Een nieuwe lofzang: ik geloof in Christus
Ik geloof in Christus, die geboren is uit de maagd Maria,
Luthers ontdekking
Luthers ontdekking van de Heilige Schrift is ten diepste ook de ontdekking van Jezus Christus als Heiland en Zaligmaker, die voor zondige mensen in deze duistere wereld gekomen is. Hij stelde niet alleen de Bijbel centraal, maar stelde ook Christus centraal in de Bijbel. Dit is de diepe achtergrond van de vraag die hij richtte tot Erasmus: 'Als ge Christus wegneemt uit de Bijbel, wat houdt ge dan nog over?’
Luther wist van de redding van de mens alléén door (het geloof in) Jezus Christus en wat hij ons doorgaf in zijn preken, geschriften en liederen staat in dat teken. Zelf heeft hij eens gezegd: 'Want in mijn hart regeert deze ene waarheid, het geloof in Christus, uit wie, door wie en tot wie al mijn theologische overleggingen bij dag en bij nacht voortvloeien en terugkeren’.
Ook Luthers liederen, waarop ik me in dit kerstnummer wil richten, staan in datzelfde teken. In het Luthernummer van ons blad van 27 oktober jl. heeft drs. A. Noordegraaf al geschreven over Luther en de kerkmuziek. Onder meer enkele strofen van Luthers eerste lied kwamen daarbij reeds ter sprake.
’Martelaren Christi’
Zoals bekend is Luthers eerste lied geïnspireerd op de dood van twee martelaren, de eersten die in de Nederlanden vanwege hun geloof de dood vonden: Hendrik Voes en Jan van Esschen. Op 1 juli 1523 werden ze op de Grote Markt te Brussel door middel van de brandstapel omgebracht. Hun dood heeft Luther zeer aangegrepen. Zij waren net als hij Augustijner monniken, die zich onomwonden tegen de aflaat hadden uitgesproken en vóór het sola gratia, door genade alleen. Dan dicht Luther zijn lied en maakt er zelf ook de melodie bij: Ein neues Lied wir heben an (Een nieuw lied heffen we aan).
De uitvoerige titel is direct opmerkelijk: 'Een nieuw lied over de twee martelaren Christi te Brussel door de Sofisten uit Leuven verbrand'. De twee mannen die verbrand zijn, worden 'martelaren Christi': genoemd. Zo maakt de titel meteen één ding duidelijk: het gaat om Christus, Hij is de enige grond van ons behoud. Hij staat centraal in het geloof. De 'Sofisten', die men in het algemeen wetenschapsbeoefenaars in verkeerde, spitsvondige zin zou kunnen noemen, zijn hier de theologen uit Leuven, die de R.K. leer verdedigen en zo mede de oorzaak waren van de dood van Voes en Van Esschen. Ik laat het lied hier in zijn geheel volgen in een moderne vertaling van ds. C. de Vries:
Een nieuw lied over de twee martelaren Christi, te Brussel door de Sofisten uit Leuven verbrand
Een nieuwe lofzang heffen we aan,
zo wil het God de Here.
Wij zingen wat Hij heeft gedaan,
zijn grote naam ter ere.
Te Brussel in Zuid-Nederland
heeft aan twee jongelingen
Hij ons getoond zijn wond're hand,
toen Hij met zegeningen hen rijklijk onderscheidde.
Van deze beiden mocht met recht
de een Johannes heten;
net als broer Hendrik recht en slecht
had hij een goed geweten.
Van de aarde scheidend hebben zij
de erekroon verworven;
zich scharend in der heil'gen rei
zijn zij voor 't Woord gestorven
en martelaars geworden.
De Vijand wierp hen in 't gevang
en wilde hen bewegen
met list en dreiging, dagenlang,
Gods waarheid dood te zwijgen.
De Geest maakt de spitsvondigheid
van Leuvens afgezanten tot narrenspel,
hun roem ten spijt:
geen van die knappe klanten
kon ook maar iets bereiken.
Zij zongen zoet, zij zongen zuur,
beproefden vele listen;
de vrienden stonden als een muur,
trotseerden de sofisten.
De Vijand had hen onderschat;
hij kon het niet verdragen
dat hij, die zulk een macht bezat,
zo smaad'lijk was verslagen.
Daar moesten zij voor branden.
En toen zij hun de monnikspij
en priesterwijding namen,
vermochten zij dat zonder spijt
van harte te beamen.
Zij dankten God de Heer,
dat Hij zijn kinderen verloste
van 's duivels poppenkasterij,
die, koste wat het koste,
ons om de tuin wil leiden.
Door Gods genade mochten zij
toen ware priesters worden;
hun levend offer, Hem gewijd,
treedt in in Christus' orde.
Der wereld afgestorven
gaan zij blij naar 's hemels zalen.
De valse waan heeft afgedaan:
geen monnik kan betalen
wat God de mens wil schenken.
Een briefje werd hun voorgelegd
om hardop voor te lezen.
