Uit de pers
Gesprek met prof. dr. H. N. Ridderbos
In het Centraal Weekblad van 21 sept. publiceerde H. Gringhuis een groot interview met prof. dr. H. N. Ridderbos, Herman Ridderbos zoals hij veelal in de kerkelijke pers genoemd wordt. Veertig jaar geleden in de stormachtige periode van de kwestie-Schilder werd hij in Kampen benoemd als Hoogleraar in het Nieuwe Testament. Niet iedereen was blij met zijn benoeming.
‘Ja, ik ben hier in Kampen gekomen zonder begeerd te zijn. Dat kun je wel zeggen. Ik moet er ook bij zeggen - en dat blijkt ook wel uit de verrassende opmerking van ds. Van Dijk dat hij mij nog eens spreken wil - dat er in die tijd geen persoonlijke ruzies waren. Degenen die met prof. Schilder sympathiseerden - w.o. ds. Van Dijk - hebben mij op de synode heel fatsoenlijk behandeld toen de benoeming een feit was’.
Dat nooit weer
Op z'n studeerkamer aan de Fernhoutstraat in Kampen, waar hij sinds 1943 woont, laat hij de trieste geschiedenis nog eens de revue passeren. De humor laat hem daarbij niet in de steek, omdat er ook dwaze dingen gebeurden. Uit dat verleden ons gesprek opbouwend, wil hij ook wel kwijt wat hij van het gereformeerde kerkelijke leven vandaag de dag vindt.
Terug naar 1943. In de morgenuren stroomt de Burgwalkerk in Kampen vol waar prof. Greijdanus z'n afscheidscollege zal geven. De kerk blijkt spoedig te klein te zijn om alle belangstellenden een plaats te geven. Als lid van het afscheidscomité komt de jonge Ridderbos de kerkeraadskamer binnen, waar direct een grote stilte valt. De andere comitéleden weten niet wat ze met hem aanmoeten. Het afscheid van prof. Greijdanus wordt een geweldig gebeuren met tal van sprekers. Een paar uur later doet prof. Ridderbos zijn intrede in dezelfde Burgwalkerk. Onder zijn gehoor bevinden zich geen duizend, maar hooguit honderd mensen. Toekomstige vrijgemaakten staan op de stoep van de kerk en manen iedereen die naar binnen wil om door te lopen.
Nu zegt prof. Ridderbos lachend: 'Ik wist niet wat me overkwam. In Rotterdam waar ik vandaan kwam, speelde die vrijmaking niet zo en zeker niet in Charlois. Maar hier in Kampen was het natuurlijk een geweldig laaiende boel'. Ridderbos heeft niet alleen zijn vak gedoceerd. Hij was nauw betrokken bij allerlei ontwikkelingen in het gereformeerde, kerkelijke leven en neemt daar, zij het ook wat op een afstand, nog aan deel. Het gesprek gaat over de ontwikkelingen binnen de Geref. kerken, de aansluiting aan de Wereldraad, de kwestie Wiersinga. Daar over zegt Ridderbos in antwoord op de opmerking van de interviewer:
Tot die verwarring hebben natuurlijk ook de verschillende kwesties bijgedragen rondom o.a. prof. Kuitert en dr. Wiersinga. Van laatstgenoemde is gezegd, dat hoewel hij aan de rand van onze kerken zit, hij wel getolereerd is.
‘Ja, dat wel, maar zijn leer niet. Dat is de kwestie. Wat Kuitert betreft, van hem kan ik niet zeggen, dat hij in de kerk volstrekte vrijheid van leer wilde, maar hij was (en is? ) wel tegen iedere vorm van leertucht. Hij vond, dat je confessionele verschillen als theologen maar moest uitvechten. Verder wilde hij niet gaan. Hij wilde nooit en nergens zeggen: dat kan niet meer getolereerd worden. Dat was altijd de grote moeilijkheid met hem. Als je hem sprak zei hij 'Ik heb helemaal geen moeite met wat jij zegt. Ik zeg alleen: wat jij en ik zeggen, kan geen maatstaf voor een ander zijn'. Als ik dan antwoordde: 'maar als in de confessie staat...', zei hij 'nou ja, dan moet je de steen eens omdraaien'. Met andere worden hij had eigenlijk geen grenzen. Dat vond ik de grote moeilijkheid bij Kuitert. Uiteindelijk is het wel zo gekomen als hij het wilde, maar of hij daar achteraf nu zelf zo blij mee zal zijn, is een andere vraag’.
