Luther en de school (5, Slot)
Luther ziet de betekenis van het onderwijs vooral geconcentreerd in de toerusting tot regeren.
'Democratisering'
Luther merkt op dat er een zekere 'democratiserende' werking vanuit gaat als er bekwaam opgeleide mannen uit het volk betrokken raken bij het wereldlijk bestuur. Het gaat hier echter wel om een heel andere 'democratisering' dan wij tegenwoordig wel gewend zijn. Deze komt niet voort uit een menselijk streven naar zelfbeschikking en macht, maar is Gods eigen handwerk. Luther stelt vast dat de meesten die tot een overheidsambt geroepen worden van een geringe komaf zijn. God wil ze echter in Zijn bestuur van de wereld gebruiken. Ook daarin ziet Luther een bewijs van Gods wonderlijk handelen, dat uitkiest wat niets is om wat iets is teniet te maken. Hij zegt het in het volgende treffende citaat als volgt: 'Zo moeten wij weten dat God een wonderlijk Heere is. Zijn handwerk is uit bedelaars heren te maken, zoals Hij uit niets alle dingen maakt. Zulk handwerk zal Hem niemand weerleggen of verhinderen. Hij laat het juist heerlijk in de hele wereld van Zich zingen in psalm 111 'Wie is als de Heere, Die zo hoog zetelt en toch zo laag neerziet? Die de geringen opricht uit het stof en de armen verhoogt uit de dood. Dat Hij hem laat zitten onder vorsten, ja onder de vorsten Zijns volks'. Zie nu voor je hoe aan alle hoven van koningen en vorsten en in de steden en parochies dit geldt, of niet deze psalm daar regeert? Dan zul je vinden juristen, doctoren, raadsheren, schrijvers en predikers, die meestal arm geweest zijn en toch zeker allemaal scholieren geweest zijn en door de veder zo omhoog geschoten zijn en opgeklommen, dat ze heren zijn, zoals deze psalm zegt, en net als vorsten land en mensen helpen regeren. God wil het niet hebben dat geboren koningen, vorsten, heren en adel alleen zullen regeren en heersen. Hij wil ook Zijn bedelaars erbij hebben. Zij dachten dat alleen maar de edele geboorte heren en regenten maakte, en niet God alleen'. Zo kunnen eenvoudige kinderen, die goed onderwezen worden op de scholen door God geroepen en gebruikt worden tot machtige werken. Was Luther er zelf niet één van? En zeker niet de minste, want wat een machtig werk heeft God gedaan door deze eenvoudige mijnwerkerszoon. Zo vertelt Luther ergens van een rector van een school, waar hij zelf op gezeten had, die telkens bij het binnenkomen van de klas zijn baret afnam voor zijn leerlingen, uit respect, 'omdat God velen van hen tot een burgemeester, kanselier, doctor of regent zou kunnen hebben bestemd'. Zo moet de wijsheid, die via de school verworven wordt, de wereld regeren, zoals Luther in zijn tafelgesprekken eens gezegd heeft: 'Opvoeding, wijsheid en de schrijvers moeten de wereld regeren. Als God eens in Zijn toorn alle geleerden uit de wereld zou wegrukken, wat zouden de overige mensen dan anders zijn dan wilde dieren? Ook het recht en zelfs het Woord zijn niets zonder de rechtsgeleerden en predikers wier werken God benut. Als de wijzen er niet zijn door het Woord en de wetten, dan hebben beren, leeuwen, geiten en honden het wereldlijk regiment in handen en staan ze aan de spits in de regering van het huishouden'. Uit dit alles blijkt dus dat Luther de betekenis van het onderwijs vooral geconcentreerd ziet in de toerusting tot regeren. Dat de scholen ook in vele andere opzichten tot zegen en verrijking kunnen zijn is hij zich wel bewust, maar hij werkt dat in zijn geschriften niet verder uit. Hij schreef dan ook niet om een uitgewerkt schoolprogramma te geven of het onderwijs in al zijn facetten te belichten. Zijn pleidooi kwam voort uit de dringende noodzaak, die hij zag, dat er zowel in het geestelijke als in het wereldlijke regiment mensen moesten zijn, die God van harte dienstbaar zouden wezen, om te prediken en te regeren. Wij kunnen dan ook met O. Scheel zeggen: 'De opvoeding tot heersen wordt de hoogste prestatie en de voornaamste opgave van de school op wereldlijk gebied. Luther verlangt niet van de school, dat zij velerlei weten bijbrengt, maar wel dat zij wijsheid geeft en vaardigheid tot een verantwoordelijk regeren ontwikkelt. Wie heersen moet, hetzij in de raad of in huis, over onderdanen, gezellen en gezinnen, die moet ontwikkeling hebben. (...) De school die tot heersen opleidt is de school die tot wijsheid en verantwoordelijkheid opvoedt'.
