Luther als hoogleraar
Als hoogleraar had hij zeker drie maal in de week te preken. Het verschil tussen katheder en kansel was voor hem niet zo groot.
De universiteit van Wittenberg
Politieke oorzaken kunnen grote kerkelijke gevolgen hebben. Dat geldt ook voor Luther en het ontstaan van de Reformatie. Het levenswerk van Luther is immers nauw verbonden met Wittenberg, waar hij naar de mens gesproken nooit gekomen zou zijn als daar niet een universiteit gevonden werd, waaraan hij als hoogleraar werkzaam was. Hoe is deze universiteit daar ontstaan? Om deze vraag te beantwoorden, moeten wij even terug naar de 15e eeuw. Sinds de twintiger jaren van deze eeuw regeerden over het Saksische land hertogen uit het Huis Wettin. Hertog Ernst, die als oudste tevens de waardigheid van keurvorst bezat, kwam evenwel met zijn broer Albrecht overeen het ene land in tweeën te Splitsen, zodat elk voor zich en zijn nageslacht een eigen gebied zou hebben. Deze splitsing, bekend als de Leipziger deling, vond plaats in augustus 1485. Hertog Albrecht resideerde in Dresden. Zijn neef Frederik III, bijgenaamd de Wijze, die al in het jaar 1486 geroepen werd zijn vader Ernst (overleden ten gevolge van een val van zijn paard) op te volgen, koos zich als zijn residentie Wittenburg uit. Deze keuze lag helemaal niet voor de hand, daar hij over veel aanzienlijker steden beschikte, die veel eerder in aanmerking kwamen als residentiestad: Weimar, Gotha, Coburg of Torgau-Maar het werd Wittenberg, om redenen die niet bekend zijn. U moet nl. weten, dat Wittenberg in die jaren een heel onbeduidend stadje aan de Elbe was, met nauwelijks 2000 inwoners. Luther vond in 1508, dat de mensen daar 'aan de grenzen van de beschaving woonden'. Nog even verderop of het waren barbaren!
Keurvorst Frederik nu was van oordeel, dat zijn land ook een universiteit moest bezitten. Er was er wel één in Leipzig (gesticht begin 15e eeuw), maar Leipzig behoorde tot het 'andere'-Saksen. In 1502 was het zover: de universiteit van Wittenberg werd gesticht. Keizer Maximiliaan verleende alle rechten der oude universiteiten en na vijf jaar werd ook pauselijke goedkeuring verkregen.
Er waren 22 hoogleraren. Twaalf van hen genoten hun inkomsten uit de prebenden van de Allerheiligen Stiftskerk, tevens slotkerk. Drie kwamen eenvoudigweg voor rekening van de twee kloosters in Wittenberg: dat van de Franciscanen en dat van de Augustijner Heremieten. De zeven overigen waren voor rekening van de vorst. Eerste rector werd een medicus, tevens lijfarts van Frederik, Martin Polich uit Mellerstadt. Er waren vier faculteiten: die van de vrije kunsten die, zoals gebruikelijk in die dagen de betekenis had van een 'onder bouw'. Men had ongeveer vier jaar nodig om daar af te studeren, hetgeen de titel van magister artium opleverde. Daarna kon men zich verder bekwamen in de theologie, de rechten of de medicijnen.
Frederik spande zich in om bekwame hoogleraren aan te trekken, wat hem ook wel gelukte. De al genoemde Polich was in zijn tijd een bekend man. Ook de jurist Christoph Scheurl, die in Bologna had gedoceerd, was niet de eerste de beste. Maar ook voor de theologische faculteit wist hij begaafde mannen naar Wittenberg te halen. De meest bekende is Johannes von Staupitz, die de 'lectura in Biblia' te verzorgen kreeg: de colleges in de verklaring van de Heilige Schrift.
Het boeiende van deze jonge universiteit was, dat de beoefenaars van de wetenschap aldaar zich niet gebonden voelden aan oude tradities en systemen, want die kende Wittenberg niet. Maar ook stond men veel vrijer tegenover het hele middeleeuwse scholastieke leersysteem. Een nieuwe tijd klopte aan de deur: het humanisme, dat zo sterk pleitte voor eigen, zelfstandig onderzoek en bestudering van de bronnen, vroeg toegang. En het bijzondere van Wittenberg was, dat het hier ook toegang kréég. Zo kon bijv. in Wittenberg, in de medische faculteit in 1526 de eerste sectie van de menselijke schedel worden verricht.
