Open brief
aan: de Generale Synode der Nederlands Hervormde Kerk, het Breed en het Smal Moderamen der Nederlands Hervormde Kerk, de Raad voor de Zending van de Nederlandse Hervormde Kerk.
Ondergetekenden, leden van de Generale Synode der Nederlands Hervormde Kerk, voelen zich gedrongen openlijk hun zorg kenbaar te maken over de inhoud van de op zaterdagmorgen 19 november 1983 behandelde nota 'Visie en Werkelijkheid', gepresenteerd door de Raad van de Zending, en over de wijze van bespreking daarvan in de synodevergadering.
1. Naar onze overtuiging buigt deze nota het belijden en het zelfverstaan van de kerk in deze wereld en daarmee de inhoud van de zendingsopdracht op een onbijbelse wijze in liberale zin om. Wij zien hierin een variant binnen de vrijzinnige stroming in onze kerk.
2. Het is ons oordeel dat het door de Raad bepleite proces van mondig-maken-via-groepen die dan vervolgens als kerk worden aangemerkt, en dit als de meest wezenlijke opdracht van de christelijke zending, tevens een definitieve breuk inhoudt met zowel de reformatie als met de traditie die onze Hervormde Kerk voedt.
3. Wij menen dat deze breuk met het inhoudelijk gevulde evangelie - Christus naar uitwijzen van het Heilig Evangelie - als het hart van de zendingsboodschap die schadende gevolgen moet hebben voor de planting en opbouw van Gods kerk onder de volken. Deze breuk zal tot gevolg hebben dat dit laatste overgelaten zal gaan worden aan de Rooms-Katholieke Kerk en aan fundamentalistische stromingen die hiervoor wèl alle oog hebben. Het aantal zendingsarbeiders zal dan ook steeds kleiner worden (men zie de klacht van de nota al op blz. 27v). Is eenmaal de functie van het evangelie teruggebracht tot motivering en enthousiasmering voor missionair handelen, dan kan het niet meer onder het motto 'mondigmaken' worden teruggehaald. Juist het inhoudelijke evangelie is het immers dat de kerk tot leven roept, zodat zij, eruit levend, ook zelf zendingskerk wordt.
4. In de lijn van hetgeen de nota ook zelf stelt, menen ook wij dat de in de nota bepleite 'nieuwe visie' en de aanvaarding daarvan noodzakelijkerwijs èn gelijkerwijs moet doorwerken in het apostolaat, het diakonaat en het pastoraat. Deze doorwerking zal o.i. tot gevolg hebben dat deze niet meer onderling te onderscheiden zullen vallen. De wijziging van het belijdend spreken in de Orde der Kerk in art. 8-3, zoals deze door de Raad zelf dan ook wordt voorgesteld, wijzen wij uit overtuiging af.
5. We hebben het als teleurstellend ervaren dat de synodeleden ter vergadering op de kern van de visie van de nota nauwelijks zijn ingegaan, en dat men zich veelal beperkt heeft tot kanttekeningen in de marge of bij onderdelen, waardoor de grote zaak die in het geding was, in de schaduw bleef. Dit ondanks het appèl van de voorzitter van de Raad om toch vooral op de wezenlijke zaken in te gaan. In zijn repliek heeft echter ook de Raad zich hieraan niet gehouden en heeft hij in tweede instantie de principiële vragen zowel omzeild als toegedekt.
6. Eigenlijk hadden wij verwacht dat deze meest principiële zaak van de hele synodevergadering een diepgaander en ruimer bespreking zou hebben ontvangen. Een zaterdagmorgen en een - nodig gebleken - spreektijd verkorting tot drie minuten en een vermoeide naar afronding van de vergadering toelevende synode scheppen niet het klimaat waarin over een fundamentele wijziging in het belijden en de Orde der Kerk kan worden beslist.
7. Het wil ons voorkomen dat de vergadering van de synode toch onvoldoende heeft doorgrond dat hetgeen op het spel stond alle modaliteitsvragen te boven ging, en dat het karakter van de Hervormde Kerk als Christus-belijdende volkskerk in zijn geheel op het spel stond. In wezen ging het om de vraag wie - nog - hervormd wilde zijn.
Daarom bepleiten wij dat over deze zaak een nieuwe, principiële discussie ter Synode zal worden gevoerd, na een periode waarin de greep op de stof - de Raad was overigens zeer tijdig met zijn nota - zal kunnen zijn verstevigd en het inzicht zich zal kunnen hebben verdiept.
Bij ons leeft de overtuiging dat het bovenstaande weerklank zal vinden bij de grondvergaderingen der kerk, die wij geroepen achten zich indringend met deze zaak bezig te houden. Aanvaarding van deze nota, ook in eventueel bijgeschaafde vorm, is méér dan een kerkelijk incident, maar behelst de bekrachtiging van een koerswending in het belijden en beleid der kerk die een afwending inhoudt van de grondgedachten die aan het belijdend spreken in onze Kerkorde ten grondslag liggen.
Deze brede discussie in het moderamen aan de kerk die het vertegenwoordigt schuldig.
Dr. W. Balke, Classis Zwolle; ir. J. van Lokhorst, Classis Gouda; dr. S. Meijers, Classis Leiden, hd Breed-Moderamen; A. Mulder-Buikstra, Classis Hoorn; ds. i-Pronk, Classis Dordrecht; dr. C. M. E. van Schelven, Waalse Gemeenten en N. A. de Waal, Classis Alblasserdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1983
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's