De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Door het lijden heen moeten we ook in het geloof leren verstaan - juist omdat God het lijden der mensheid niet wil (...)

God en het lijden

Een van de diepingrijpendste vragen zowel in pastoraal als in theologisch opzicht is ongetwijfeld de vraag: Is het lijden dat mensen treft Gods wil? Hoe zit het met de almacht van God? En waar houdt de verantwoordelijkheid van mensen op. Met name de zinsneden uit Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus, dat alle dingen, regen en droogte, ziekte en gezondheid, rijkdom en armoede niet bij geval maar uit Gods vaderlijke hand ons toekomen, heeft veel kritiek opgeroepen. Verschillende theologen onderstrepen de kritiek van de schrijver Maarten 't Hart op dit punt. Soms zegt men: God staat niet aan de kant van het lijden, maar is bij de lijdenden. En juist in onze tijd zijn velen gegrepen door de gedachte aan de lijdende God. Nu zullen we de zwaarte van dit onderwerp niet moeten onderschatten. Ook dr. C. Bezemer, wiens pennevrucht over dit thema in het Hervormd Weekblad van 10 november de aanleiding vormt tot dit stukje, doet het niet.

Bezemer wijst een afdoend antwoord op oplossing op alle vragen af. Terecht naar mijn mening. We zullen juist hier moeten waken voor de systematiek en voor valse tegenstellingen. Hoe komt het dat de vraag van het lijden zo velen juist nu bezig houdt. Bezemer schrijft:

'Daarvoor zijn in elk geval twee redenen te noemen. In de eerste plaats zijn wij door radio, tv. en dagbladpers veel eerder op de hoogte van allerlei leed, dat op de wereld gevonden wordt, dan vroeger het geval was. We worden er veel directer mee geconfronteerd, dikwijls op een zodanige wijze, dat we er als het ware zelf in betrokken worden en het existentieel mee beleven. In de tweede plaats - en dat hangt ten dele met het voorgaande samen - is voor velen niet alleen het Godsbestuur, maar ook God zelf tot een vraag geworden. Men zegt het niet meer zo gemakkelijk: "Het moet zo wezen", en "We berusten er in", nog afgezien van de vraag of die houding (altijd) terecht is. Nu wordt veel nadrukkelijker het standpunt ingenomen van "Als er een God bestaat, dan...". Men kan van het standpunt uitgaan, dat een dergelijke vraag niet gesteld behoort te worden, maar het positieve ervan is in elk geval, dat daaruit blijkt, dat men oog heeft en wil hebben voor het vele leed, dat op de wereld dichtbij en veraf geleden wordt. Het gaat niet alleen om onszelf, maar het gaat om de mensheid, waarvan een deel onder veel groter leed gebukt gaat, dan wij, die er vaak op grote afstand van verwijderd zijn, ons kunnen indenken. Het raakt ons. Het raakt zowel kerkelijken als niet-kerkelijken, hoewel de "motieven, waarom ze het zich aantrekken, niet gelijk zullen zijn.’

Zijn rampen en tegenslagen nu Gods wil? Bezemer wijst er terecht op hoe moeilijk het is om het spreken van de Schrift over Gods almacht en regering te verstaan juist in het moderne denken. Velen vergeten dat Zondag 10 geen sluitende verklaring geeft, maar een belijdenis van het geloof is, van een mens die weet dat zijn leven door God geleid wordt. Zondag 10 mag niet losgemaakt worden van zondag 1 van de Catechismus. Bezemer herinnert voorts aan publicatie van Buskes over het lijden.

’Zich afvragende of het waar is, dat wij het lijden van de mensen aan God mogen toeschrijven, haalt ook hij zondag 10 aan, die z.i. te gemakkelijk spreekt van Gods "Vaderlijke hand" en daarnaast de Ned. Geloofsbelijdenis, die naar zijn mening meer terecht er op wijst, dat niet alleen God werkt in de geschiedenis, maar ook duivels en goddelozen. We moeten - aldus Buskes - voorzichtig zijn met te zeggen dat de duivel staat in dienst van God, want in de Bijbel is de duivel altijd de tegenpartij van God. Het woord "satan" betekent niet voor niets: tegenstander, vijand.