En Wiersinga?
‘Bij Wiersinga is het duidelijk wat anders. Hij ging op een aangelegen punt rechtstreeks en inhoudelijk tegen de belijdenis zelf in. In 1974 heeft de synode uiteindelijk gezegd, dat die theologie niet toelaatbaar was. Die uitspraak vind ik altijd nog wel wat waard. Maar voor de rest heeft niemand kans gezien de man ertoe te bewegen zich aan deze uitspraak te onderwerpen. Hij gaat zijn eigen gang’.
Dat gaf u destijds aanleiding om een boek te schrijven onder de titel 'Zijn wij op de verkeerde weg?
' Zeker, ik vond zijn visie op de verzoening erg en ik ben ervan geschrokken dat men Wiersinga aan de VU op dit proefschrift liet promoveren. Wetenschappelijk kon het m. i. ook helemaal niet door de beugel.
Ik vond dat het het hart van het evangelie raakte en daarom ben ik op de ketting gesprongen. Ik vind dat nog (...).
Het is natuurlijk nooit met zoveel woorden gezegd, maar feitelijk is het wel zo. Het heeft in ieder geval een grote rol gespeeld. Maar je kunt er niet alles mee verklaren. De eigenlijke oorzaak ligt daarin, dat de kerk niet meer staat voor wat zij belijdt. En dan heb ik het niet alleen over bijzaken’.
We hebben nu twee soorten leertucht, een justitiële en een judiciële. Bij de eerste worden er daadwerkelijke maatregelen genomen en bij de andere volstaat men met een zakelijke uitspraak. Maar dit soort van leertucht oefenen bereikt geen enkel effect.
‘Helemaal mee eens, want als in de kerken niet de wil is zulke uitspraken voor vast en bondig te houden, houdt natuurlijk alles op. Ik heb altijd tegen Wiersinga gezegd 'voor wat u verkondigt hebt u wel de ruimte, maar - met alle respect voor wat u verder bent - u kunt als ambtsdrager, d.w.z. als dienaar van de kerk de leer van de kerk op zo'n centraal punt niet bestrijden'. Maar u weet net zo goed als ik, dat het op het ogenblik helemaal niet populair is in de kerk om zulke dingen te zeggen!’.
Ridderbos bespeurt een verzwakking van het confessioneel besef. Dat bepaalt ook zijn visie op de ontwikkelingen binnen de geref. kerken en het proces van Samen op Weg. Op een vraag naar zijn visie inzake de toekomst zegt hij:
'Het is moeilijk om daarover profetieën te doen. Er is zo verschrikkelijk veel aan de hand. Er zit in de gereformeerde kerken nog steeds een geweldig stuk geestelijke vitaliteit, bereidheid om iets te doen, belangstelling voor de geestelijke kant van de dingen, offervaardigheid voor kerk en wereldnood enz. Dat is voorlopig nog niet uitgewerkt, dat wordt zelfs 'meegenomen' door mensen, die de kerk al lang verlaten hebben. De grote vraag is, in hoeverre dit alles zijn religieuze wortel zal blijven vinden in de gereformeerde religie, waarvan de kern immers niet ligt in hetgeen wij volbrengen, maar in wat eenmaal voor ons volbracht is aan het kruis van Jezus. Kunnen we dat nog overdragen in de denkwereld van onze jonge mensen? Jezus de pleitbezorger voor de armen? Ja. Maar ook: Jezus, het Lam van God dat de zonde der wereld wegneemt? En dat die twee één zijn? Ik wil erkennen, dat wat de toekomst van de kerk betreft, dit laatste mij méér bezig houdt, ook méér bezorgd maakt, dan allerlei politieke kwesties die thans de kerk verdelen. Toch is dit laatste voor de toekomst van belang. Hoe zal de wending in de geloofs-aandacht en - richting, waarover wij het al hadden, zich tenslotte uitwerken in de kerk? Zal die wending blijven binnen de kaders van de gereformeerde religie, waarin zij ongetwijfeld ook thuis hoort, of zal zij steeds weer samenvallen en zich vereenzelvigen met allerlei - niet gering te schatten - stromingen, stelsels, idealen, acties, die ook de strijd voor een betere wereld in het vaandel hebben geschreven, maar die niet uit het evangelie van Christus, maar uit de mens zijn? Het antwoord op die vraag beslist in niet geringe mate ook over de toekomst van de gereformeerde kerken en niet alleen van haar. Want waar de ergernis van het Kruis van Christus geen punt meer is tussen kerk en wereld, als zij het over 'de rest' maar eens zijn, daar heeft het eigen bestaan van de kerk geen zin en dus ook geen toekomst meer die waard is om zich er zorgen over te maken.'
