De relatie student-gemeente in de praktijk
Kerk en student
Zouden er niet nog veel ouders van studenten zijn, die eigenlijk niet begrijpen waar hun kinderen mee bezig zijn? wat op hen afkomt? in welke wereld ze leven?
Monnica bij de bisschop
‘Een zoon van zulke tranen kan niet verloren gaan'. Zo sprak de bisschop tot Monnica, de moeder van Augustinus, toen zij hem smeekte eens te willen spreken met haar afgedwaalde zoon. Hij was student. Hij kon niet tegen de vrijheid. Hij brak met zijn Christelijke opvoeding. Monnica bleef voor hem bidden. Maar zij schakelde ook de bisschop (van Thagaste of Carthago? ) in. Zij begreep terecht dat haar zorg ook de zorg van de kerk dient te zijn. Studentenpastoraat! Maar de bisschop deed niets. 'Alleen, bid de Heer voor hem: hijzelf zal door te lezen wel vinden, wat zijn dwaling is en hoe groot zijn goddeloosheid'. Tevens vertelde hij haar, dat ook hij bij de manichaeers was geweest en tot dezelfde ontdekking was gekomen. Pas toen Monnica bleef aanhouden, zei de bisschop een weinig kregel: 'Ga weg van mij, zo waar als gij leeft, is het onmogelijk dat een zoon van zulke tranen verloren gaat'. Een stem uit de hemel voor Monnica - geen wiskundige regel. Augustinus heeft, na zijn bekering, in zijn Belijdenissen zijn moeder vereeuwigd. Zij is het type geworden van de biddende moeder, ja, van de moederkerk.
Maar dit beeld van Monnica wordt gekorrigeerd in een studie van mevrouw (!) dr. P. M. A. van Kempen-van Dijk: 'Monnica. Augustinus' visie op zijn moeder' (1978). Zij spreekt van een moeder-binding. 'Zij kon zich niet neerleggen bij de raad die de bisschop haar gaf'. En vooral: 'In de werkelijk belangrijke stadia, de bekering van het intellect, de bekering van de wil, werd Monnica niet genoemd...'. 'Zijn problemen besprak hij met zijn vrienden, die zijn verlangen naar de waarheid en de wijsheid deelden of hij ging elders om advies. Pas toen hij zijn beslissing genomen had, zou hij zijn moeder deelgenote maken van zijn besluit, dat veel verder ging dan zij ooit had durven verwachten' (ps. 80/82). Met andere woorden: moeder Monnica bleef buiten de eigenlijke worsteling van haar zoon Augustinus. Zij begreep hem niet. Zijn vragen over God, goed en kwaad, zijn filosofische kennis, ontgingen haar... Zij volgde hem lichamelijk op zijn weg naar Rome en Milaan, maar zij kon hem geestelijk niet volgen... Aangrijpend! De bisschop begreep de jongen wel. Maar hij mengde zich er niet in! Augustinus moest er zelf uitkomen.
