Ambt en Sacrament (1)
Duidelijk is dat ambt en sacramentsbediening niet te scheiden zijn en nauw met elkaar zijn verweven.
Wie zich met dit onderwerp bezig houdt, zou kunnen volstaan met het doordenken van twee artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, namelijk artikel 31 en 33. Het eerste artikel gaat over de ambten en het tweede over de sacramenten. De volgorde leert ons direct al dat de ambten aan de sacramenten vooraf gaan. De bediening van de sacramenten is alleen toevertrouwd en opgedragen aan hen, die hiertoe door de gemeente, overmits door God Zelf geroepen zijn. Dat is geheel volgens de Heilige Schrift. Christus gaf alleen aan Zijn discipelen, de toekomstige apostelen de opdracht de sacramenten te bedienen. Het Heilig Avondmaal stelde Hij met Zijn discipelen in onder de opdracht: 'Doe dat tot Mijn gedachtenis'. De Heilige Doop stelde Hij in met het bevel: 'Ga dan heen, onderwijs alle volken, hen dopende'. Van hier uit heeft de kerk altijd de bediening van de sacramenten toevertrouwd en verbonden aan de ambten. In de acta van de Synode van 1574 staat: 'Men zal geen avondmaal uitreiken waar geen ouderlingen en diakenen zijn, die op de aanneming en regering dergenen die toegelaten worden, acht hebben’.
Duidelijk dus dat ambt en sacramentsbediening niet te scheiden zijn en nauw met elkaar zijn verweven. Alleen zij, die daartoe geroepen zijn mogen ze bedienen. Alleen zij moéten ze bedienen. Behalve dat het sacrament hangt aan het Woord, hangt het ook aan de ambtelijke bediening. Niet aan de personen, maar aan de ambten. De enige naam die genoemd wordt bij de bediening van het Heilige Doop, behalve de naam van het kind, is de Drieënige Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. De enige naam die genoemd wordt bij de viering van het Heilig Avondmaal is de Naam van Christus. Paulus wijst daar ook nadrukkelijk op in 1 Cor. 1: 'Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt?' We mogen nooit naar de ambtsdrager zien, ook al heeft hij nog zo'n goede naam. Dat betekent niet dat het om het even zou zijn wie er in het ambt staat.
Wie worden er tot het ambt geroepen?
Wat zijn onze maatstaven als we omzien naar ambtsdragers? Voorop staat dat wij dan niet oordelen over het geweten en het hart, maar over belijdenis en wandel. Het is goed ook in deze Gods Woord voorop te laten gaan. De eerste verkiezing die door de kerk plaats vond staat in Hand. 1. Het gaat om de vervulling van de vacature die ontstaan is door het heengaan van Judas. De candidaat moet dan een man zijn die de Heere Jezus gekend heeft en er bij geweest is 'al de tijd dat Jezus Christus onder ons in- en uitgegaan is'. De tweede verkiezing is die van de diakenen in Hand. 6. Er wordt omgezien naar mannen die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid. Zij deelden in de genade Gods. Als Paulus later omziet naar ambtsdragers in de nieuw gestichte gemeenten, Zal hij dat niet anders gedaan hebben dan zoals hij later aan Timotheüs schrijft. Dan moeten de ouderlingen en diakenen mannen zijn 'houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten'.
Letten wij daarop bij de verkiezing van ambtsdragers? Ik weet maar al te goed dat nu de vraag kan komen: Wie is daarvan overtuigd voor zichzelf en voor anderen? Er wordt, dacht ik, nog al eens water bij deze wijn gedaan omdat anders een vacature niet vervuld kan worden. Nu mag er inderdaad wel eens water bij de wijn gedaan worden als iemand de klare wijn niet kan verdragen uit zwakheid. Maar de wijn moet wel wijn blijven. Met andere woorden, we mogen nooit uit het oog verliezen dat het mannen moeten zijn die de Heere vrezen. Men zal toch voor God moeten verantwoorden dat men daar naar gezocht heeft. Men moet toch in zijn keuze biddend en onpartijdig bezig zijn en de eer van God op het oog hebben en het wezenlijke belang van de gemeente zoeken. Wij geloven toch dat God zo alleen Zijn kerk bouwt en bewaart bij de zuivere bediening van het Woord en de bediening van de Sacramenten naar de instelling van Christus. Zo alleen kan de kerk gezegend worden in haar ambtsdragers. We mogen zeker de vraag wel eens stellen of men ambtsdrager kan zijn zonder de innerlijke overtuiging deel te hebben aan Christus en Zijn genade. In ieder geval moet degene die gekozen is er van overtuigd zijn door Gods gemeente, en mitsdien door God Zelf geroepen te zijn en dat in het hart gevoelt.
