkens weer kinderen tot deze dienst worden opgevoed. In zijn preek uit 1530 doet Luther er de grootste moeite voor om de ouders ertoe te bewegen om hun kinderen voor deze dienst over te hebben. Het ambt wordt door hem met heel de liefde van zijn hart als het kostbaarste goed hoog aangeprezen. Laten de ouders toch bedenken tot welk een machtig werk zij hun kinderen mogen geven. Het is het werk waardoor doden tot leven mogen komen. Het is de dienst waarin ze met het Woord Gods mensen mogen redden uit de klauwen van de duivel en leiden tot het eeuwige leven. Kunnen ouders hun kinderen dan tot een mooier werk laten opleiden dan tot dit dienstwerk? Het heeft een alomvattende betekenis en uitwerking: 'Dat is nu gezegd van de werken en wonderen die uw zoon (als hij tot een geestelijk ambt wordt opgeleid) doet aan de zielen, om ze van zonde, dood en duivel af te helpen. Maar dat doet hij ook aan de wereld, louter grote en machtige werken. Namelijk dat hij alle standen bericht en onderwijst hoe ze zich uiterlijk in hun standen zullen gedragen, opdat ze het voor God recht doen. Hij kan de bedroefden troosten, raad geven, slechte zaken oplossen, dwalende gewetens richting geven, vrede helpen bewaren, verzoenen en verdragen, en dergelijk werk zonder tal, veel en dagelijks. Want een prediker bevestigt en sterkt alle overheid en helpt die bewaren, en ook de tijdelijke vrede, hij bedwingt de oproerigen, leert gehoorzaamheid, zede en tucht en eer, hij onderricht in het ambt van vader, moeder, kind en knecht, kortom , alle wereldlijke ambten en standen'. Tot zover Luther. Niet alleen de eeuwige vrede, maar ook de tijdelijke vrede in deze wereld hangt dus aan de rechte dienst in het geestelijke ambt. Natuurlijk hoeft niet iedere jongen een geestelijk ambt te gaan bekleden. Maar toch kan het geen kwaad, vindt Luther, als velen toch een scholing ontvangen, waarin de gerichtheid op dit ambt centraal is. Ook als velen daarna als gewoon burger hun handwerk opnemen is het toch niet nutteloos dat ze zo zijn opgeleid. Zo kunnen velen ook in het gewone leven in dienst staan van het Woord. Ze kunnen, zegt Luther, ook als een voorraad dienen waaruit, als het nodig is, mensen geroepen kunnen worden tot de dienst des Woords.
De inhoud van het onderwijs
Wat is het belangrijkste dat onderwezen dient te worden dp de scholen met het oog op het geestelijke ambt? Voor Luther is dat boven alles de kennis van de talen, en hij bedoelt dan de grondtalen van de Heilige Schrift. Deze kennis is onmisbaar als het gaat om het helder en duidelijk verstaan van het Woord. Het behoort dan ook tot de dienst van het Woord om bezig te zijn met de studie van de talen, waarvoor in de tijd van de reformatie de omstandigheden nu juist zo gunstig zijn. Aan hen die het niet nodig vinden om latijn, grieks en hebreeuws te leren omdat ze de bijbel toch wel in het duits lezen kunnen, geeft Luther het volgende scherpe antwoord: 'Ja, ik weet helaas wel, dat wij duitsers altijd beesten en dolle stieren moeten zijn en blijven, zoals de omliggende landen ons noemen en zoals wij het ook wel verdienen'. Zoals allerlei vreemde koopwaar niet wordt versmaad, al is het uit het buitenland, zo mogen de vreemde talen daarom niet veracht worden omdat ze geen eigen talen zijn. De talen zijn juist nodig om de Schrift echt eigen te maken. Het is, zegt Luther, de duivel zelf die zich opmaakt om de opgang van de talenstudie tegen te gaan. 'Want de duivel ruikt het onraad wel: als de talen naar voren zouden treden, zou zijn rijk een gat krijgen dat hij niet makkelijk weer zou kunnen stoppen.' Maar, vindt Luther, we moeten ons de schat van de kermis der talen niet zomaar laten ontstelen.
Het vat van het Evangelie
De talen zijn van zeer grote waarde: 'Hoewel het Evangelie alleen door de Heilige Geest gekomen is en dagelijks komt, zo is het toch door middel van talen gekomen en is het ook daardoor toegenomen en moet het ook daardoor behouden worden'. De talen zijn voor Luther bij uitstek gaven van de Geest. Ook ziet hij het als Gods wondere verborgen leiding dat juist in zijn tijd de kennis van de talen zo'n grote bloei doormaakt. Dat is niet alleen maar, zoals het uiterlijk lijkt, de vrucht van het opkomende humanisme. Maar daarin is Gods hand op te merken, die ook dit middel gebruikt om het Evangelie aan het licht te brengen. De taalwetenschap kent deze grote bloei ten diepste omwille van het Evangelie. Wij krijgen er een indruk van hoe Luthers geloof was in Gods verborgen beleid ook in de geschiedenis van de wereld, als hij met het oog op de taalwetenschap het volgende zegt: 'Daarom stuurde God de Turken naar Griekenland, opdat de grieken verjaagd en verstrooid zouden worden, opdat ze de griekse taal verspreiden en een eerste aanzet zouden geven om ook andere talen mee te leren'. Dat heeft God ten diepste gedaan om het rijk van de antichrist door het Evangelie te ontdekken en verstoren.
Zo lief als ons het Evangelie is, zo lief moeten ons dus ook de talen zijn, want het moet gezegd worden 'dat wij het Evangelie niet recht bewaren zullen zonder de talen'. In prachtige beelden geeft Luther aan hoe hij de verhouding ziet tussen talen en Evangelie: 'De talen zijn de schede waarin dit mes van de Geest (het Evangelie) steekt. Ze zijn de schrijn, waarin men dit kleinood draagt. Ze zijn het vat waarin men deze drank houdt. Ze zijn de kamer waarin deze spijze ligt. En zoals het Evangelie het zelf laat zien, ze zijn de korven, waarin men dit brood en vissen en brokken bewaart’.
Wij horen Luthers blijde en diepe verwondering erin doorklinken als hij zegt dat, nu de kennis der talen veel zuiverder als ooit tevoren aan de dag treedt, ook het Evangelie weer helder als het zonlicht straalt. Dat is in de kerk lange tijd anders geweest. De duisternis die er heerste, vooral in het verstaan van de schriften, was te wijten aan het gebrek aan kennis van de grondtalen der Schrift. Daarom konden vele dwalingen makkelijk binnensluipen. Maar nu, zegt Luther, moet de wereld zich erover verwonderen 'dat wij het Evangelie zo zuiver en rein hebben, haast net zoals de apostelen het gehad hebben, en dat het gans tot zijn eerste zuiverheid hersteld is en veel reiner is als het ten tijde van de Heilige Hieronymus of Augustinus geweest is. En kortom, de Heilige Geest is geen nar, en gaat niet met overbodige en onnodige zaken om. Hij heeft de talen voor zoiets nuttigs en nodigs gehouden in de christenheid, dat Hij ze zelfs van de hemel vandaan met Zich heeft meegebracht (Hand. 2). Dat alleen al moest ons genoeg zijn, om ze met vlijt en eer te zoeken en ze niet te verachten, omdat Hij ze nu Zelf weer op de aarde opgewekt heeft’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's