Kerk en student
Zouden er niet nog veel ouders van studenten zijn, die eigenlijk niet begrijpen waar hun kinderen mee bezig zijn? wat op hen afkomt? in welke wereld ze leven? En zouden er niet nog veel predikanten zijn die hen hun strijd alleen laten strijden? Als dan de voorbede er inderdaad maar is en de pastorale onthouding uit wijsheid geschiedt! Wordt er in de kerkdienst ook gebeden voor studenten? Wij doen dit wel voor 'onze jongens in militaire dienst'. Die zijn ook ver van huis. Die komen ook in een andere wereld terecht. Die zijn ook weg uit het beschermde milieu. Trouwens, vergeet de verpleegsters en verplegers niet. Maar nu hebben wij het over onze studenten. De dominee kent ze toch van de catechisatie? De ouderlingen hopelijk van huisbezoek? Nu gaan ze het dorp of de stad uit. Hoe komen ze terecht? Vele jongeren uit onze gemeenten raken zoek. Zij vallen tussen ka en schip, pastoraal gesproken. Het minste is, dat de predikant de namen doorgeeft aan de collega uit de universiteitsstad. Laat hier geen gat vallen. Het zijn alleen de 'getrouwen' die zelf hun weg wel vinden. Maar ook en juist zij, die de grote vragen ernstig nemen, verdienen geestelijke leiding. Bespreek met hen, bij welke gemeente zij zich het beste kunnen laten inschrijven: dat is van geval tot geval anders. Zij hebben trouwens niet alleen de kerk nodig, de kerk kan hen ook goed gebruiken in jeugdvereniging of evangelisatiewerk. Anderzijds moet de kerk ze de ruimte geven om aktief te zijn in de studentenwereld; dat is een kans die niet meer terugkomt. Duidelijk is, dat de plaatselijke gemeente en die van de studie ogen tekort komen. Hier ligt een taak die boven twee plaatselijke gemeenten uitgaat. In de gescheiden kerken zijn er speciale deputaatschappen die de opdracht van de synode hebben om voor studenten zorg te dragen. In de Gereformeerde richting van de Ned. Hervormde kerk is er... niets. Dat wreekt zich. Deze taak gaat ook de H.G.J.B, te boven. Hier moet de jeugdvereniging te kort schieten; het gaat immers om de vorming van Christen-academici, die straks leiding moeten en mogen geven, het gaat vooreerst om het probleem geloof-wetenschap.
Geloof en wetenschap
Hoe verhouden zich scheppingsverhaal en evolutie-theorie? Hoe verhouden zich Gods Voorzienigheid en de geschiedwetenschap? Wat betekent het Bijbels gebod voor rechten en medicijnen-studie? en voor de techniek? Wat betekent beelddrager-Gods zijn en het zondaar-zijn voor psychologie en sociologie? De wetenschap laat God buiten beschouwing. Men noemt dat wel: methodisch atheïsme. Kan een christen daar vrede mee hebben? Moeten wij geloof en wetenschap zoveel mogelijk scheiden? Komen we dan niet in twee werelden te leven? In Middeleeuwen en Reformatie waren de universiteiten Christelijk. Sindsdien zijn ze geseculariseerd. Dr. Kyper begon weer met een vrije Christelijke universiteit: de anti-these tussen kerk en wereld is zo radicaal, dat christenen tot een aparte universiteit moeten komen, terwijl de 'algemene genade' hen de ruimte geeft om ook op het terrein van de wetenschap bezig te zijn. Wij hebben daar onze vragen over. Wij, die wel de Christelijke school voorstaan, aarzelen bij de konsekwentie ervan: een Christelijke universiteit. Waarom? Om Kuypers theologie? Om de treurige afloop? Omdat kinderen niet, maar de oudere jeugd wèl de konfrontatie met de wereld moet aankunnen? Het is er intussen aan de Openbare universiteit gevaarlijker op geworden: denk b.v. aan groepstrainingen enz.
Hoe het zij, praktisch gezien gaan de meeste kerkelijke studenten nog altijd naar de Openbare Universiteiten. Welnu, dan moet er zeker een christelijke studentenvereniging zijn, waar al deze vragen onder-Hng en onder leiding van goede sprekers en boeken doordacht kunnen worden.
Arm van de kerk
Wat is principieel gesproken nu zo'n Christelijke studentenvereniging? Men zegt wel: een arm van de kerk aan de universiteit. Dat lijkt me een vondst. Niet een kerkje-in-de-kerk, zoals een studenten-gemeente is. Maar ook geen particuliere club. Een arm van de kerk. Die arm hoort bij het lichaam - van Christus. Die arm heeft een speciale functie, dat wél. Was er maar één Reformatorische kerk, dan behoefde zo'n studentenvereniging niet interkerkelijk te zijn. Maar interkerkelijk is ook een vorm van kerkelijk! Evenals bij de Christelijke politieke partijen en bij de Christelijke scholen enz. hebben de studenten dwars door de kerkmuren heen de éne belijdenis en het éne verbond ontdekt. Zij ervaren hier op de vereniging soms meer gemeenschap dan in de kerk! Maar dat moet ze niet ongeschikt, maar juist geschikter maken voor hun inzet straks - en nu al wel - in de bestaande kerken. En predikanten die eens een lezing houden voor zo'n vereniging verwaarlozen niet hun taak in de gemeente, maar werken aan een taak van de kerk. En zij worden zelf geïnspireerd. Ds. G. Boer b.v., die destijds in de synode de klassieke verzoeningsleer verdedigde, droeg zijn boekje over de verzoening op aan... de studenten die hem hiertoe gestimuleerd hadden.
