De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther en de school (4)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther en de school (4)

9 minuten leestijd

'Wij moeten ons er niet door in de war laten brengen dat velen zich beroemen in de Geest terwijl ze de Schrift gering achten.'

Kennis van de Schrift

De kennis van de talen is onmisbaar voor het rechte verstaan van de Heilige Schrift. Niemand kan de Schriften verklaren zoals het behoort, als hij die niet ook in de grondtalen kan lezen. Daarom hebben de kerkvaders in hun uitleggingen ook zo gedwaald, omdat ze de grondtekst van de Schrift maar gebrekkig of geheel niet kenden. Daarom is het ook helemaal verkeerd, zegt Luther, om met behulp van hun verklaringen de Schrift te onderzoeken. De grondige lezing van de bijbel in de grondtaal brengt veel en veel meer op. Luther zegt: 'Daarom kan weliswaar het geloof en het Evangelie ook door een eenvoudig prediker, zonder kennis der talen gepredikt worden, maar het gaat er daarbij toch moeilijk en zwak aan toe en men wordt er ten laatste moe en zat van en komt ermee te vallen. Maar waar de talen zijn, daar gaat het fris en krachtig eraan toe; daar wordt de Schrift doorgewerkt en ontstaat het geloof altijd weer nieuw, door telkens andere en weer andere woorden en werken, zodat Ps. 29 vers 9 zo'n studeren in de Schrift vergelijkt met een jacht, en zegt dat God voor de herten de dichte wouden opent (daarmee wordt het Woord bedoeld), en Ps. 1 vers 3 met een boom die altijd groen is en immer fris water heeft’.

Geest en taal

Wij horen hier dus hoe lyrisch Luther wordt als hij over de betekenis van de studie der talen schrijft. Vandaar dat hij ook niets moest hebben van hen die uit overgeestelijkheid deze studie verwaarloosden en verachtten omdat ze liever bleven bij wat zij het directe onmiddellijke onderwijs van de Geest vonden. 'Wij moeten ons er niet door in de war laten brengen dat velen zich beroemen in de Geest terwijl ze de Schrift gering achten.' Luther bedoelt hier Karlstadt en Münzer, die in hun radicaliteit elk beroep op de Schrift afweerden met hun slagwoord: de Geest, de Geest en niet de bijbel, de Schrift. Alle wetenschap en studie werd door hen als vleselijk werk niets geacht. Wat de Geest niet direct en onmiddellijk ingaf werd door hen veracht en bespot. Luther antwoordt deze geestdrijvers het volgende, op zijn eigen scherpe en rake manier: 'Veel meer, lieve vriend, geest hier, geest daar! Ik ben ook in de geest geweest, en ik heb ook "geest" gezien - als het nog gelden zou in eigen vlees te roemen, misschien nog wel meer dan dezen nog in de loop van jaren zien zullen, hoezeer ze ook roemen. Ook heeft mijn geest zekere bewijzen van zich gegeven, terwijl hun geest nog stil in een hoekje zit en niet veel meer doet dan eigen roem verheffen. Dat weet ik wel zeker: Hoe zeer ook de Geest alles alleen doet, toch was ik van het doel verre gebleven als de talen mij niet geholpen hadden en mij de Schrift zeker en gewis gemaakt hadden’.

En heel treffend vervolgt Luther dan: 'De duivel vreest mijn "geest" niet zozeer als mijn taal en mijn veder in de zaken van de Schrift. Want mijn geest ontneemt hem niets, dan alleen mijn persoon; maar de Heilige Schrift en de talen maken hem de wereld te eng. Dat doet hem schade in zijn rijk’.