De praktijk
Luthers geschriften zijn dus geen aanwijzingen voor de concrete invulling van programma's voor scholen van zijn tijd. In veel opzichten sluit hij aan bij de reeds bestaande humanistisch hervormde schooltypen.
Wat hij van de vernieuwing van het onderwijs merkt maakt hem enthousiast. Het gaat er op de scholen veel positiever aan toe als toen hij zelf nog leerling was, constateert hij met vreugde. 'Het is toch alles nu door Gods genade zo ingericht dat de kinderen met lust en spelend leren kunnen, het maakt niet uit of het om talen of andere wetenschappen of geschiedenissen gaat. Het is nu niet meer de hel en het vagevuur van onze scholen, waarin wij gemarteld zijn over casus en tempora (Luther bedoelt hier de overtuiging en vervoeging van de werkwoorden in de grammatica, wat in zijn tijd het voornaamste vak was, dat met veel slaag en barbaarse straffen werd ingeprent) waarbij wij toch niets geleerd hebben van zoveel slagen, sidderen, angst en jammer'. Al spreekt Luther in zijn geschriften voornamelijk over de talen die op de scholen onderwezen moeten worden, toch weet hij ook van het belang van de andere vakken, zoals geschiedenis, maar ook zingen en muziek, mathematica, geometrie en astronomie. Luther noemt dit alles kinderspel dat met vreugde geleerd kan worden. Hij is eigenlijk een beetje jaloers op de kinderen, dat hij niet de kans gekregen heeft die zij wel hebben, nu de scholen vernieuwd zijn. Hij wilde wel dat hij ook zoveel dichters en geschiedenis had kunnen lezen. 'In plaats daarvan heb ik duivels drek moeten lezen, de filosofen en sofisten (hij bedoelt de middeleeuwse scolastici met hun vaak spitvondige en ingewikkelde redeneringen) met veel moeite en arbeid en schade, zodat ik genoeg ermee te doen heb om het kwijt te raken'.
Het is ook een hele verbetering dat men niet meer helemaal in een schoolgemeenschap behoefde te zijn opgenomen om te kunnen leren. Dat was vroeger wel het geval geweest, bij de kloosterscholen. De leerling hoeft nu echter niet meer uit zijn normale leefsituatie te worden weggehaald, maar kan onderwijs ontvangen op een school die hij per dag een uur of twee bezoekt. De meisjes hadden kennelijk toch minder nodig, want Luther vindt dat zij er best één uur per dag voor vrij kunnen maken. Daarnaast kunnen de jongens en meisjes hun dagelijks werk doen en ook nog spelen. Zo behoort de school bij het normale dagelijkse leven als een geïntegreerde zaak, tussen spelen en werken in. De ouders worden zo ook niet boven mate belast als zij hun kinderen laten leren, want die kunnen daarnaast ook nog de kost verdienen en in het huishouden werken. Maar zo worden ze dan toch, anders dan voorheen, tot verantwoordelijke mensen gevormd, om God te gehoorzamen op de plaats waar Hij ze gesteld heeft. Het spreekt vanzelf dat diegenen die als een keur van de jeugd opgeleid worden tot een hoger ambt ook intensiever onderwijs zullen moeten ontvangen. Maar dit is de winst van de nieuwe ontwikkehng, dat goed onderwijs binnen het bereik komt van de gewone mensen, ja zelfs een opdracht wordt voor ouders en overheden, om er zorg voor te dragen. Het is niet langer meer een elite-zaak.