Wat is dat dan voor een gevoelen als dat buiten het geloof omgaat? Wat is dat voor een roeping van Gods wege indien dat maar een roeping ten dele is? Indien men bij het aannemen van zijn roeping een bepaalde voorwaarde stelt? Dat komt toch wel eens voor. Wel huisbezoek, wel mee regeren in de kerk, de gemeente wel weiden in het Woord, maar bijvoorbeeld geen dienst doen aan de tafel des Heeren. Zou de Heere dan het onmogelijke vragen van hen, die Hij roept tot Zijn dienst? Indien Hij roept, roept Hij toch tot gans Zijn dienst rond en onder het Woord en de sacramenten. Wat God dan samenvoegt scheide de mens niet. De kerk heeft hierin altijd de Schrift gevolgd.
In de kerkorde van Dordt wordt bijzonder de ouderling opgedragen met de dienaren des Woords en de diakenen, hun ambt getrouwelijk te bedienen en huisbezoek te doen, naar de gelegenheid des tijds en der plaatse tot stichting van de gemeente, zo vóór als na het Avondmaal. Dat laatste staat er niet alleen als tijdsaanduiding bij. Dan is deze dienst toch geen juk waar men onder door moet, maar waar men ons onder mag schikken. Ambtsdrager zijn betekent zoveel als ondergeschikte zijn. Niet van mensen of systemen of gewoonten, maar ondergeschikt aan Hem, Die roept tot Zijn dienst. Hij weet wat van Zijn ambtsdragers is te wachten, klein van moed en zwak van krachten. Toch zegt Hij: 'Ga en zij gaan. Doe dat en zij doen dat'. Niet op eigen gezag, maar op gezag van hun Zender. Ook op rekening van hun Zender. Kun je dan zeggen: 'Ik kan eigenlijk niet? ' Of mag je dan zeggen: 'Heere, op Uw Woord zal ik het doen'. Noem u dat dan maar ambtelijke genade zo gehoorzaam te zijn. Dat geldt toch eigenlijk in alle dienstwerk.
Tot deze dienst behoort ook het opzicht over de sacramenten. Direct op het artikel over de ambten in de N.G.B, volgt het artikel over: Van de orde en discipline of tucht der Kerk. We moeten ons dan bezig houden met de vraag:
Voor wie zijn de sacramenten?
Artikel 33 begint met te belijden: 'Wij geloven dat de goede God achthebbend op onze grovigheid en zwakheid, ons heeft verordineerd de sacramenten om aan ons Zijn beloften te verzegelen en om panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods voor ons'. Buiten twijfel is dit tot versterking van het geloof in Jezus Christus tot zaligheid. Om het maar eenvoudig te zeggen met de N.G.B.: 'De sacramenten worden gevoegd bij het Woord des Evangelies, om beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zowel als hetgeen Hij ons te verstaan geeft door het Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vastmakende in ons de zaligheid, die Hij ons meedeelt. Want het zijn zichtbare waartekenen en zegelen van de inwendige en onzienlijke zaak, doormiddel waarvan God in ons werkt door de kracht van de Heilige Geest'. Zo wordt onze grovigheid en zwakheid van het geloof in Jezus Christus overwonnen.
We mogen daar twee dingen over zeggen. Allereerst, de sacramenten hangen aan het Woord. Zij maken zichbaar wat in het Woord hoorbaar verkondigd wordt. De bediening van de sacramenten zal dan ook afgestemd moeten zijn op de bediening van het Woord. Ook omgekeerd. De inhoud van de prediking is bepalend voor de bediening van de sacramenten. Dat is zij ook doorgaans. Is er een gunnende prediking dan zal de bediening van de sacramenten daar zeker op aansluiten. Is er doorgaans in een gemeente een waarschuwende, weinig nodigende prediking, dan zal dat zeker ook zo zijn rond de bediening van de sacramenten. U mag het ook zeggen met ds. Blok: 'Als Christus niet voluit en aandringend verkondigd wordt, zal het geloof binnen de gemeente ook vaak dezelfde kwalen vertonen, namelijk weinig zicht op het Evangelie en daardoor ook weinig vrijmoedigheid in het geloof'. De nood van de sacramentsbediening is de nood van de Woordbediening. Dat geldt naar alle kanten. Waar de tucht van het Woord ontbreekt in de prediking, zal ook de tucht rond de sacramentsbediening ontbreken.
