De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Luther als christen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Luther als christen

12 minuten leestijd

Ik ben niet vroom, maar Christus is vroom.

Wie was Luther? Welk antwoord er ook gegeven moge worden op deze vraag, één ding staat voor alles en boven alles vast: hij was christen. AI het andere wat hij geweest is en betekend heeft in zijn leven en werken kon er alleen zijn omdat dit het geheim en de grond van zijn leven was. Wat betekende het voor hem een christen te mogen zijn? Laten we luisteren wat hij zelf daarvan gezegd heeft op drie beslissende momenten van zijn leven.

1. DE GERECHTVAARDIGDE GODDELOZE

Christen zijn. Vele jaren heeft hij er met hart en ziel naar gejaagd het te mogen zijn. Geen moeite, geen tuchtiging, was hem te veel om zijn vlees en geest tot het volmaakte te dwingen. Als hij Hem maar gelijkvormig was, Jezus Christus, naar de eis van Zijn gerechtigheid. Om straks zonder verschrikken te mogen verschijnen voor Zijn rechterstoel. Als Christus hem vragen zou: heb je naar mijn geboden geleefd? Maar hoe meer hij probeerde om christen te zijn, des te groter voelde hij in dodelijke gewetensangst de afstand worden tussen Christus' heiligheid en zijn eigen verdoemelijke leven. Deze ongelijkvormigheid deed hem het ergste vrezen voor dat moment, dat aanstaande was, waarop de Rechter Christus in strenge gerechtigheid gezien zou worden met Zijn zwaard, zittende op de regenboog.

Luther als christen? Jarenlang is het voor hem de grootste onmogelijkheid geweest. Het leek er niet op. En daarom heeft hij Christus haast net zo gevreesd als de duivel. Je kunt toch geen christen heten, met een gerust hart, als je veel liever maar niet van Hem hoort en de neiging gevoelt om van Hem weg te vluchten? In deze ondraaglijke spanning heeft Luther in zijn eerste kloosterjaren geleefd. Voor de buitenwereld goed op weg om voorbeeldig christen te zijn. Maar innerlijk was hij vol dodelijke onrust. De gerechtigheid van een christen ontbrak hem al te zeer.

De poort van het paradijs

Op een dag zit hij alleen in de toren van het klooster. Wanneer het was weten we niet, maar dat het gebeurd is weten we zo zeker als wat, want hij raakt er heel zijn verdere leven niet over uitgesproken, over het wonder dat hem gebeurde. Luther is bezig met de voorbereiding van een college dat hij moest geven over psalm 31. Er brandt een vuur in de kille torencel. Maar laaiender is het vuur dat brandt in zijn hart. Hij kan er maar niet uitkomen, wat hij leest: 'Redt mij door Uw gerechtigheid'.

Hoe kan dat toch, dat de psalmist nu juist van Gods gerechtigheid redding verwacht? Dat woord 'gerechtigheid' alleen al doet Luther ineenkrimpen. Want dat is de gerechtigheid waarin de rechtvaardige God de goeden beloont en de kwaden straft. En zou die hem, Maarten Luther, in alle aanklacht van ongerechtigheid dan ooit kunnen redden? Wat is dan toch de gerechtigheid Gods? Zal dit woord hem dan altijd angst blijven aanjagen? Maar dan gebeurt het wonder. Hij vindt het schriftwoord van Romeinen 1 : 17: De rechtvaardigheid Gods wordt in het Evangelie geopenbaard'. Beter gezegd, dit woord vindt hem en zet hem in een vrijheid en vrede die alle verstand te boven gaat. Aan het einde van zijn leven, in 1545, als hij nog eens over deze ontdekking schrijft, klinkt de vreugde en verrukking nog door over dit wonder. Hij schrijft: Ik was door een wonderbare gloed gegrepen om Paulus te begrijpen in de Romeinenbrief. Alleen één woord had tot nu toe in de weg gestaan: "De gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard''. Ik haatte namelijk dit woord "gerechtigheid Gods", omdat ik naar gebruik en gewoonte van alle kerkleraars onderwezen was om het filosofisch te verstaan van de formele of actieve gerechtigheid, waarin God rechtvaardig is en de zondaren en onrechtvaardigen straft.' Maar God neemt de sluier weg. En ineens ziet hij de samenhang: De gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard zoals geschreven staat: de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Toen begon ik de gerechtigheid Gods te leren verstaan als de gerechtigheid waarin de rechtvaardige door Gods geschenk leeft, en wel uit het geloof, en ik begon te begrijpen dat dit de betekenis is, dat door het Evangelie de gerechtigheid Gods geopenbaard wordt: namelijk de passieve, waardoor God rechtvaardig maakt door het geloof, zoals geschreven staat: "De rechtvaardige leeft uit het geloof''. Hier voelde ik me volledig nieuw geboren en het was alsof ik door geopende poorten het paradijs zelf binnengetreden was'.