Hoewel het terecht is om te zeggen dat lijden een gevolg is van de zonde en dat lijden en zonde bij elkaar horen, lijkt het me toch te eenzijdig om te beweren, dat ziekte behoort tot het domein van de duivel. Evenwel mag niet over het hoofd gezien worden - Buskes wijst terecht daarop - dat Jezus ziekte nooit aanvaardt. De zieken, die bij Hem gebracht worden of voor wie men Hem om genezing vraagt, worden ook door Hem genezen. Buskes wijst op Blumhardt, die niet ontkende dat alle dingen van God komen - ook ziekte - maar er toch zijn leven lang tegen gestreden heeft, omdat hij daarin een openbaring van de macht van de duivel zag. Blumhardt aanvaardde dat het lijden van God komt en tegelijk dat het niet van God komt. We zijn in Gods hand, maar ook in de macht van de duivel. Daarom mogen we het lijden niet zonder meer aanvaarden en erin berusten. Sprekende over Gods almacht en Gods liefde (moeten we aan Zijn almacht twijfelen of aan Zijn liefde? ) wijst Buskes erop, dat hij steeds meer tot de overtuiging gekomen is, dat wij over de almacht van God een geheel onbijbelse voorstelling hebben. Deze zou mede daardoor veroorzaakt zijn, dat wij het begin van het Apostolicum als volgt lezen: Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige. Buskes betreurt dit, omdat we volgens hem moeten lezen: Ik geloof in God, de almachtige Vader. Persoonlijk val ik hem daarin niet bij. Trouwens velen achten de eerste vertaling de juiste, wat overigens niet wegneemt, dat we Gods almacht nooit geheel mogen losmaken van Zijn vaderschap. Wel ben ik het met Buskes eens, dat we niet moeten denken dat Gods almacht betekent dat God alles kan. We zouden hoogstens mogen zeggen dat God alles kan wat Hij wil. Willen we op de rechte wijze over Gods almacht spreken, dan moeten we het nooit doen buiten Jezus Christus om, in Wie God zich op het hoogst in Zijn Vader-zijn, in Zijn almacht heeft geopenbaard, omdat Hij het is, die de zonde en het lijden op Zich genomen heeft en het te dragen en weg te dragen en zo beide te overwinnen. God is dus niet ontoegankelijk voor het lijden en Hij houdt Zich er niet buiten. Als de transcendente is God boven de wereld en het leven van de wereld en dus ook boven het lijden verheven. Maar als de immanente neemt God aan de wereld en het leven van de wereld en dus ook aan het lijden deel.'

Zonde en lijden horen bijeen als oorzaak en gevolg. De vervreemding van God heeft het lijden met zich meegebracht, aldus Bezemer. Het lijden hoort in de goed geschapen wereld, de wereld zoals God die gewild heeft, niet thuis.

’Maar de zonde is in de wereld gekomen, dat wil zeggen: de mens heeft misbruik gemaakt van de vrijheid, waarmee God hem had begiftigd, opdat hij op de liefde van God tot hem kon antwoorden en daaraan kon beantwoorden (Berkhof). Met alle gevolgen van dien!!

Wat betreft de zin van het lijden kunnen we ons afvragen of het lijden er mogelijk daarom in de wereld is, opdat we steeds weer herinnerd zouden worden aan het feit, dat de mensheid door de zonde van God vervreemd is en daardoor de weg terug tot God weer zouden gaan zoeken. Bovendien kan het lijden daartoe dienen, dat we daardoor meer en meer oog krijgen voor de medemens, bijbels gezegd: voor de naaste, dichtbij en veraf.

Door het lijden heen moeten we ook in het geloof leren verstaan - juist omdat God het lijden der mensheid niet wil - dat niet de duivel maar God zelf het laatste woord heeft, en dat het lijden van deze tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden.’

***

De prediking der belofte

In een artikel van prof. dr. W. v. 't Spijker in De Wekker van 4 november herinnert deze ons aan een woord van Luther: 'God handelt met ons op de manier van de belofte. En wij kunnen niet anders met God handelen dan op de manier van het geloof in de belofte'. Reformatorische prediking is dan ook zoals de schrijver terecht zegt: prediking van de belofte. Luthers spreken ligt in dezelfde lijn als het spreken van de Heidelbergse Catechismus in zondag 6 en 7. Bij Luther is de prediking van de wet het vreemde werk van God, en de verkondiging van de belofte functioneert als het eigen werk van God.

’Luthers bedoeling is wel duidelijk. Hij spreekt niet over de wet, om de mensen een mogelijkheid te bieden zichzelf te redden. Hij hanteert veleer de scherpe prediking van de wet, om plaats te maken voor de genade. Deze prediking is toebereiding tot de genade en niet anders. Luther heeft deze zienswijze later wel wat bijgesteld. En we mogen ook niet vergeten, dat het jaar 1518 misschien nog niet het jaar was, waarin de volle doorbraak van het evangelie, juist als belofte, had plaats gehad. Er zijn ook inderdaad wel enkele opmerkingen te maken over het vreemde en het eigenlijke werk van God. Ook daarover heeft Luther later wel genuanceerder gesproken. Terwijl ook de vraag gesteld moet worden of de uitdrukking "voorbereiding tot de genade" wel helemaal zo gelukkig is, ook gezien de rol die dit begrip later weer zou gaan spelen. Maar wél lijkt duidelijk, dat Luther in grote lijnen niet veel anders is gaan denken over de weg en het evangelie. De gereformeerde theologie heeft óók aan het evangelie gedacht, wanneer het ging om de ontdekking aan de zonde. En deze theologie heeft in de wet iets oorspronkelijks én iets blijvends gezien, meer dan Luther. Men denke aan de brede ontvouwing van de wet in het stuk der dankbaarheid. Voor Calvijn was de wet niet zozeer een "vreemd", als wel veel meer een eigen werk van God. Het Lutheranisme heeft iets minder ruimte voor de stilering van heel het leven naar de wet. Het gereformeerde protestantisme loopt nog al eens gevaar van wetticisme. Maar Luthers bedoeling is duidelijk. Voor het evangelie moet plaats zijn. En ofschoon het niet het einddoel is van al Gods wegen, God doet wél dit werk der ontdekking, om vervolgens zijn eigenlijke werk met vreugde ter hand te nemen; de prediking van het evangelie.’