In deze is het een teken aan de wand dat er in sommige gemeenten, bijvoorbeeld geen voorbereiding voor het Heilig Avondmaal gehouden wordt. Wie in de prediking het hemelrijk niet toesluit voor de ongelovigen, moet bij de bediening van de sacramenten ook wel alle deuren open zetten.
Toch voeden de sacramenten alleen het geloof. Dat is het tweede wat de N.G.B. noemt. De sacramenten voeden het geloof in Christus en onderhouden het op zachtmoedige en wonderbaarlijke wijze. Zij geven nieuwe kracht aan het geloof. Zij bevestigen de belofte van het Evangelie en hetgeen God doet in onze harten.
Het eenvoudigste antwoord op de vraag voor wie de sacramenten zijn is: voor de gelovigen. Wij moeten daarbij dan wel bedenken wat de N.G.B, belijdt: 'God acht hebbende op onze grovigheid en zwakheid'. Het is dus niet de vraag of dit geloof groot geloof of klein geloof is, krachtig geloof of zwak geloof. Wel geloof. Niet de sacramenten zijn beslissend voor onze zaligheid, maar wel het geloof. Dat mogen wij ook niet vergeten in het pastoraat rondom de sacramenten.
Pastoraat rondom de Heilige Doop
In het pastoraat rondom de Heilige Doop hebben wij zo onze regels, denk ik. We stellen als voorwaarde een trouw kerkelijk meeleven. Niet het kind moet de ouders in de kerk brengen, maar de ouders mogen en moeten het kind in de kerk brengen. Woordbediening en Sacramentsbediening is niet te scheiden. Maar verder? Stellen we ook op doopzitting de vraag van het geloof aan de orde? We hebben een ruime dooppraktijk. De doop als teken van de inlijving in het Verbond geeft ons ook inderdaad een ruime armslag. Wie zal zeggen wanneer de Heere de band met het Verbond doorsnijdt? Nu houden wij ons, terecht overigens, getrouw aan de oude formulieren van de beide sacramenten. Doen wij dat dan ook naar de inhoud van het doopformulier? Wij moeten de ouders daar dan ook op aanspreken. Het moest toch eigenlijk zo zijn dat alle doopouders met het hart geloven en met de mond belijden wat in de Dordtse Leerregels beleden wordt: 'Nademaal wij van de wil Gods uit het Woord moeten oordelen, hetwelk getuigt, dat kinderen der gelovige ouders heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid uit dit leven wegneemt'. Dat is dan toch wel het geloof dat alzo belijdt.
Toch beperken wij ons in de dooptucht, en ik zeg niet dat ik het anders zou willen, tot de kerkgang en de levenswandel. Niet eens meer tot de belijdenis des geloofs. Zonder schroom dopen we kinderen van ouders die geen belijdenis hebben gedaan. Wel is er dooptucht naar de andere kant. Iemand, die dit sacrament veracht, zijn kinderen niet laat dopen, achten wij doorgaans niet verkiesbaar tot een ambt in de kerk. Zeer terecht overigens. Is dit dan toch omdat het avondmaalformulier zulke gemeenteleden stelt onder de tucht? Zij, die verachters zijn van Gods Woord en de Heilige Sacramenten, dienen zich van het Avondmaal des Heeren te onthouden, tenzij zij zich bekeren. Laten we nooit vergeten dat het ook in de bediening van de Heilige Doop gaat om de belofte: 'Dat God ons vanwege het enige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving van zonden en het eeuwige leven uit genade schenkt’.
Ook de doop eist geloof in deze belofte. Dat is dan toch geen ander geloof, geen minder geloof, dan wat nodig is voor de viering van het Heilig Avondmaal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 december 1983
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's