Goede boeken
Luther besluit zijn oproep aan de raadsheren van de duitse steden met een behartenswaardige raadgeving om ten dienste van het onderwijs bibliotheken aan te leggen met goede boeken. Kosten noch moeite mogen gespaard worden om die tot stand te brengen. Wie dit verzuimt, die zal het duur moeten betalen. Luther ziet dit verzuim ook in de geschiedenis van de kerk. De goede boeken werden vergeten. En wat was het gevolg? 'Toen handelde God ook van Zijn kant en liet in plaats van de Heilige Schrift en goede boeken die Aristoteles komen met ontelbare schadelijke boeken, die ons maar steeds verder van de bijbel wegvoerden, en daarbij die duivelsgedrochten, de monnikken en de verblinding van de Hoge scholen. (...). Is het niet een ellendige jammer tot nu toe geweest, dat een knaap 20 jaar of langer heeft moeten studeren, alleen maar om zoveel slecht latijn te leren dat hij priester kon worden en mis kon lezen? ' Dat is nu alles het loon van verachting van de goede boeken. Daarom moeten er met zorg bibliotheken worden samengesteld. Het gaat er niet eens om dat er veel boeken zijn, als het maar goede en waardevolle studiewerken zijn. Welke boeken horen daar dan bij? In de eerste plaats natuurlijk: de Bijbel, in de grondtalen, in het duits en ook in andere vertalingen. Daarnaast grammaticaboeken om de talen te leren beheersen. Of het heidense zijn of christelijke dat maakt niet uit, als ze de taal maar begrijpelijk maken. Verder moeten er studieboeken zijn voor de andere vakken, de vrije kunsten, en tenslotte ook rechtskundige en medische boeken. Tot de voornaamse boeken die niet ontbreken mogen behoren ook de kronieken en historieën. Deze vindt Luther zo belangrijk, omdat ze ons de loop van de wereld leren kennen en ons leren regeren, ja ze laten Gods wonderen en werken zien. Het spijt Luther geweldig dat er zo weinig duitse geschiedenissen zijn. Er is niets opgeschreven en bewaard.
Als hij dan ziet naar de grieken en romeinen en hebreeën, dan verzucht hij: 'Daarom weet men van ons duitsers ook niets in andere landen; wij moeten wel in heel de wereld de duitse beesten heten, die niets anders kunnen dan vechten, vreten en zuipen' . Hij eindigt dan ook met de hartelijke raad: 'Omdat dan God nu zo genadig raad voor ons verschaft heeft, met alle volheid der wetenschappen, geleerde mensen en boeken, zo is het tijd, dat wij oogsten en het beste binnenbrengen, wat we kunnen en schatten verzamelen, opdat wij van deze gouden jaren iets voor de toekomst bewaren en niet deze rijke oogst voorbij laten gaan' .
Tenslotte
Wij hebben hierboven, in deze artikelen, vooral Luther zelf aan het woord gelaten. Op een pakkende manier wist hij ons te zeggen hoezeer de zaak van het onderwijs hem op het hart gebonden was omwille van de dienst van God, in kerk en wereld. Al is het merkbaar dat hij schreef voor zijn tijd, toch is het duidelijk dat vele raadgevingen en vermaningen ook door ons dankbaar mogen worden aangenomen. Wij zeiden al dat zijn bemoeienis met de vragen van het onderwijs verstaan moest worden, zoals het door hemzelf verstaan is, als dienst aan het Woord des Heeren. Moge die dienst ook op de scholen van nu de voornaamste doelstelling zijn. Dan zullen het ook werkelijk christelijke scholen zijn.
Wij beëindigen deze artikelen met het slot van Luthers preek uit 1530, waaruit nog een keer blijkt hoezeer hij zijn woorden zag als een profetisch getuigenis. Moge zijn profetisch getuigenis niet alleen tot zegen zijn geweest voor de duitersers toen, maar ook over alle eeuwen heen voor ons nu. 'Welaan, gij lieve Duitsers, ik heb u genoeg gezegd, gij hebt uw profeet gehoord. God geve ons dat wij Zijn Woord volgen, tot lof en dank van onze lieve Heere. voor Zijn dierbaar bloed voor ons zo mild geschonken, en Hij behoede ons voor de gruwelijke laster van de ondankbaarheid en het vergeten van Zijn weldaad. Amen.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's