Zo heeft Luther ook bezwaren gehad tegen hen, die hij in zijn geschrift de Waldenzenbroeders noemt. "Hij bedoelt daarmee de Boheemse broederen, die hij in veel opzichten wel waarderen kon, maar niet in de afwijzing van de taalwetenschap. Zij dachten die niet nodig te hebben nu men de bijbel toch in de landstaal kon lezen. Maar, zegt Luther, als je zo redeneert en de grondtalen niet bestudeert, dan kun je ook geen verweer vinden tegen de verdraaiing van de Schrift, dan kun je geen dwaalleer bestrijden. 'Want het is heel gevaarlijk om over Gods zaken anders, of met andere woorden te spreken, dan die God Zelf gebruikt. Kortom, zij mogen voor zichzelf heilig leven en leren, maar omdat ze zonder kennis blijven van de talen, zo zal hen moeten ontbreken, wat alle anderen ontbreekt, nl. zij behandelen de Schrift niet betrouwbaar en grondig en kunnen andere volken niet nuttig zijn. Terwijl ze dat echter wel hadden kunnen doen, maar niet willen doen, zo moeten ze maar zien hoe dat voor God te verantwoorden is.' Zo zien we dat ook het motief van verdediging en verbreiding van de waarheid van het Woord, je zou kunnen zeggen een zendingsmotief, Luther bewogen heeft tot zijn hartstochtelijk pleidooi voor het rechte onderwijs in de talen. Tot nu toe hoorden wij Luther alleen maar over de talenstudie spreken. Dat wil niet zeggen dat hij geen oog heeft voor andere nuttige vakken. In het vervolg zullen wij wel merken dat dat zeker niet het geval is. Maar als het gaat om het goede onderwijs tot het geestelijk regiment, dan staan de talen boven alles, omdat het Woord boven alles verheven is. En alles wat dienstbaar is aan de verdere doorwerking van het Woord verdient voor Luther voorrang.

De wereldlijke stand

Het wereldlijke regiment is een Goddelijke ordening die in stand gehouden moet worden. Dat kan niet anders dan door wijze en verstandige mensen die onderwezen zijn om hun verantwoordelijkheid te dragen op de verschillende terreinen van het leven. Hun taak in de wereld is van een andere orde als de dienst in het geestelijk regiment van God, maar is toch ook van het grootste belang. Luther kan daarom ook deze vergelijking maken: 'Zoals het werk van het predikambt is om uit zondaren heiligen te maken, uit doden levenden, uit verdoemden zaligen en uit duivelsdienaren Gods kinderen, zo is het het werk en de eer van het wereldlijk regiment dat het uit wilde dieren mensen maakt en mensen verlicht opdat ze geen wilde dieren worden', (preek) In zijn preek uit 1530 is hij hier erg uitvoerig over. Hij zegt daarin o.a.: 'Ook als er nu, zoals ik gezegd heb, geen ziel was en men de scholen en talen helemaal niet nodig had om wille van de Schrift en van Godswege, ' zo zou het alleen al deze grond voldoende zijn om de allerbeste scholen zowel voor jongens als ook voor meisjes in alle plaatsen op te richten: dat nl. de wereld, om ook haar wereldlijke stand uiterlijk te behouden toch fijne en geschikte mannen en vrouwen nodig heeft, zodat de mannen land en volk wel regeren en de vrouwen het huis, de kinderen en het gezin wel opvoeden en in orde kunnen houden’.

