Een moedeloze knecht en een bemoedigend God
Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Wat maakt gij hier, Elia? ' • 1 Kon. 19 : 4c en 9c
Een moedeloze knecht
Dat was de profeet Elia. Elia was een knecht van God. Over zijn roeping lezen wij niets, maar uit zijn boodschap blijkt zijn roeping. Als de Heere iemand roept, heeft Hij ook een boodschap en werk voor hem. Elia zeide tot Achab: 'Zo waarachtig als de Heere, de God Israels, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zal zijn, tenzij dan naar mijn woord!'
Elia sprak in de naam des Heeren. Hij kon zeggen te staan voor Gods aangezicht, d.w.z. in Zijn dienst, ter Zijner beschikking. Ook de engel Gabriël zeide tot Zacharias: 'Ik ben Gabriël, die voor God sta'.
De tijd waarin Elia leefde was donker. De Israëlieten hadden Gods verbond verlaten. Zijn altaren afgebroken. Zijn profeten gedood. Dit dreef Elia uit naar God, hij was zwanger vanwege de grote afval. Daarop zond God hem met een oordeelsboodschap naar Achab. Ongehinderd vertrok hij na zijn boodschap gebracht te hebben.
De Heere wist welk gevaar hem bedreigde en zond hem naar de beek Krith. Daar onderhield Hij hem op wonderlijke wijze. Ook toen het water minder en zelfs troebel werd bleef Elia daar. De Heere zorgt voor Zijn knechten. Deze God leeft in 1983 nog wat ons als dienstknechten mag bemoedigen. De Heere weet wat wij nodig hebben op de plaats waar wij staan. Toen het water op was, werd Elia door God gestuurd naar een weduwe in Zarfath. Ongehinderd reisde hij van de Krith naar Zarfath. Daar kwam hij bij een arme vrouw, die maar voor twee koeken meel en olie had. Daar leefden zij van het wonder, het meel en de olie verminderde niet.
Na vele dagen werd Elia naar Achab gestuurd: 'Ga heen, vertoon u aan Achab; Want Ik zal regen geven op de aardbodem'. Een zware gang voor Elia, want hij moet naar het hol van de leeuw, maar de Heere gaat mee. Dit mag ook ons troosten als de Heere ons roept naar een zware post. Door middel van Obadja ontmoette Elia Achab, welke zeide: 'Zijt gij die beroerder van Israël?' Een spreekwoord luidt: De waard vertrouwt zijn gasten naardat hij zelf is. Dit zien wij hier bevestigd. Want niet Elia, maar Achab had Israël beroerd door de geboden des Heeren te verlaten en de Baäls na te volgen.
Elia beveelt Achab om op een bepaalde dag het hele volk en al de profeten van Baäl te verzamelen op de Karmel. Achab gehoorzaamt aan de dienstknecht van God. Toen het volk vergaderd was vroeg Elia: 'Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de Heere God is, volgt Hem na, en zo het Baäl is, volgt hem na'. Het volk diende God én de Baäl, en niemand kan twee heren dienen. Men kan zijn volle liefde maar aan één geven. Weer beleven wij tijden waarin de Kerk wereldgelijkvormig geworden is. Israël moest alleen wonen en mocht met de heidenen niet gerekend worden. Zo moet de Kerk afgezonderd leven van de wereld, wel in de wereld, maar niet van de wereld.
Toen het volk het antwoord aan Elia schuldig bleef, deed hij het voorstel dat de Baälsprofeten en hij ieder een altaar zouden bouwen en een offerdier erop leggen, maar het niet zouden aansteken, en de God, Die door vuur antwoorden zal. Die zal God zijn. Dit voorstel werd aangenomen. Baäl bleek zijn altaar niet aan te kunnen steken, maar op Elia's gebed zond God vuur van de hemel dat zijn hele altaar verteerde. Als uit één mond riep het hele volk: 'De Heere is God, de Heere is God!' Daarna gaf God op Elia's gebed weer regen.
Na de gebeurtenis op de Karmel is de verwachting van Elia hoog gespannen. Hij had het verbroken altaar van de Heere weer hersteld. God had vuur van de hemel gegeven. Het volk had beleden dat de Heere God is. Zal dit nu de lang verwachte reformatie onder het volk tengevolge hebben? Zal Israël nu weer als volk, de Heere God alleen gaan dienen? De eer van God en het heil van het volk was op zijn hart gebonden. Toen Achab thuis kwam vertelde hij aan Izébel wat Elia gedaan had en wie hij gedood had. Zij werd woedend op Elia en liet hem door een bode zeggen dat hij morgen gedood zou worden. Wij zien hoe de Heere over Zijn knecht waakte, zodat zij hem niet dadelijk het doden. Wellicht vreesde zij het volk.
Na de bedreiging van Izébel verliet Elia, om zijns levens wil, de post waar de Heere hem gesteld had. Tot viermaal toe was hij op het bevel des Heeren op reis gegaan: eerst naar Achab met het oordeel, dan naar de beek Krith, daarna naar de weduwe te Zarfath en toen weer naar Achab. Tot viermaal toe was het Woord van God zijn reisstaf, sterkte en vertrouwen. Nu had hij geen bevel van de Heere. Nu was Gods Woord zijn reisstaf niet. Hij ging zijn eigen weg. Hij vond zijn sterkte niet meer in God en daarom beefde hij, die op de Karmel allen had getrotseerd. Hij luisterde evenals Petrus later naar de storm en zag op de golven en niet op de Heere. Om te blijven op zijn post ontbrak hem het geloof. Daarom nam hij zijn toevlucht tot ontwijken. Elia ging als een verslagen man weg, die zijn post verliet zonder verzekerd te zijn van de goddelijke goedkeuring. Hij vreesde voor zijn leven en twijfelde aan de goddelijke bescherming.
