Opvang en omgang
In de praktijk van de gemeente
De vraag is of er opvang van nieuw-ingekomenen is in de kerkelijke gemeenten.
In kerkelijke bladen, politieke periodieken, in dag-en weekbladen worden de meest zwaarwichtige onderwerpen soms behandeld. Vaak ook onderwerpen, die veraf staan van de gewone leefwereld van de mensen, en die toch aandacht verdienen, omdat ze te maken hebben met de achtergronden van eigentijds denken, van cultureel of maatschappelijk leefklimaat en die daardoor het leven van mensen (voor hen onbewust vaak) mede bepalen. Anderzijds zijn er ook de heel gewone dingen, die soms aan de aandacht ontsnappen, maar die toch alles te maken hebben met de levenssituatie, de levenspraktijk.
In het hiervolgende wil ik op één dergelijk punt ingaan, omdat me niet zelden hierover brieven van lezers bereiken. Het gaat om de praktijk van het samen gemeente zijn. Hoe functioneert dat in de heel gewone dingen?
Werksituatie
Voor velen is vandaag de werksituatie allerminst eenvoudig. Hoevelen zijn niet dankbaar als ze (nóg) werk hebben! Hoevelen zien er niet reikhalzend naar uit om wéér werk te krijgen! Hoevelen hebben ook niet problemen met de plaats, de gemeente, de streek waar ze werken of moeten gaan werken. Wat dit laatste betreft, mensen staan soms voor de moeilijke keus om, terwille van het behoud van hun werk, vanwege overplaatsing te verhuizen. In welke woon-en leefituatie komen ze dan? Want voor velen is (gelukkig) de eerste vraag ook nog: kan ik wonen waar ik kerk? Mensen wonen vaak waar ze werken. Maar als ze dan wonen moeten daar waar ze niet kunnen kerken, dan geeft dit problemen.
Het is mij bekend dat er vandaag heel wat mensen zijn, die voor een onontkoombare keus stonden, om met een gezin te verhuizen naar een heel ander gebied en daarbij voor de vraag stonden: waar zal ik me dan concreet vestigen?
Punt wordt dan na verhuizing of men de aansluiting, na korter of langer tijd, vindt met de kerkelijke gemeente waar men terecht komt. In vele gevallen is dat niet direct zo. Het is in ieder geval niet altijd zo. Toegegeven, mensen kunnen er zelf de oorzaak van zijn dat ze de aansluiting niet vinden. Maar er kunnen ook heel gewone praktische oorzaken liggen in de gemeenten.
Vooral in grote gemeenten, waar nog iets van de volkskerk zichtbaar is, kan de intimiteit, die kleinere gemeenschappen soms kenmerkt, ontbreken waardoor mensen zich minder snel thuis voelen. Er mag dan wel extra zorg zijn voor de opvang van nieuw-ingekomenen.
Opvang
De vraag is of er opvang van nieuw-ingekomenen is in de kerkelijke gemeenten. Als nieuwe gezichten worden gesignaleerd in de kerkdiensten is er dan slechts nieuwsgierigheid of is er ook het besef, dat we samen gemeente zijn en dat we daarom de broeders en zusters van elders gekomen gastvrij onthalen zullen? Het is bekend dat er gemeenten zijn, die helaas zo autochtoon zijn, (letterlijk: zij maken de bevolking en ook de gemeente uit), dat nieuw-ingekomenen er maar moeilijk thuis raken. Maar ook waar dat niet het geval is kunnen er 'kleine' dingen zijn, die mensen als onaangenaam ervaren.
Ik geef een paar voorbeelden. De nieuwtestamentische groet heeft een diep gemeentelijke betekenis. Het elkaar groeten binnen de gemeente is dan toch ook meer dan een vormelijkheid?
Inschikkelijkheid, als het gaat om het plaats geven aan onbekenden in de kerkdienst, mag dunkt me ook als normaal beschouwd worden. Hoewel, er zijn nog altijd gemeenten - al weet ik echt niet hoeveel - waar gasten of nieuw ingekomenen eerst moeten wachten tot het lampje van rood op groen springt. Het overkwam me een keer, dat ik zo in het gangpad stond te wachten tot het licht op veilig zou springen. Hartelijke, gedienstige gemeenteleden boden me weliswaar een plaats aan. Ik vond het toch beter om me tot het eind te onderwerpen aan deze wacht-bepaling. Maar intussen lijkt het me wel toe dat zulke dingen niet meer voor mogen komen. Het hebben van 'eigen' zitplaatsen in de kerk is een officiële blokkade voor gastvrijheid.
En verder, hoe weldadig kan het aandoen als men in vakantietijd elders, hetzij in het buitenland, hetzij in eigen land, gemeenschap met elkaar beleven kan doordat de gemeente ruimte schept voor ontmoeting na de kerkdienst. Het kan ertoe leiden dat gemeenteleden gasten - en datzelfde geldt voor nieuw-ingekomenen - uitnodigen om thuis de ontmoeting voort te zetten. Kortom, het gemeente zijn uit zich ook in zulke praktische dingen. Het is niet goed, om het maar zwak te zeggen, als mensen al enkele jaren in een gemeente wonen of in een bepaalde gemeente kerken - soms vóór of na kerkelijke overgangen ook - zich nog steeds vreemd voelen in de gemeente, omdat ze ook nergens een opvang kregen.