Het probleem dat in dit gesprek steeds weer om de hoek komt kijken is de vraag: Waarom in deze tijd van oecumene en veralgemenisering nog Gereformeerd? Ridderbos spitst dat toe op het punt van de prediking van de gekruisigde Christus. Maar de verbanden waarin deze prediking in de Schrift staat brengen met zich mee dat er meer aan de orde komt. Het is ook de vraag naar de verbondenheid met de religie van de belijdenis. Uit heel dit gesprek blijkt dat ook van de geref. kerken geldt wat Fiolet jaren geleden uitdrukte ten aanzien van de Hervormde kerk: Een kerk in onrust om haar belijdenis. Of onrust? Soms bekruipt je het gevoel dat overwegingen als die van Ridderbos nauwelijks nog meespelen in een tijd waarin alles op drift raakt. Toch is het goed dat we herinnerd worden aan deze onopgeefbare momenten uit de belijdenis van de kerk der eeuwen. Want het gaat om niets minder dan de rechte prediking in verband met wezen en roeping van de kerk in de wereld. Klaarheid hierover is in alle opzichten gewenst. De pluraliteitsgedachte die al meer ingang vindt binnen kerken zou trouwens wel eens kunnen betekenen de weg van de minste weerstand, nl. om de wezen-lijke ontmoeting rondom het Woord maar te ontwijken en de worsteling om de Waarheid en het verstaan ervan te ontvluchten.
***
De wereldraad en de politieke uitspraken
In EC van 30 sept. gaat prof. dr. D. C. Mulder in op het verwijt dat in Vancouver op de assemblee van de Wereldraad wel kritische uitspraken gedaan zijn over pohtieke situaties in het Westen, maar gezwegen wordt over Oost-Europa. Anders gezegd: wel kritiek op de VS en nagenoeg geen woord over de Sovjet Unie. Mulder wijst dit verwijt van de hand en wijst daartoe op de feitelijke situatie van de Wereldraad en met name de positie van de Russische kerk.
'Maar als de uitspraken zich richten tegen de machthebbers in de Sovjet-Unie dan verzetten de vertegenwoordigers van de kerken daar (niet alleen van de Russisch-orthodoxe kerk) zich er tegen. Dat gaat altijd wel in vrije stemming. Al vele malen heb ik meegemaakt dat de voorbereidende commissie geen uitspraak tegen de Sovjet-regering voorstelde maar dat vanuit de zaal zo'n uitspraak wel werd gevraagd. Bij de stemming heeft de commissie het tot nu toe steeds gewonnen. Dat betekent dat ook vele gedelegeerden van buiten het Oostblok met de commissie meestemden. Welke redenen hebben de vertegenwoordigers uit Rusland om zo'n houding aan te nemen? Mijn indruk is dat de volgende motieven meespelen. Soms treft men een onkritische houding aan tegenover de situatie in eigen land. Dan wordt alles goedgepraat wat er in de Sovjetmaatschappij gebeurt. Een dergelijke onkritische houding kan men ook elders in de wereld tegenkomen. Veel christenen blijken gevangen te zijn binnen de ideologische kaders die in het land van hun herkomst domineren. Zo kunnen Indonesische christenen het optreden van hun regering in Oost-Timor goedpraten, blanke christenen in Zuid-Afrika kunnen de apartheidspolitiek steunen en Amerikaanse christenen de politiek van Reagan ten opzichte van Midden-Amerika. Het kan niet worden ontkend dat dit voor de oecumenische beweging een enorm probleem is. Maar ik heb de indruk dat voor de meeste vertegenwoordigers van de kerken in Rusland (en in het Oostblok in het algemeen) een ander motief veel sterker speelt. Zij hebben de gruwelijke vervolging onder het regime van Stalin nog vers in het geheugen. Ze verheugen zich in de betrekkelijke rust waarin ze nu verkeren. Voor de orthodoxe kerk komt daarbij dat voor haar het allerbelangrijkste is dat de liturgie gevierd kan worden. Dat is voor haar om zo te zeggen de hemel op aarde. Bovendien staat de regering internationale contacten toe. Dat alles willen de kerken ginds niet op het spel zetten door kritische uitspraken te aanvaarden. Ze bewegen zichzelf behoedzaam binnen de ruimte die de politiek van de Sovjet-regering hun gunt.’