Van 't Spijker wijst op een dubbele lijn in het Nederlandse gereformeerde protestantisme. Enerzijds heeft de gereformeerde theologie ook aan het Evangelie gedacht wanneer het ging om ontdekking aan de zonde, anderzijds is de Lutherse lijn in de prediking van de Nadere Reformatie en de Puritijn te vinden.

’De dubbele lijn, die we boven aanwezen met betrekking tot het Nederlandse gereformeerde protestantisme, brengt met zich mee, dat het voor velen een vraag is gebleven, wanneer het "vreemde" werk van God ophoudt, en wanneer het "eigenlijke" werk van God begint. Wanneer mag de volle rijkdom der belofte ontvouwd worden? Of, zoals de vraag meestal gesteld wordt: voor wie is de belofte van het evangelie? Dat de zaken inderdaad op dit punt in onze eigen traditie niet helemaal duidelijk lagen, blijkt goed uit de vraag die op een van de synoden der afgescheiden kerk werd gesteld. Het was in 1857, dat er werd geconstateerd, dat twee uitersten, die zich buiten de vergadering in de kerk hadden geopenbaard, tot vragen aanleiding hadden gegeven. De bedoelde vragen waren door verschillende broeders in hun lastbrief meegenomen. Ze hadden betrekking op de plaats van de wet, de kennis der zonde. Men verzocht uit te spreken, of er onderscheid is tussen de aanbieding van Christus en evangelieprediking of de verkondiging van Christus. Men ziet dat het vragen waren, die onmiddellijk samenhingen met de prediking van de belofte. Dat constateerde de synode ook, nl. "de een durft Christus niet bekend te maken voordat er verslagenheid is en de ander meent dat men Christus moet verkondigen aan allen, als Hij is voor u gekomen en gestorven". In deze situatie keurde de synode beide standpunten af en verwees zij naar de Dordtse Leerregels.

We mogen dit een wijs besluit noemen, in de concrete situatie het beste wat men doen kon. Ook anderen merkten, zij het met enig leedvermaak op, dat in de afgescheiden kerk sprake was van twee stromingen. In een boekje uit 1869 werden die twee stromingen zeer breedvoerig en scherp getekend. Men kan het stuk niet lezen zonder dat de gedachte opkomt, dat er onder de kerkelijke zon tot op vandaag nog geen nieuws is. En dat het 't beste is, om zich te houden aan wat de Dordtse vaderen omtrent de prediking van de belofte hebben gezegd: "Voorts is de belofte van het evangelie, dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verderve maar het eeuwige leven hebbe, welke belofte alle volken en mensen tot welke God naar zijn welbehagen zijn evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden met bevel van bekering en geloof”.’

U ziet hoe de vragen, die in het verleden gesteld zijn en waarop men vanuit de Schrift een antwoord gezocht heeft, ook vandaag in velerlei opzichten actueel zijn, ook al kent onze tijd problemen die niet aan de vaderen bekend waren. Maar juist inzake de prediking van het Evangelie is een recht zicht op de aard van de belofteprediking belangrijk, opdat we enerzijds niet vervallen in een goedkope genade-prediking en anderzijds gewetens niet binden door een voorwaarden-prediking. Het is opvallend hoe bijbels-gematigd de Confessie zich uitdrukt vergeleken met eenzijdigheden in latere ontwikkelingen van het gereformeerd protestantisme. En juist de wijze waarop in de Dordtse Leerregels gesproken wordt over de prediking van de belofte is zo uitermate belangrijk. Hier wordt de hoorder alle verontschuldiging ontnomen, terwijl tegelijk de roepende Christus centraal staat. De ernst en de rijkdom van de prediking komen hierin gelijkelijk tot uiting.

***

Ik schrijf dit in de eerste week van Advent. In deze weken valt de aandacht nogal eens op Johannes de Doper, prediker van de wet, de boete, de bekering. Maar zijn naam betekent: De Heere is genadig. En het eigenlijke van Johannes' prediking is toch de uitgestoken wijsvinger die heenwijst naar het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt: Zie, het Lam Gods!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's