Nog één ding in dit verband tenslotte. Bij verhuizing heeft óók de gemeente, waaruit leden naar elders vertrekken een taak. Wordt doorgegeven naar de andere gemeente, dat dit of dat gezin of deze of die persoon er aankomt? Wordt het doorgegeven als mensen verhuizen, die misschien een beetje extra opvang nodig hebben, óf omdat ze zichzelf niet zo gemakkelijk geven of omdat ze het gevaar lopen toch wat 'af te zakken' zodra ze in een nieuwe omgeving komen, omdat dan de traditionele sociale bescherming is weggevallen? Herhaaldelijk zijn er de klachten dat er in dit opzicht nog té weinig meeleven is vanuit de gemeente, vanwaaruit leden verhuizen om zich elders te vestigen.
Liefde
Eén van de kenmerken van een echt christelijk leven en derhalve ook van een gezond gemeenteleven - ik schreef daar al eens eerder over - is intussen de liefde. Liefde tot elkaar, die een afspiegeling is van de grote Liefde van God tot het verlorene, tot ons verlorenen. In de rubriek 'Globaal bekeken' heb ik een stuk opgenomen van een drie-uren-toespraak van een Japanse evangelist Kanamori in de dertiger jaren. Het trof me bij lezing van deze mooie toespraak, als een 96 pagina's tellend boekje in 1932 bij Voorhoeve uitgegeven, hoe sterke nadruk wordt gelegd op de liefde. Liefde zal ten diepste bepalend moeten zijn voor de opvang van en de omgang mét elkaar binnen de gemeente. Het is zelfs zo dat de werfkracht van de gemeente in niet geringe mate bepaald wordt door liefdebetoon, dat zichtbaar wordt. Liefdebetoon dat óók zichtbaar blijft bij verschillen in denken, in 'ligging', in visie in doelgerichtheid tussen mensen binnen de gemeente. Liefdebetoon dat óók zichtbaar en klaarblijkelijk moet zijn bij discussies, die gevoerd worden. Mij trof wat ik in De Wekker, orgaan van de Christelijke Gereformeerde Kerken, van 30 september las. De Wekker geeft de laatste weken uitvoerige verslagen van de gehouden zitting van de generale synode van deze kerken. De lezers kunnen weten dat er hete hangijzers aan de orde waren, waarover grondig verschil van mening was, zoals de gezangenkwestie, de kernbewapening, de homofilie, het samenwerken met andere kerken. In genoemd verslag lees ik dan opeens het volgende, toch markante zinnetje: 'zoals steeds werd er heerlijk gegeten. Een van de vele gedienstige zusters zei later tegen uw verslaggever (ds. K. Boersma, Hoogeveen, v. d. G.): het valt me op hoe gezellig jullie allemaal beneden in de zaal zitten te eten. Ik krijg de indruk, dat het boven in de vergadering lang niet zo gezellig is. Hoe kan dat toch?’
Hoe kan dat toch? Vergaderingen, kerkelijke vergaderingen kunnen soms inderdaad wel eens ongezellig zijn vanwege spanningen, vanwege verdeelde visies. Vergaderingen hebben naar hun geaardheid al een andere gesprekssfeer dan de gewone ontmoetingen, dan met name de tafel-ontmoetingen. Maar het wordt toch bedenkelijk als op kerkelijke vergaderingen, in kerkelijke discussies, de gezelligheid, nee de liefde ontbreekt. De waarheid mag gezegd worden, zó scherp mogelijk uitgediept worden en helder en puntig verwoord worden. Maar met op de achtergrond de liefde! Opdat we de broeder niet onrecht doen, opdat we de waarheid niet in liefdeloosheid onder houden.
Hoe kan er na vergaderingen gezellig gegeten worden? Als tijdens de vergaderingen iets van gemeenschap der heiligen beleefd wordt, bij alle verschillen van inzicht die er zijn en als er het besef is dat de hand niet kan zeggen tegen de voet: ik heb u, met uw andere inzicht, niet nodig.
Her(kenbaar)
Als de gemeente, in de opvang van elkaar en de omgang met elkaar, niet meer in de liefde (her)kenbaar is, waaraan zal ze dan wel (her)kenbaar zijn? Dan blijven rechtzinnigheid en waarheidsgetrouwheid over. Maar ze zijn zielloos. Ik sluit af met een stukje uit de toespraak van de genoemde Japanse evangelist:
'Het Christendom is de godsdienst der liefde. En het volmaaktste voorbeeld van die liefde werd gegeven aan het kruis van Christus. Christus, de zonde der wereld op Zich nemende en stervende aan het kruis in de plaats van de zondaar, dat is de verpersoonlijking van de liefde van God’.
En dan ziet men de liefde in de gemeente niet in woorden alleen maar ook in daden. Ziet hoe lief ze elkaar hebben!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's