Het was in deze open, frisse atmosfeer, dat Luther werkte, doceerde en predikte. Elder zou hem dat wellicht al spoedig onmogelijk zijn gemaakt. En de keurvorst (al heeft hij Luther nooit persoonlijk ontmoet) heeft het altijd voor hem opgenomen en hem beschermd.
Luther gedoctoreerd
Maar hoe leidde nu Luthers weg naar Wittenberg?
In januari 1505 had Maarten Luther de graad van magister artium behaald. Nu kon hij dus doorstuderen. Mede op aandrang van zijn vader, die al een rijke bruid voor zijn zoon in petto had en hem al zag als raadsheer in de een of andere stad, zou hij zich verder bekwamen in de rechten. Maar het liep anders. Nauwelijks met deze studie begonnen ging Luther het klooster in. Zo richtte hij, monnik geworden en naderhand tot priester gewijd, zich op de studie van de theologie. Nog geen 25 jaar kreeg Luther de opdracht om als lector tijdelijk college te gaan geven in de moraalfilosofie aan de universiteit van... Wittenberg, waar toen zo'n 300 studenten waren ingeschreven. Als magister artium had hij daartoe de bevoegdheid. Zo verliet Luther het hem vertrouwd geworden Erfurt, om in een heel nieuwe en onbekende omgeving een zware opdracht te gaan vervullen. Hij moest vier dagen per week een vol uur college geven (behandeld werd de ethiek van Aristoteles) en drie avonden per week was hij betrokken bij de disputaties van de studenten. Disputeren, stellingen poneren en bestrijden was een onmisbaar onderdeel in de vorming van de student in die dagen. En ondertussen moest Luther hard doorstuderen in de theologie. Na een jaar, in oktober 1509, keerde hij weer naar Erfurt terug. Eind 1510 kreeg hij opdracht naar Rome te reizen. In april 1511 was hij weer in Erfurt. Inmiddels had Von Staupitz, Luthers overste, zijn plannen gereed. Hij had te veel om handen om zijn hoogleraarschap in Wittenberg waar te maken. Hij wilde aftreden en Maarten Luther bij de keurvorst voordragen als zijn opvolger. Maar dan moest Luther wel eerst tot doctor in de theologie promoveren. Al wel eerder had Von Staupitz daarop bij Luther aangedrongen. Luther vertelt het zelf zo: ' Mijn prior Staupitz zat eens te broeden onder de pereboom die nu nog midden in mijn tuin staat. Eindelijk zei hij tot mij: mijnheer de magister, gij moet de doctorsgraad verwerven, dan krijgt ge wat te doen. Vier jaar later is dat bewaarheid. Toen hij voor de tweede keer onder dezelfde pereboom er met mij over sprak en ik tegenstribbelde en allerlei bedenkingen had, vooral omdat ik me helemaal niet goed voelde en dacht wel niet lang meer te zullen leven, antwoordde Staupitz: Weet ge niet, dat onze Heere God heel veel te doen heeft? Hij heeft veel verstandige, wijze mensen nodig, die Hem raad geven. Als ge werkelijk sterft, zult ge zijn raadgever in de hemel worden. Op dat moment begreep ik niet dat deze profetie zo vervuld zou worden als het gebeurd is. Vier jaar later begon ik immers mijn strijd tegen de paus en het pausdom'. Zo werd Luther gedwongen zich op zijn promotie voor te bereiden. Hij moest immers zijn chef eenvoudigweg gehoorzamen. Nee, Von Staupitz zelf zag geen kans nog langer als hoogleraar door te gaan. Hij had pas zijn colleges over het boek Job afgebroken met de opmerking: 'Ik houd er maar mee op, want ik heb de indruk dat die arme Job door mijn uitleggingen nog erger gemaltraiteerd wordt dan bij zijn leven door zijn vrienden geschiedde'. Luther bereidde zich nog een jaar voor.
Maar aan een promotie zijn kosten verbonden. Dat is nu, dat was toen. Het klooster had geen middelen beschikbaar. Niet tevergeefs werd een beroep op de keurvorst gedaan, die de voor die tijd grote som van vijftig guldens beschikbaar stelde. Echter wel onder een voorwaarde: Martinus moest dan wel zijn leven lang de 'lectura in Biblia' aan de theologische faculteit van zijn universiteit verzorgen! 17 Oktober 1512 was het zover. 's Avonds begonnen de plechtigheden die de volgende dag werden voortgezet, waarbij Luther de doctorale waardigheid verwierf. Promotor was Andreas Bodenstein von Karlstadt. Bij deze gelegenheid moest hij de eed afleggen, dat hij geen ijdele, vreemde, door de Kerk veroordeelde en voor vrome oren aanstotelijke leer zou voordragen, integendeel een ieder bij wie hij deze zou ontdekken, zou aanbrengen bij de decaan.
