Globaal bekeken
Bekend is Luthers uitdrukking 'een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen; een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen, onderworpen aan allen'. Het staat in 'De vrijheid van een christenmens', een boekje dat dezer dagen in vertaling van dr. C. N. Impeta een tweede druk kreeg bij uitgeverij De Groot, Goudriaan Kampen (55 pag.). Hier volgt bovengenoemd citaat in het verband, waarin het in Luthers geschrift voorkomt.
‘Velen komt het voor dat het Christelijk geloof een gemakkelijke zaak is; niet weinigen daarnevens geven het een plaats onder de deugden. Zij kunnen dit alléén doen omdat zij het nooit hebben onderzocht om het door ondervinding te leren kennen noch ooit de voortreffelijkheid ervan hebben gesmaakt en genoten. Het moet immers onmogelijk heten dat iemand op juiste wijze erover zou schrijven of wat er op juiste wijze over geschreven was goed zou verstaan, die niet de geest ervan onder hem in het nauw brengende droefenissen eens had geproefd. Wie evenwel er ook maar iets, zij het nog zo weinig, van geproefd heeft, die kan er nooit genoeg over schrijven en spreken en nadenken en er van horen, want het is een levende fontein van water, die springt tot in het eeuwige leven, zoals Christus zegt in Joh. 4. Ik nu, hoewel ik niet durf roemen in een ontvangen overvloed en weet hoe ik maar gebrekkig toegerust ben, hoop toch dat ik, ofschoon gekweld door vele en onderscheidene beproevingen, een weinig van dit geloof heb verkregen en dat ik, indien al niet met schoner woorden, dan toch in degelijker zin daarover kan spreken dan die letter-lievende en stellig zeer scherpzinnige, spitsvondige betogers tot dusver hebben gedaan, die zelf niet verstaan wat zij erover te berde brengen. Om echter de ongeleerden (want alleen zulker begeer ik te dienen) een weg te wijzen die gemakkelijk te bewandelen is, laat ik deze twee stellingen voorafgaan, die handelen over de vrijheid en de gebondenheid van de geest. Een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen; een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen onderworpen aan allen.
Hoewel deze twee uitspraken elkaar schijnen tegen te spreken, zullen ze toch, daar waar men ontdekt zal hebben dat ze samenstemmen, het goed doen voor ons doel. Het zijn immers uitspraken van Paulus-zelf, die beide zegt 1 Cor. 9:19: "Want hoewel ik vrij sta tegenover allen, heb ik mij allen dienstbaar gemaakt'', en Rom. 13:1-8: "Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben". Immers de liefde is naar haar aard tot dienst bereid en zij wijdt zich toe aan wat zij bemint. Zo ook Christus, schoon Heer van allen, is nochtans geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, tegelijk vrije en dienstknecht, tegelijk in de gestalte van God en in de gestalte van een knecht.’
***
Soms vindt men in oude, vergeelde brochures behartigenswaardige dingen. Hier volgt iets uit een klein geschriftje (zonder datum, al moet het van na 1960 dateren blijkens een verwijzing in de tekst), uitgegeven door de 'Vereniging Woord of Kruis te Bloemendaal van de hand van M. J. Heule Sr. onder de titel 'Een gewetenszaak'. De schrijver heeft 'ernstige gewetensbezwaren' tegen het voeren van het Kruis als symbool van het christelijk geloof.
Onze belijdenisgeschriften
Allereerst wil ik venvijzen naar zondag 35 van de Heidelberger Catechismus en artikel 7 van de Ned. Gel. Belijdenis. Deze spreken een duidelijke taal. Zelfs de symbolen als boeken der leken worden afgewezen.
Enkele citaten
Bij dr. A. Kuyper, EVoto blz. 552, lezen we: vraagt men nu wat dan toch de oorzaak is, dat God de Heere al zulk een dienst van Zijn Naam onder beeldvorm of symbool zo diep verfoeit en vloekt dat Hij elke poging om zulk een dienst op te richten, een haten van Zijn naam noemt, dan ligt het antwoord hierop in wat de brief aan de Hebreeën van Mozes roemt, dat hij vasthield 'als ziende de Onzienlijke', of wilt ge naar wat Jezus sprak: 'De ware aanbidders aanbidden de Vader in geest en waarheid'. En in zijn 'Onze Erediensten', bIz. 88/89: 'Over het gebruik van beelden in onze kerken kunnen wij kort zijn. Wij bezitten geen foto's van de Heilige personen. Toch zou dat nog geen overwegend bezwaar opleveren, zo onze natuur er niet toe leidde om van al zulke beeltenissen een beelden misbruik te maken. Wat tot het geestelijke en hemelse moet leiden, plaatst zich tussen het hemelse en ons in en blust de geestelijke glans in stee van dien te verhogen'. Het is deze overtuiging nu, die de Geref. kerken er toe bracht, dat het beter was de beeltenissen en de beelden der heiligen uit de kerkgebouwen te weren.