De heidenen, bijv. de oude Romeinen, zijn in deze dingen de Duitsers nog tot een beschamend voorbeeld. Zij wisten wel niet dat de wereldlijke stand Gode welgevallig was, maar toch lieten zij hun jongens en meisjes onderwijzen. Vooral in zijn preek laat Luther merken hoezeer het hem steekt dat zijn eigen Duitsers zo nalatig en onverschillig zijn wat de noodzaak en het nut van de scholen betreft. Hij kan het niet hebben, dat nu de reformatie op alle terreinen een doorbraak en vernieuwing heeft opgebracht, de ontwikkeling van de scholen veeleer de verkeerde kant lijkt uit te gaan. Het duitse volk kan een goede ontwikkeling en beschaving best goed gebruiken, want het heeft in deze dingen nooit vooraan gelopen. Luther wil daar dan ook een vurig pleitbezorger van zijn, opdat ze niet langer 'Duitse beesten en dolle dieren' genoemd zullen worden. Een verdere afbraak van het schoolwezen kan niet worden geduld. Luther zegt: 'Als het zo in het duitse land moet gaan, dan spijt het mij dat ik als een Duitser geboren ben en dat ik het duits gesproken en geschreven heb'. Ze vragen erom dat de paus met zijn gruwelijke macht weer over hen zal gaan heersen. De teleurstelling grenst aan moedeloosheid als hij lagt weten: 'Ik bid God om een genadig uurtje dat Hij mij maar weg neemt en niet de jammer laat zien die zo over het duitse land moet gaan. Want ik houd het ervoor dat al zouden er tien Mozessen staan en voor ons bidden, zo zouden zij niets uitrichten. Zo voel ik het ook als ik voor mijn lieve duitse land bidden wil, dat het gebed naar mij terugkeert en niet omhoog wil dringen zoals anders als ik voor een andere zaak bid. Want het zal zijn dat God Lot verlossen zal en Sodom laten verzinken. God geve dat ik liegen moet en in dit stuk een valse profeet ben. Dat zou gebeuren als wij ons beterden en het Woord en het kostbaar bloed en sterven van onze Heere anders eerden dan tot nu toe. En dat wij het jonge volk tot de (beide) Goddelijke ambten, zoals gezegd is, hielpen opvoeden.

Het overheidsambt, wijsheid meer dan kracht

De betekenis van een goede scholing voor het wereldlijk regiment is bijzonder gelegen in de vorming van goede regeerders en wijze raadgevers. Daar moeten de landen en steden het van hebben. Keizers en koningen hebben kanseliers en schrijvers, juristen en raadsheren nodig, anders kunnen ze niets meer beginnen. Vrome juristen en betrouwbare geleerden zijn in het wereldlijk rijk van de heren als 'profeet, priester, engel en heiland'. Het wordt veel te weinig ingezien, vindt Luther, dat zulke dienaren de staat en het recht en de orde veel beter nog beschermen dan ridders en legers. Omdat zulke wijze mensen de innerlijke waarden die God in staat en overheid gegeven heeft het best kennen en behoeden. Salomo leerde het in zijn 'Prediker' al dat wijsheid beter is dan kracht, al moest daarbij direct gezegd worden dat de wijsheid helaas werd veracht. Datzelfde ziet Luther in zijn tijd ook. Men verwachtte meer van het uiterlijke machtsvertoon ter bescherming. Maar Luther waarschuwt dat verwaarlozen van wijsheid het grootste gevaar is. Daarom is het zo dat ieder die zijn verantwoordelijkheid niet verstaat, door bijv. zijn kind aan dit ambt te onttrekken, even gevaarlijk en vijandig is voor de wereldlijke overheid als de turken, ja ook de duivel zelf!

Wijsheid is meer dan kracht, al is dan de schrijfveder voor velen niets vergeleken met het zwaard. Dat is pas zwaar werk, om het zwaard te hanteren, dat bewaart orde en vrede, vinden velen. Maar denk toch niet dat dat andere werk minder zwaar is, waarschuwt Luther: 'Mij valt het zwaar om in een harnas te rijden. Maar ik wilde ook wel eens een ruiter zien, die net als ik een hele dag stil kan zitten en in een boek lezen. Het werk van de wijze, al is het uiterlijk niet indrukwekkend is toch het voornaamste, want het is het werk van de edelste delen van de mens, het hoofd, de tong, de rede. Het denk-en schrijfwerk moet niet onderschat worden: 'Drie vingers doen het (zegt men van schrijvers) maar heel het lichaam en de ziel werken daarin mee’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Luther en de school (4)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's