Een moedeloze knecht
Ja, dat was Elia. Hij had geen moed meer om op zijn post te blijven. De man, die eerder zo' n sterk vertrouwen op God had, mist nu dat vertrouwen. Wat zien wij ook hier dat het geloof een gave van God is en blijft. In ons is geen geloof en daarom ook geen vertrouwen en kracht om te volharden.
’t Is Isrels God, die krachten geeft. Van Wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God; elk moet Hem vrezen.
Een moedeloze knecht
Wat kunnen Gods knechten op moeilijke posten staan, soms lang moeten staan, schijnbaar vruchteloos hun werk doen, veel tegenwerking en vijandschap ondervinden en daardoor de moed verliezen en ook moedeloos worden. Het is een voorrecht en troost als men terug kan vallen op een God, Die ons geroepen heeft en op die post gesteld heeft, want anders zou men het ambt ontvluchten. Hij, Die roept, is immers getrouw, Die het ook doen zal.
Elia ging heen waar hij wilde, maar de getrouwe God ging met hem mee, hoewel Hij zich verborgen hield. Elia trok naar Berseba. De inzinking nam toe, zelfs zijn jongen is hem te veel. Hij wilde alleen zijn om zich aan zijn moedeloze stemming over te kunnen geven. Hij kwam terecht in de woestijn van Juda onder een jeneverboom, en bad! Hij kan nog bidden. De weg naar boven is nog open. Hij is wel van de mensen, maar nog niet van God verlaten. Hij bad en zeide: 'Het is genoeg, neem nu, Heere, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen'. Elia dacht dat het genoeg was, dat kunnen wij soms ook wel denken. Het is echter pas genoeg als de Heere het genoeg vindt en ons aflost van onze post. Elia wilde sterven, niet door de hand van Izébel, maar door de hand des Heeren, want hij was niet beter dan de vaderen, die vroeger in die woestijn gestorven waren.
Een bemoedigend God
De moedeloze knecht viel in slaap, maar God waakte over hem. God had zijn gebed gehoord, maar verhoorde het niet. God zond een engel, die hem voedsel bracht in de woestijn. Zonder er het wonder van in te zien at en dronk hij en viel weer in slaap. Toen kwam de engel weer, maakte hem wakker en zeide: 'Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn'. Nu werd hij klaar wakker. Hij wilde sterven, maar hoort nu dat de Heere nog een weg voor hem heeft. Hij is nog niet aan het einde van zijn werk en van zijn leven. Het was in Gods raad anders besloten. Er ligt nog een weg voor hem, dus heeft de Heere nog werk voor hem. Hij stond op, at en dronk. Hierdoor herriep hij de begeerte om te sterven. Door God bemoedigd nam hij de reisstaf weer op en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten. Zo kan de Heere nog Zijn knechten en kinderen kracht geven door een Bijbeltekst of psalmvers met kracht toegepast aan de ziel of door het gezegend gebruik van het Heilig Avondmaal. Dan krijgt men daardoor weer kracht om verder te gaan. Elia ging naar de berg Gods, Horeb.
Toen hij daar vernachtte vroeg de Heere aan hem: 'Wat maakt gij hier Elia?' Wat doet gij hier, daar Ik u toch geen opdracht gegeven heb om hier heen te gaan? Dan stort hij de nood van zijn ziel voor God uit: 'Ik heb zeer geijverd voor de Heere, de God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten. Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen'.
Wat een voorrecht en opluchting als wij onze moeite, zorgen en verdriet aan de Heere mogen bekend maken. Hij weet wat ons deert en wil er naar luisteren. Hij gaf Elia aanschouwelijk onderwijs. Er ging een geweldige storm voorbij, daarna een aardbeving, toen een vuur. De Heere was in geen van drieën. Toen volgde het suizen van een zachte stilte en daarin kwam de Heere mee.
Elia had veel verwacht van het oordeel van de Heere en van het machtige gebeuren op de Karmel. Nu toonde hem de Heere dat Hij niet in die geweldige tekenen in de natuur meekwam, maar in het suizen van de zachte stilte. Zo komt de Heere pas mee in het Evangelie, hoewel het niet zonder de Wet gaat.
Weer vroeg de Heere: 'Wat maakt gij hier, Elia?' En weer herhaalde Elia dezelfde klachten.
Dan gaat God hem bemoedigen door zijn vier klachten met vier woorden van Hem, die een opdracht of antwoord inhielden, te beantwoorden. 'Ga en zalf Hazaël tot koning over Syrië, om het volk van Israël te straffen. Zalf Jehu, de zoon van Nimsi tot koning over Israël, om het huis van Achab uit te roeien. Zalf Elisa, de zoon van Safat, tot profeet in uw plaats. Ook heb Ik in Israël doen overblijven zevenduizend, die de knie voor Baäl niet gebogen hebben’.
Elia dacht dat het genoeg was, maar de Heere gaf hem drie nieuwe opdrachten. De Heere had nog werk voor hem. Hij dacht alleen te zijn overgebleven en maakte een vergissing van 7000. Zo houdt de Heere Zelf Zijn Kerk in stand en wil Hij Zijn moedeloze knechten nog bemoedigen. De dichter zingt daarvan in Psalm 89 vers 10:
’Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterkten dag en nacht;
Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht'.
Achtereenvolgens zijn in ons blad de referaten geplaatst die drs. W. Chr. Hovius en ds. G. S. A. de Knegt hebben gehouden op de 'bemoedigingsdag' voor predikanten, die op 15 sept. 11. te Elspeet gehouden werd. Op die dag hield ds, J. P. Verkade een meditatie, die we dezer dagen ontvingen en die hierbij staat afgedrukt. Red.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's