Nu zou men, aldus Mulder, hieruit kunnen concluderen: Laat de Wereldraad dan geheel en al zwijgen. Of: laat de Wereldraad zich niet storen aan de zorgen van de kerk van Rusland en onrecht, waar ook ter wereld, aan de kaak stellen (Afghanistan b.v.). Mulder wijst op een derde weg die de Wereldraad gaat:
‘De Wereldraad heeft tot nu toe de derde mogelijkheid gekozen: hij spreekt vrijelijk over wantoestanden in de meer of minder vrije wereld en hij spreekt niet of verhuld of in ieder geval heel voorzichtig over misstanden in de onvrije wereld. Een goed voorbeeld is de uitspraak van Vancouver over Afghanistan: de Wereldraad stelde zich achter het programma van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties dat insluit terugtrekking van alle militaire hulp en buitenlands troepen (ook de Sovjettroepen) en een vreedzame oplossing van het conflict. Maar voor een veroordeling van Sovjet-Rusland in Afganistan, ofschoon dit bij motie werd voorgesteld, voelde de meerderheid van de gedelegeerden niet omdat zij wist dat dit een terugslag kon hebben op de kerken ginds. Helemaal bevredigend is die derde weg natuurlijk niet. De moed die zwarte leiders uit Zuid-Afrika wel opbrengen - en zij nemen daarbij grote risiko's - vindt men bij de kerkelijke leiders in Sovjet-Rusland niet. Maar dan blijft het feit dat wij in het Westen gemakkelijk spreken hebben. Ik ben geneigd te concluderen: laten wij ons niet (ook weer eenzijdig!) al te druk maken over wat de Wereldraad gemeend heeft niet te kunnen zeggen, laten we liever nauwkeurig luisteren naar wat hij wel gezegd heeft...’
Ik denk dat we allen begrip kunnen hebben voor de moeilijke positie van de kerk in de Oostbloklanden. Dat de wereldraad die positie niet in gevaar wil brengen door krasse uitspraken waar men daar (en niet hier) de pijn van moet dragen is diplomatiek gezien verstaanbaar en kan getuigen van wijs beleid. Maar er blijven toch vragen over: Als men voor deze weg kiest, welke betekenis hebben dan nog deze kerkelijke uitspraken? De kerk dient toch profetisch te spreken, en dat is wat anders dan diplomatieke omzichtigheid betrachten. Kan men dat niet, moet er dan niet gezwegen worden? In de tweede plaats krijgen we dan toch de bijna ironische situatie dat de Wereldraad misstanden in de westerse wereld kan veroordelen, dankzij de vrijheid die in dat Westen heerst. Zou dat in ieder geval de toon niet moeten beheersen in die zin dat men wat bescheiden spreekt en b.v. ook eens de vrijheid die er in de VS en de westerse wereld bestaat dankbaar erkent? In de derde plaats: Loopt men met de stellig goedbedoelde derde weg toch geen gevaar dat deze eenzijdige uitspraken propagandistisch uitgebuit worden door diegenen over wie men zwijgt? Anders gezegd: wordt het effect van dit eenzijdige spreken niet onderschat? En roept men toch onbedoeld niet het verwijt op van selectieve verontwaardiging? Dat zou een conclusie kunnen zijn, juist als men zorgvuldig luistert naar wat de Wereldraad wel zegt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's