De wonderlijke ruil

Deze ontdekking was niet alleen maar een nieuw exegetisch inzicht, maar gaf ook een totaal ander zicht op Christus. Die werd hem nu voor de rest van zijn leven lief boven alles en allen. Want de gerechtigheid die God geeft is de gerechtigheid die Hij in Christus schenkt, die door Hem tot stand is gebracht, en waar goddelozen in delen mogen om niet.

En zo komt ook het christen-zijn in een heel ander licht te staan. Het is niet de onmogelijke arbeid om zich op te werken naar de gerechtigheid die Christus in Zijn gestrengheid eist, maar het bevrijde leven uit de gerechtigheid die Hij in het geloof schenkt. Christus werd voor hem een totaal Andere, Een in Wie hij zich met al zijn ongerechtigheid en met een aanklagend hart verbergen mocht, als in een rots van heil. Het diepe geheim van het christen-zijn ligt niet in een behaalde hoogte van volmaaktheid, als die van Christus, maar in de wonderlijke genadige ruil. 'Ik ben van Hem en Hij van mij, ik Zijn gerechtigheid en Hij mijn zonde.' Zo is de christen de mens die als goddeloze gerechtvaardigd wordt. Juist dat hij in zichzelf totaal niet is als Christus, dat doet hem uit Christus leven.

Zo vermaant hij in een brief een broeder om ervan af te zien zijn christen-zijn te zoeken in de ijver van de goede werken. Hij schrijft: 'Ik heb zelf ook in die waan, ik mag wel zeggen waanzin, geleden. Zelfs nu heb ik de strijd nog niet uitgestreden. Daarom, mijn lieve broeder, wend je tot Christus, de Gekruisigde. Leer Hem lof zingen en, aan jezelf vertwijfelend, tot Hem zeggen: "Gij Heere Jezus, zijt mijn rechtvaardigheid, ik ben Uw zonde. Gij hebt het mijne als het Uwe aangenomen en mij het Uwe gegeven. Gij hebt aangenomen wat Gij niet waart, en mij gegeven dat ik niet was". Hoed je ervoor ooit naar zulke vlekkeloosheid te streven dat je in eigen oog geen zondaar meer bent of wilt zijn. Want Christus woont alleen maar onder zondaren. Zo is de christen niet de mens die als Christus leeft in eigen kracht, maar die van Hem leeft, uit Zijn kracht, door het geloof alleen. En zo kan Luther als christen vrijmoedig zeggen: 'Ik ben niet vroom, maar Christus is vroom'. En ook: 'De duivel hoeft mij niet te zeggen dat ik niet vroom ben, ik zou ook niet graag willen dat ik vroom was, ander was de hele schat van Christus alom verloren'.

2. DE GEHEILIGDE DOOR HET KRUIS

Luther als christen. Wij schrijven het jaar 1530. Het jaar midden tussen zijn wondere ontdekking als een leven uit de dood, en zijn dood in 1546, als een sterven en nochthans leven. De reformatie is in een gevaarlijke crisis gekomen. In Augsburg wordt de rijksdag gehouden, die beslissend zal zijn voor de toekomst van 'de reformatie. Luthers vrienden Melanchton en Jonas mochten met de keurvorst Johan Frederik mee. Die was terecht een zoon van Frederik de Wijze, want hij was zo verstandig om Luther achter te laten in zijn meest zuidelijke bezitting, de vesting Coburg, hij kon als gebannene immers niet verder mee. Daar moest hij de loop der gebeurtenissen volgen. Daar is hij ver van zijn gezin, alleen en in grote spanning, na de woelige jaren waarin de reformatie zich heeft doorgezet. Daar verkeert hij in dagelijks gebed en grote activiteit van schrijven, maar ook in ziekte en zware aanvechting. Hoe zal de zaak van het Evangelie zich houden? In de aanvechting en strijd? Maar Luther weet, het is de zaak van het kruis, daar gaat alles er niet zo zichtbaar en tastbaar aan toe, maar door de schijnbare ondergang heen. Uit zijn vele brieven en geschriften komt ons een christen tegemoet, die niet anders kan zijn dan een aangevochtene, die de loop van de dingen niet zien kan, maar nochthans vast gelooft in Gods wondere zege. En het teken daarvan, het wapen van de christen is niets anders dan het lieve heilige kruis. De genade van Christus komt de christen niet anders toe dan onder het kruis. Op een andere wijze kan men Christus niet bezitten. Niet de glorie van het aanschouwen, maar de kruisgestalte van het geloof is het deel van de christen. Zal dan een dienaar meer zijn dan zijn Heere?

Waarom staat Gods werk in Christus en in de christen in het teken van het kruis? Opdat wij niet onze eigen gedachten of menselijke raad volgen, maar bedenken dat wij Christus moeten zoeken en dat wij ons alleen aan het Woord van Zijn Evangelie houden. Zo wordt de mens alleen behouden als hij onder Gods gericht buigt en zijn heil in de Gekruisigde voortdurend zoekt.