Schuilplaats, vrijplaats, broedplaats
Zo'n Christelijke studentenvereniging is allereerst een schuilplaats. Hier zoeken jongeren van de kerk dekking bij elkaar in de storm van de secularisatie. Hier is veiligheid en warmte. Verder is het ook een vrijplaats. In een vrijplaats mogen Christen-jongeren een stuk bewegingsvrijheid genieten, waarin de traditie kritisch mag worden bekeken, zonder dat achterdochtige verdenkers meteen de vervolging kunnen inzetten. Er mag tijdelijk een zekere distantie zijn tot de eigen kring van alle plaatsen. Maar als het goed is, is zo'n vereniging ook een broedplaats. In een broedplaats wordt nieuw leven geboren voor de toekomst. Daar worstelen in stilte de nazaten van Augustinus met de machten van de verleiding en dwaling, met de grote vragen van God en wereld, tijd en eeuwigheid. Daar maakt een nieuwe generatie zich los van de oude, om - naar wij vurig bidden - in een nieuwe tijd onder dezelfde God te vallen, Christus te vinden, door de Geest toegebracht en toegerust te worden.
Je blijft niet altijd in een schuilplaats. Je blijft niet altijd in een vrijplaats. Je blijft niet altijd in een broedplaats. De studentenjaren gaan voorbij, zongen wij. Sneller dan men denkt. Sneller dan vroeger, met die studietijdverkorting. Dan is het voorbij... Nee, dan komt het toch? Uit één privaatcollege in Leiden is het hele Réveil ontstaan: kringen in Amsterdam en Den Haag rond Da Costa en Groen van Prinsterer. Afgestudeerden werden tot zegen voor kerk, staat en maatschappij. Ik denk dan wel eens: het aantal Réveilmensen was destijds veel minder dan nu het aantal academici dat in de C.S.F.R. en Ichthus is gevormd. En in AF en R.R.Q.R. ook nu nog zijn ontmoetingspunt heeft. Er is dus brandstof genoeg voor een nieuw Réveil! Er waren ook profetische sprekers die een stempel gezet hebben op een hele generatie Christen-academici. En je komt ze inderdaad ook tegen in synodeverslagen van de N.H. kerk, de Chr. geref. kerken, de Geref. Gemeenten, in de redactie van Christelijke bladen, bij de Christelijke omroep, in de 2e kamer, tot in de regering toe. Maar een Réveil? Ik hoop op de jonge generatie. Broedplaats. Niet storen!
Drs. C. Blenk studeerde geschiedenis en vervolgens theologie in Utrecht. In zijn studententijd was hij actief lid van de reformatorische studentenvereniging CSFR (hij was o.a. voorzitter van het landelijk bestuur).
Zijn betrokkenheid met het studentenwerk heeft drs. Blenk niet verloren. Hij is al jarenlang adviseur van de CNI, het samenwerkingsverband van christelijke studentengroepen in ons land.
In de laatste nummers hebben ds. A. Kool en ds. C. den Boer geschreven over het studeren en het contact met de gemeente. Dit roept de vraag op waar we studentenverenigingen moeten plaatsen. Is het immers wel nodig dat er naast de jeugdvereniging nog een aparte club is voor studenten? En zo ja, moet zo'n studentenvereniging dan een interkerkelijk karakter dragen?
Vanuit zijn ervaring met en betrokkenheid bij het christelijk studentenwerk geeft drs. C. Blenk hierop een antwoord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's