Bij prof. dr. A. M. Brouwer, de kerkorganisatie der eerste eeuw, lezen wij op blz. 133: 'Toch kunnen 1900 jaren kerkgeschiedenis tot voorzichtigheid manen. Wanneer men de godsdienstoefening aestetisch gaat maken, is er een gevaar dat het persoonlijk-verantwoordelijke van de prediking, die zich tot het geweten richt, op de achtergrond gedrongen en tenslotte overwoekerd wordt'. De werkzaamheid van Christus zelf en die van Paulus was op het geweten gericht en niet op schoonheidsgevoel of op het wekken van stemming. Terecht is opgemerkt dat anarchie in de vormen een teken van ontbinding is.
Bij T. Bos 'Korte lijnen uit de kerkgeschiedenis', blz. 14/15 lezen we: 'De eenvoudige inscripties in rotswanden en op bekers en schotels bij het Avondmaal gebruikt, een vis, een herder met het lam op de arm, een kruis enz., verkregen weldra vaste vormen en grote betekenis, zodat zij de grond legden voor een latere verering van schilderijen en beelden'.
Nogmaals Kuyper 'Onze Eredienst', blz. 86: 'De kunst kan ook aandoeningen opwekken, maar schijnaandoeningen, die niet uit het hart opkomen. Dit is met het wezen der religie in strijd. Wie aanbidden wil, moet aanbidden in geest en waarheid. Een schijnaandoening geeft aan het gemoed wel een zoete gewaarwording, maar het wendt er zich tevens aan zich in een aanbiddende gestalte in te denken, zonder dat er aanbidding in het hart is. Aldus verwijdt het de klove tussen onze levensuiting en ons innerlijk leven en moet eindigen met ons vroom karakter niet te stalen, maar te ondermijnen en te verzwakken'. Is het begrijpelijk, dat dr Kuyper nergens het kruis als symbool heeft aangeprezen. Kuyper volgt hiermee de lijn van opstellers van de Catechismus. Wij lezen bij Zacharias Ursinus in zijn verklaring op de Heid. Cat., deel 2 blz. 9 (vertaling Proosdij): 'De onverschillige werken moeten nauwlettend in de verering Gods onderscheiden worden. Het uitdenken van een andere godsverering staat gelijk met het uitdenken van een andere wil van God. Wie dit doen, zoals vroeger Aaron en Jerobeam deden, worden alzo minder van afgodendienst beschuldigd. Al wat uit het geloof niet is, is zonde (Romeinen 14 : 27). Wie nu om God te eren iets verricht, terwijl zijn geweten niet zeker weet of twijfelt of God op die wijze gediend wil worden, die handelt niet uit het geloof'. Dezelfde schrijver, blz. 228: 'De kerkelijke versiering mag niet met Gods Woord strijden en zij mag niet tot gevaar van de leden zijn'.
Gijsb. Voetius - Catechesaties - uitg. 1653, Utrecht, blz. 794.
Vraag: Wat oordeelt gij van de Kruisen, die van 't Pausdom op de Kerken, Torens, etc. stellen?
Antw.: Het is superstilte of onnutte beuzeling.
Vraag: Maar zij zeggen, dat het dient tot opmerking en gedachtenis aan het kruis van Christus!
Antw.: De Heere heeft ons nergens belast, dat wij op zodanige wijze en manier aan het kruis van Christus zullen gedenken en door zodanige middelen daartoe gebracht worden; maar daartoe zijn de uiterlijke middelen van God ingesteld zoals het lezen en horen van Gods Woord en de bediening der Sacramenten.
Calvijn in zijn 'Institutie' is van hetzelfde gevoelen, vertaling dr. A. Sizoo, boek 1, hoofdstuk x1 c1 blz 73: 'En toch vergelijkt God de afbeeldingen niet met elkander alsof de een meer, de ander minder paste. Maar zonder uitzondering verwerpt Hij alle beelden, schilderijen en andere tekenen, door welke de bijgelovige meende dat Hij in hun nabijheid zou zijn'. Boek 1c x1 7 blz. 81: Paulus getuigt (Galaten 3:1) dat Christus door de ware prediking van het Evangelie afgeschilderd wordt en in zekere zin voor onze ogen gekruisigd wordt. Waartoe diende het dan, dat overal In de kerken zoveel kruisen opgericht worden, want aan gouden en zilveren kruisen hechten hebzuchtigen wellicht hart en ogen steviger dan aan enig woord van God'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's