Christianus is Crucianus

Zo zegt Luther: 'Waar Christus komt met Zijn jongeren, daar begint het onweer'. En ook: 'Een christen is juist daarin dat hij christen heet, onder het lieve heilige kruis geworpen'. Wie geen 'crucianus' (gekruisigde) is kan ook geen 'christianus' wezen. Niet dat het kruisdragen van de christen hem rechtvaardigt, dat doet Christus' kruis alleen. Maar gerechtvaardigd zijn door Hem is ook met Hem leven en lijden, om met Hem verheerlijkt te worden. Zo is het kruis zijn enige theologie. Het is het wapen van de adelstand van de christen. Luther zegt dat heel treffend in een brief vanuit de vesting Coburg, als hij daarin zijn zegelring beschrijft, die hij van de keurvorst ontvangen zou. In dit cachet is heel zijn leven als christen gekenmerkt: Het eerste moet een zwart kruis zijn in een hart dat zijn natuurlijke (rode) kleur heeft, opdat ik mezelf herinnere, dat het geloof aan de Gekruisigde ons zalig maakt. Want als men van harte gelooft, wordt men rechtvaardig (Rom. 10 : 10).

Al is het dan ook een zwart kruis, het teken van de dood en al moet het ook pijn doen, het laat het hart toch in zijn kleur, het verderft de natuur niet, dat heet, het doodt niet maar behoudt in het leven (Rom. 1 : 17), maar dan uit het geloof in de Gekruisigde. Zo'n hart echter moet midden in een witte roos staan, om aan te tonen dat het geloof vreugde troost en vrede geeft en hem, kortom, in een witte vrolijke roos plaatst, niet zoals de wereld vrede en vreugde geeft, daarom moet de roos wit en niet rood zijn. Want wit is de kleur van de geesten en de engelen. Deze roos staat in een hemelsblauw veld omdat zo'n vreugde in de Geest en in geloof, een begin is van de hemelse toekomstige vreugde, die nu reeds wel daarin begrepen is, en door de hoop wordt gevat, maar nog niet openbaar is. En in dit veld een gouden ring, als teken daarvan dat deze zaligheid in de hemel eeuwig duurt en geen einde heeft en kostbaar boven alle vreugde en goederen uitstijgt, zoals het goud het hoogste en kostbaarste metaal is'.

3. DE BEDELAAR VAN HET WOORD

Het is zestien jaar later. Luther is terug op de plaats waar zijn leven begon, Eisleben. Waar zijn leven als christen begon in de doop, daar zal het nu ook door de dood heen volmaakt worden. Hij was naar zijn geboortestad gekomen om een verzoening te helpen bewerken tussen de graven van Mansfeld. Dat is hem als vredestichter gelukt, al kostte het zijn zieke lichaam de laatste krachten. Op 18 februari 1546 sterft hij. Op zijn schrijftafel vinden zijn vrienden het laatste wat hij twee dagen eerder geschreven heeft. Wat heeft zijn leven, het leven als christen, hem gebracht? Het leven van de Ander, van de Christus? Eer en roem? Zijn laatste schat is ook zijn eerste, waarin hij het leven vond en behouden heeft: het Woord, het Evangelie, daarin had hij immers zijn Christus gevonden. Zijn gerechtigheid? Alles wat hij heeft ligt buiten hemzelf vast in Hem alleen. Dat Woord is geen triomfantelijk bezit, maar veel meer een 'nochthans' bezitten. Hij schrijft in zijn laatste woorden zo de samenvatting van zijn leven en werken neer, zijn hele levensprogram:

'Vergilius in zijn herdersgedichten kan niemand begrijpen als hij niet eerst vijf jaar herder is geweest. Vergilius en zijn gedichten over het landleven kan niemand begrijpen, als hij niet vijf jaar boer is geweest. Cicero in zijn brieven begrijpt niemand werkelijk als hij niet vijfentwintig jaar in de politiek gezeten heeft; De Heilige Schrift zal niemand genoeg geproefd hebben als hij niet honderd jaar met profeten als Elia en Elisa, met Johannes de Doper, Christus en de apostelen de gemeente heeft bestuurd. Waag je er niet aan dit Goddelijk heldedicht te doorgronden, maar buig je diep aanbiddend over zijn sporen. Wij zijn bedelaars, dat is waar'.

Is dat het, waar heel zijn leven en werken als christen hem heeft gebracht? Is het niet meer? Nee, het is niet meer dan dit alles, niets van jezelf hebben, maar het altijd weer van de ander mogen ontvangen. Bedelaars zijn wij, en niet meer. Maar is dat nu niet juist het heerlijkste wat er is? Om zo als christen bedelaar te mogen zijn, daar waar uit een nooit uitputtelijke bron de rijke volheid van genade geschonken wordt om niet. Een christen mag bedelaar zijn van het Woord. Want daar vindt hij voortdurend zijn leven, in Christus, om uit Zijn volheid ook te ontvangen genade voor genade. Zo schrijft hij zijn laatste woorden van de hoogste rijkdom van de christen, het Woord van die God, die rijken leeg heenzendt, maar armen de lege manden met goederen volmaakt. 'Wir sind Bettler, hoc est verum!'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Luther als christen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's