Op deze eed heeft Luther zich later meermalen beroepen: hij wist zich als 'gezworen doctor der Heilige Schrift' verplicht het voor de Schrift en haar boodschap op te nemen, zelfs al kwam hij daardoor vierkant tegenover de leer van de kerk te staan. Het was een bijzonderheid dat Luther op 28 jarige leeftijd reeds doctor in de theologie was geworden. In Erfurt werd men pas tot de promotie toegelaten als men de 50 was gepasseerd! Enkele dagen na zijn promotie werd Luther als hoogleraar in de senaat opgenomen.
Op katheder en kansel
Op maandag 25 oktober 1512, 's morgens om zeven (!) uur begon Luther met zijn colleges, die waarschijnlijk gingen over Genesis. Naderhand behandelde Luther de Psalmen, de brief aan de Romeinen, die aan de Galaten en die aan de Hebreeën. Deze laatste in de cursus 1517/1518, waarin de zo bekend geworden datum 31 oktober valt, de dag dat Luther zijn 95 thesen aansloeg aan de deur van de slotkapel, die tevens dienst deed voor alle universitaire plechtigheden. Het is in verband met de voorbereiding op zijn colleges geweest, dat Luther struikelde over het woord 'gerechtigheid'. Hij kwam het tegen in de Psalmen en ook aan het begin de Romeinenbrief (1 : 17). Naar de trant van de theologie van zijn dagen kon hij daar moeilijk iets anders in zien dan de gerechtigheid waarmee God beloont en straft. Maar vooral straft, omdat de mens zo zondig en verwerpelijk is.
Luther haatte dat woord gerechtigheid, zo vertelt hij later. Hij kwam erdoor in de grootste benauwdheid en de wanhoop nabij. Totdat hij ineens Paulus' bedoeling ontdekte: niet Gods rechtvaardige wedervergelding is bedoeld, maar de gerechtigheid die God de gelovige toerekent. Gerechtigheid is dus een diepzinnige uitdrukking voor de genade Gods. 'Ik had het gevoel alsof ik wedergeboren was en door open poorten het paradijs was binnen gegaan. Direct zag de gehele Schrift mij volkomen anders aan. En zozeer als ik eerst dat woord 'gerechtigheid Gods' gehaat had, zo lief kreeg ik het nu als het woord, dat mij het dierbaarste geworden was. Zo werd deze tekst van Paulus voor mij werkelijk de poort van het paradijs.'
Een groot aantal van Luthers collegedictaten en van zijn eigen aantekeningen is bewaard gebleven, helaas niet alles. Sommige zijn eerst aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw teruggevonden.'Daar zouden interessante verhalen over te vertellen zijn. Eén collegedictaat werd bijv. gevonden in de bibliotheek van de Vaticaan! Het was destijds uit Heidelberg meegenomen of gestolen.
Het vereist jarenlange bestudering eer zo'n dictaat van een der studenten of Luthers eigen aantekeningen uitgegeven kunnen worden. Maar aan de hand van de colleges uit de eerste zes, zeven jaren van Luthers hoogleraarschap is na te gaan hoe hij meer en meer losraakte van de middeleeuwse scholastieke theologie en toegroeide naar een bijbelse theologie.
Zijn colleges waren dan ook volstrekt geen droge voordrachten, maar werden gegeven in een directe betrokkenheid op hetgeen geschreven staat.
Ook van de oude methode die men sinds de middeleeuwen kende, de zgn. quadriga, zo genoemd omdat men meende dat de Schrift een viervoudige zin heeft, raakte Luther los.
Aanvankelijk kende hij nauwelijks Grieks en Hebreeuws. Gezaghebbend was immers de Vulgata, de vertaling van de Bijbel in het Latijn.
