Toch nog - nog steeds
En Hij zal Jeruzalem nog verkiezen. Zacharia 1 vers 17 slot
Het leek zo geweldig! Het volk Israël was teruggekeerd in het beloofde land. Aan zeventig jaar ballingschap was een einde gekomen. Nu zal men eens wat zien, nu zullen ze gaan herbouwen en de puinhopen gaan opruimen. Er wordt een begin gemaakt met de bouw van de tempel. Nu zal er opnieuw een gouden eeuw aanbreken voor Israël. De oude tijden van koning David en Salomo zullen terugkeren. Ja, ja zo had men gedacht, maar wat viel het tegen. Al spoedig komt er de klad in. Ze krijgen teleurstelling op teleurstelling.
En nu, wanneer ze twintig jaar na de terugkeer de balans eens opmaken, ziet het er alleen maar bedroevend uit. De tempel is nauwelijks van haar fundamenten verrezen, en de stad?, ze ligt voor het grootste deel nog plat. Maar ook verder gaat het allerminst voor de wind. De ene misoogst volgt op de andere. Voedselgebrek is aan de orde van de dag. In politiek opzicht is het al net zo droevig. Uitzicht is er nauwelijks, het volk is innerlijk verdeeld en van buitenaf zijn er allerlei kwade invloeden die het land proberen te vernietigen.
Er wordt geterroriseerd en gesaboteerd, zodat de herbouw van de stad ook eigenlijk niet gebeuren kan.
Alle aanvankelijke ijver en geestdrift zijn allang gedoofd. De fut is er uit. Even was de lijn weer opwaarts gegaan, toen Haggai, nieuwe vergezichten opende met zijn profetie, maar het volk was al vlug weer ingedommeld. Immers wat heb je aan beloften, als je elke dag de ellende om je heen ziet?
Dan komt Zacharia, een jonge man nog. Zijn naam is eigenlijk al Evangelie in een notedop. Zacharia, d.w.z.: de Heere heeft gedacht. Hij is een profeet, die midden tussen de puinhopen, de troostrijke boodschap verkondigt: De Heere gaat het doen. Want zij kunnen alle ellende en narigheid wel afschuiven op de omstandigheden, op de vijanden en noem maar op, maar dit mogen ze niet vergeten, nl. dat de Heere Jeruzalem nog verkiest en dat het toch goed zal komen.
Zacharia mag het zien. De Heere geeft hem in een aantal nachtgezichten te kennen, wat er aan de hand is. Hij heeft verkenners uitgestuurd om Zijn land te doorwandelen en ze zijn in alle uithoeken geweest. Nu zijn ze teruggekomen om hun rapport van wat ze gezien hadden aan te bieden. En dat rapport is uitermate teleurstellend. Er is maar één ding dat ze naar voren brengen: Het is volkomen rustig. Helaas, die rust is geen goede rust, maar een valse rust.
Wanneer de levende God gaat optreden, als de Heere de wereld aanvat en bezig is om Zijn heil te gaan werken op aarde, dan is het met alle rust gedaan, dan gaat het kraken aan alle kanten.
