De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Mens en Dier

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Mens en Dier

6 minuten leestijd

De rechtvaardige kent het leven van zijn beest. Spr. 12 : 10a

Er wordt in onze tijd veel gepraat over de plaats van het dier in onze samenleving en de plaats die het dier zou moeten hebben. Het is goed om ons te bezinnen welke houding we hieromtrent als christenmensen moeten innemen. Hoe mogen we als christen de dieren gebruiken en ook hoe gaan we met het dier in zijn algemeenheid om (zowel nuts-als gezelschapsdieren)? Dit heeft alles te maken met onze houding, onze handel en wandel, als christenen op de aarde. Hoe leven we op deze aarde met het 'schepsel' (waar onder de dieren) uit Gods hand voortgekomen? We belijden Hem als de 'almachtige Schepper van hemel en aare', maar wat betekent dat voor ons leven. Om hier meer inzicht in te krijgen zullen we ons moeten afvragen wat de Bijbel ons over deze dingen leert.

In de schepping heeft God op de vijfde en zesde dag mens en dier geschapen. Daarbij heeft God de mens een duidelijk aparte plaats in deze schepping gegeven, nl. 'naar Zijn beeld en Zijne gelijkenis' (Gen. 1 : 6), als kroon op de schepping. Deze bijzondere plaats wordt direkt benadrukt in Gen. 1 : 26b. waarin de mens de heerschappij krijgt over de gehele aarde, inclusief de dieren. Met deze heerschappij wordt niet een uitbuiten of misbruik aangeduid, maar de zeggenschap hierover, het gebruik dus. In de volgende verzen (vs. 27-30) wordt de taak van de mens op aarde verder omschreven: '...vervult de aarde en onderwerpt haar' (vs. 28a). Adam wordt in de hof van Eden geplaatst om die te bouwen, en die te bewaren (Gen. 2 15). De mens krijgt dus de zorg voor de schepping opgedragen. Op deze wijze beantwoordt de schepping aan Gods doel, nl. God te loven.

Na de zondeval wordt door de gebroken relatie tussen God en mensen de houding t.o.v. het dier ook anders. De vellen die Adam en Eva als kleding krijgen, zijn verkregen door slachting van dieren. In het verbond dat God met Noach sluit (Gen. 9 VS 1-10) geeft God de mens de dieren tot voedsel.

Toch is er de hele bijbel door een bijzondere aandacht voor de dieren te bemerken. Zij lijden mee met de mens, bijv. in de zondvloed, maar ook zien we dat zij tezamen met de mens behouden worden, bijv. in de ark van Noach. In de tien geboden komen wij de dieren tegen in het sabbatsgebod (Ex. 20 : 10; Deut. 5 : 14). De huisdieren moeten dus ook deel hebben aan de sabbatsrust. Het wild moet deel hebben aan de opbrengst van het sabbatsjaar (Ex. 23 : 11; Lev. 25 : 7). De dorsende os mag niet worden belet van de vruchten te eten (Deut. 25 : 4). Er zijn nog vele andere voorbeelden te noemen waaruit die bijzondere aandacht, die zorg voor het dier, in de bijbel naar voren komt. Zo ook heel duidelijk in Spreuken 12 vers 10a: 'De rechtvaardige kent het leven van zijn beest'. De mens die zich in en door Christus gerechtvaardigd weet en die leeft naar de wil van zijn Schepper, weet hoe hij met zijn dieren om moet gaan. Het woord 'kennen' geeft iets van de speciale band tussen mens en dier weer. Er is een persoonlijke relatie tussen mens en dier. De mens dient zich aan Gods gebod te houden inzake de instandhouding van de door Hem gestelde levensorde (vgl. Gen. 1). De vervulling van dit gebod uit zich in de goede verzorging van, de werkelijke zorg voor het dier. Men dient zorgvuldig met de dieren, die ook onderdeel van de schepping zijn, om te gaan. Als goede rentmeesters. De mens die God kent, zal ook dit gebod zo goed mogelijk proberen na te komen.

Deze zorg voor het dier komen we in de bijbel heel duidelijk tegen bij de herder, die de verantwoording voor zijn kudde heeft. De herder is telkens in het leven van Israël aanwezig en is veelal een belangrijk persoon; David was herder (1 Sam. 16 : 11), de eerste getuigen van de kerstgebeurtenis waren herders. Zij mochten als eerte horen van de vervulling van God belofte, de komst van de Zaligmaker. Gods verlossingswerk op aarde om te herstellen alles wat de zonde bedierf, heeft een daadwerkelijk begin gekregen. Het goede van de schepping voor de zondeval, de vrede van de schepping, keert weder. De engelen mogen God de lof toezingen en zingen over de vrede op aarde, de vrede van Kerst, die nu zijn beslag vindt voor mensen aan wie God zijn gunst doet genieten door de geboorte van de Messias, de Goede Herder!

Vaak heeft Christus het beeld van de herder die zorgt voor zijn schapen gebruikt. Ook daaruit kunnen we in dit verband iets leren van de juiste zorg voor het dier. In de gelijkenis van de goede Herder (Joh. 10) komen we enkele kenmerken van de goede herder tegen. 'Hij roept zijn schapen bij name, gaat voor hen uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen' (vs. 3-4). 'De goede herder stelt zijn leven voor de schapen, waar de huurling, en die geen herder is, wie de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vlucht; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen' (vs. 11-12). 'En de huurling heeft geen zorg voor de schapen' (vs. 13). Duidelijk wordt dat de zorg voor de schapen bepalend is voor de kwalificatie van goede herders. De slechte herder heeft dit niet (vlg. ook Ezechiël 34). Een ander voorbeeld is de gelijkenis van het verloren schaap (Matth. 18 : 12; Luc. 15 : 4). De houding, die de mens in de bijbel inneemt t.a.v. de omgang met het dier, zal ook voor ons een boodschap moeten hebben inzake ons handelen met dieren. We dienen ons er op grond van de bijbelse gegevens op te bezinnen hoe onze houding in deze zal moeten zijn en hoe we hieraan gestalte kunnen geven. Het moge duidelijk zijn dat dit artikel slechts een aanzet is tot bezinning onzerzijds hierover. Wel worden we dage­ lijks bij deze problematek bepaald, want hoe moeten wij ons opstellen tegenover de ontwikkelingen in de intensieve veehouderij? Wat doen we met de 'kistkalveren', de 'batterij-kip', de batterij-big? ' Ook in andere takken van veeteelt dreigen door de enorme schaalvergroting excessen. Hoe kunnen we desondanks zorgen voor een dierwaardig bestaan? Hebben wij zorg voor de dieren?

Ook bij de gezelschapsdieren komen wij deze problematiek tegen bijv. in de vorm van ethisch onaanvaardbare ingrepen of bij de zgn. 'broodfokkers'. Hier hebben we evenwel ook nog te maken met de keerzijde van de medaille, nl. de overdreven zorg voor het dier, de 'vermenselijking', waarbij de aparte plaats van de mens boven het dier in de schepping vergeten wordt.

De rechtvaardige weet hoe hij om moet gaan met het dier. En wij, in het leven van alledag?

Zuidhorn

F. R. van der Kolk, dierenarts

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Mens en Dier

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1983

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's