Die achterstand heeft Luther wel ingehaald. Zodra Erasmus' uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks was verschenen en hij een exemplaar in handen had gekregen, ging hij het gebruiken. Luther was toen bezig (1516) met colleges over de brief aan de Romeinen. Deze toelichting op de Romeinenbrief is naar het oordeel van de befaamde Luther-kenner Karl Holl Luthers geniaalste en tot nog toe niet overtroffen prestatie! Als hulpmiddelen gebruikte Luther alles wat hem maar ten dienste stond: de commentaren van Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius, Augustinus, Nicolaas van Lyra, Paulus van Burgos. Maar zij bevredigden hem niet. Hij ging dan ook steeds meer een eigen weg. Wie de reeks van Bijbelboeken overziet, die Luther op colleges behandeld heeft, is verwonderd over zoveel werkkracht. Behalve de Bijbelboeken die reeds werden genoemd heeft hij vers voor vers behandeld: 1 Johannes, 1 Petrus, 1 Timotheus, Titus, Deuteronomium, Richteren, Prediker, Hooghed, Jesaja en de 12 kleine profeten. Met zijn breedsprakigheid, waarover hij zelf eens klaagde, zal het wel meegevallen zijn! En dan al dat andere dat hij moest doen. De brief aan de Galaten heeft hij driemaal behandeld. Daar was hij bijzonder op gesteld. In 1532 verklaarde hij: 'De brief aan de Galaten is mijn brief waarmee ik getrouwd ben; hij is mijn Kathe von Bora'.
Ook valt op, dat veel meer boeken van het Oude Testament werden behandeld dan van het Nieuwe Testament. Dat hangt waarschijnlijk samen met het feit, dat zijn collega Philippus Melanchton voornamelijk de boeken van het Nieuwe Testament op zijn colleges behandelde. Bovendien bracht het pericopen-stelsel met zich mee, dat bijna uitsluitend het Nieuwe Testament teksten bood voor de prediking. En Luther heeft wat gepreekt! Er zijn op grond van stenografische notities maar liefst ruim 2.000 preken van hem bekend en dat is nog lang niet alles. Als hoogleraar had hij zeker drie maal in de week te preken. Het verschil tussen katheder en kansel was voor hem niet zo groot. De colleges waren doorgaans direct en persoonlijk en in de preken richtte hij zich soms nadrukkelijk tot de studenten. Je zou Luther eigenlijk wel de eerste hoogleraar in het Oude Testament kunnen noemen. Het is ook treffend dat hij nimmer de dogmatiek heeft gedoceerd, maar zich altijd heeft beziggehouden met de 'lectura in Bibha', de uitleg van de Bijbel(boeken).
Tot Luthers wetenschappelijke arbeid behoorde ook het disputeren, zowel tot oefening voor de studenten als ook de disputatie voor de promovendus. Het gebruik van die tijd wilde immers, dat de promotor de stellingen (theses) opstelde, die dan door de promovendus verdedigd moesten worden. Twee lijvige delen van de grote Weimar-uitgave omvatten de disputaties door Luther gehouden na 1533!
Nog weer een ander onderdeel van zijn wetenschappelijk werk was de vertaling van de Bijbel en later de revisie hiervan. Ook daaraan had hij zijn hart verpand en hij heeft er ongelofelijk veel tijd aan besteed.
Rijk is Luther van dit alles niet geworden. Voor geen van zijn geschriften wilde hij ooit een cent ontvangen. Als hoogleraar had hij geen slecht traktement, toch kwam hij altijd geld tekort. En dat kwam niet doordat hij niet met geld kon omgaan, maar om de eenvoudige reden, dat zijn pastorie (het Zwarte Klooster) een herberg was voor talloze gasten en vreemdelingen, studenten en bezoekers uit verre streken, die allen gastvrij werden onthaald.
In 1535 stelde Luther nog weer een keer het boek Genesis op college aan de orde. Hij zou dit boek deze keer heel breed behandelen. Hij voorvoelde: 'Dit zal mijn laatste werk zijn; daarmee zal ik, als het God behaagt, mijn leven afsluiten'.
En toen hij op 17 november 1545 gereed was, sloot hij af met de woorden: 'Dat is nu de lieve Genesis. Onze Heere God geve, dat anderen na mij het beter doen. Ik kan niet meer, ik ben op. Bidt God voor mij, dat Hij mij een goed, zalig einde (Stündehn) verlene'. In januari 1546 moest hij nog de moeilijke tocht naar Eisleben ondernemen, de stad waar hij was geboren, teneinde een ruzie tussen de graven van Mansfeld te helpen beslechten. Daar ging hij op de 18e februari in tot het eeuwige leven.
Na een plechtige rouwdienst werd Luther in de slotkerk van Wittenberg begraven. En het waren enkelen van zijn studenten die de kist met het ontzielde lichaam van hun onvergetelijke leermeester neerlieten in een graf naast de kansel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's