Valse rust in Jeruzalem en de steden van Juda. Er heerst een stemming van 'het is wel goed'. Men zit te zitten. Zou er veel verschil zijn tussen toen en nu? Vind je ook bij ons niet, ondanks al het vele werk dat gedaan wordt en mag worden niet zo'n rust? Het loopt immers wel en het suddert wel door. Hoevelen zouden het moede hoofd al in de schoot gelegd hebben? Kerkelijk, gemeentelijk en persoonlijk? Ook wij wijzen naar allerlei omstandigheden in het leven, waardoor wij onder de maat blijven. We kijken wellicht meewarig naar anderen, die de Heere voorgoed vaarwel gezegd hebben, maar we merken niet en weten niet, dat alles wat met de Heere en Zijn dienst te maken heeft, ons koud en onberoerd laat. We zeggen maar al te gemakkelijk: Het is wel goed. Maar wanneer de Heere Zijn verkenners uitstuurt, ook in ons leven, dan zal het rapport niet best zijn, want het is helemaal niet goed. Wij hebben geen been om op te staan en het zou heel terecht zijn wanneer de Heere zou zeggen: Mensenkind , Ik wil niets meer met jou te maken hebben! We kunnen toch niet anders verwachten, of wel soms? Maar nu het wonder, dat zegt de Heere niet. Hij zegt: Ik zal Jeruzalem nog verkiezen. Met forse stem mag Zacharia het uitroepen over de ruïnes van Jeruzalem: Zeg het tegen haar, hoewel u tegen Mij bent, ben Ik toch voor u! Ik zal u nog verkiezen. Hoe kan dat nu? Stapt de Heere dan zomaar over de zonde heen? Neemt Hij de zonde van Zijn volk en ons dan niet ernstig meer? Dat mogen we ons toch wel afvragen. Ik wil er twee dingen van zeggen. Het eerste is dit: Als de Heere verkiest, dan wordt Zijn erbarming niet opgewekt, door iets wat aan de kant van de mens ligt. Omdat wij nog zo vroom of goed zijn. Nooit. In heel de Bijbel gaat het om dit éne: Het komt van God alleen! Dat vinden we ook in dit hoofdstuk telkens weer. Het klinkt als een refrein: Ik de Heere, Ik zal het doen. Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns grote Naamswil. Dat is Gods welbehagen.
Dat is het eerste, het tweede is dit!
Wanneer komen die goede en troostrijke woorden? Dat is als de Engel des Heeren het woord genomen heeft. Om Zijn: Hoelang nog zult Gij zonder erbarmen zijn over Jeruzalem? Dan hoort de Heere, verkiest de Heere en troost Hij. Hoe dat kan? Wel die Engel des Heeren, dat is hier de Heere Jezus Christus, Die is neergedaald in de nood en ellende van Zijn volk. Als de Heere Zijn welbehagen toont, dan is dat alleen maar in en om Christus. Dat is ook de prediking van de Heiland Zelf. En ik zie Hem daar staan, lokkend en nodigend voor het volk, wanneer Hij zegt: Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Maar ook dat andere: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.
En nu? Zoveel eeuwen nadat de Heere Jezus rondwandelde?
In het laatste Bijbelboek ziet Johannes Hem, staande als het Lam dat geslacht is. En Hij zegt tegen de Vader: Hoe lang nog zult Gij U niet ontfermen? Aan de troon van God pleit Hij voor een arm en ellendig volk. Daarin ligt het behoud van het volk. Daarom klinkt het: Nog zal Ik Jeruzalem verkiezen. Dat 'nog' is tweeledig, het kan zijn: toch nog, maar ook nog steeds. We zullen het alletwee maar laten staan.
Ons kan onder de invloed van een heleboel dingen, alle hoop op behouden te worden ontvallen. Maar dan klinkt het: Toch nog, want er is een voorbidder in de hemel, Hij de Heere Jezus Christus. Hij is er! Het kan ook zijn, dat we misschien moeten klagen: Zou God Zijn gena vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Nee, want dan klinkt het: Nog steeds, want Gods erbarming en ontferming gaat niet op en neer met de wisselende gang van ons leven, maar ligt vast in Hem.
Daarom tenslotte deze vraag: Kent u de Heere Jezus, heeft u Hem lief? Hebben wij al eens leren knielen aan Zijn voeten, want daar wordt de rust geschonken. Niet die valse rust, maar de echte rust, die uitloopt op vrede en eeuwige zaligheid. Waar wij alles verknoeid en verprutst hebben, wil Hij genade geven. Dat kan Hij alleen. Wie in de Zoon gelooft, heeft het leven! Wie de Zoon niet gelooft. Hem ongehoorzaam is, dat is verschrikkelijk, die zal het leven niet zien.
Maar nog - toch nog en nog steeds - staat Hij met uitgebreide armen en zegt: Kom tot Mij! Schrijf Gij dan met Uw Goddelijk schrift Uw Naam op onze levens en in onze harten. Heere Jezus Christus, geef dat wij U mogen kennen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's