Daarin werd kort en klaar gezegd
wat ze als geloof beleden.
Hun grootste dwaling werd geacht:
'Gij moet slechts God vertrouwen;
niets dan bedrog is 's mensen macht,
geen ziel kan daarop bouwen'.
Daar moesten zij voor boeten.
Men stak twee grote vuren aan,
en die het gadesloegen
verbaasden zich, hoe 't kon bestaan
dat zij die pijn verdroegen.
Zij gaven blij zich in de gloed
en konden lied'ren zingen.
't Werd de sofisten vreemd te moed'
bij deze wondre dingen,
waar God zich in deed kennen.
Begane schande neemt geen keer,
dat zouden zij ervaren.
In plaats van lof en roem en eer
konden zij spijt vergaren.
Zij proeven steeds de bitt're smaak
van 't stuk dat zij bestonden.
De Geest stelt allen aan de kaak:
het bloed uit Abels wonden
blijft Kains schuld verkonden.
Hun as laat in geen eeuwen af,
hij stuift naar alle landen.
Daar helpt geen grens of gracht of graf :
de Vijand staat te schande.
Die bij hen leven hun door moord
tot zwijgen heeft gedwongen,
moet nu hun dood aan ieder oord
met aller stem en tongen
hen vrolijk laten zingen.
Zij zijn voor leugens niet beducht:
om 't moordwerk schoon te praten
verspreiden zij een vals gerucht;
't geweten blijft hun knagen.
Gods heil'gen staan zelfs na hun dood
nog bloot aan lasteringen;
zij zeggen dat ternauwernood
de beide jongelingen tenslotte zich bekeerden.
Laat hen maar liegen, altijd door,
't is vruchtloos ondernomen.
Wij danken God de Heer daarvoor,
zijn Woord is weergekomen.
De zomer staat nu voor de deur,
de winter is vergangen:
de tere bloesems breken door.
Die dit heeft aangevangen,
die zal het ook voleinden.
Het lied werd als een soort pamflet op een vliegend blaadje verspreid en heeft een grote indruk gemaakt, wat onder meer blijkt uit de vele vertalingen die ontstonden. Diverse woorden en regels ervan hebben de mensen in de vervolgingstijd aangesproken: 'Zijn grote naam ter ere' (strofe 1), sterven voor het Woord van God (strofe 2), de macht van Satan, de Vijand, die ook in het eerste couplet van 'Een vaste burcht is onze God' wordt genoemd (strofe 3) en het feit dat de twee martelaren, nadat ze uit het priesterambt waren gezet, door Gods genade waren opgenomen in het algemene priesterschap der gelovigen (strofe 6).
De strofen 9 en 10 heeft Luther pas in tweede instantie van het lied toegevoegd. Ze vertellen dat de leuvense sofisten geen enkel voordeel hebben gehad van hun daad. Het martelaarsverhaal werkte als een uitstekend propagandamiddel voor de 'nye lere': het bloed van de martelaren - 'het bloed uit Abels wonden' - is het zaad der kerk. De strofen 11 en 12 tenslotte benadrukken dat het een leugen is - door de tegenstanders bedacht - dat de twee martelaren vlak voor hun dood toch nog hun 'dwaling' hebben ingezien en deze hebben herroepen.
In feite is dit martelaarslied een loflied op Gods genade.
Onze Vader in het Hemelrijk
Na dit eerste lied dichtte Luther nog tientallen andere liederen. Het kerkvolk moest kunnen zingen. Het meest bekend is geworden zijn bewerking van psalm 46: 'Ein fester Burg ist unser Gott'. Veel bekendheid heeft ook gekregen zijn berijming van psalm 130: 'Aus tiefer Not schrei ich zu dir' (Uit diepe nood schreeuw ik tot U), een regel die waarschijnlijk meeklinkt in de beginregel van de prachtige berijming die Revius van deze psalm maakte: 'uit dieper noot, o Heere'. Ook een van onze 'Enige gezangen' gaat via allerlei bewerkingen op een lied van Luther terug. Ik doel op de berijming van het Onze Vader, waarvan de eerste strofe luidt:
O allerhoogste Majesteit, die in het rijk der heerlijkheid de heem'len hebt tot Uwen troon, wij roepen U in Uwen Zoon, die voor ons heeft genoeg gedaan, als onzen Vader need'rig aan.
Deze berijming is terug te voeren tot Luthers 'Vater unser im Himmelreich' (Onze Vader in het Hemelrijk).
Luther en Kerst
Het kan niet anders of Luther moest ook kerstliederen schrijven. Jezus Christus is immers de Heiland der wereld en in Hem is Gods genade geopenbaard. Uit de hoge hemel is Hij neergedaald. Zo laat Luther de engel in een van zijn Hederen verkondigen:
’t Is Jezus Christus, onze God,
die u wil redden uit duister lot;
Hij zelf wil uw verlosser zijn, v
an alle zonde u maken rein.
God is in Christus een genadige, een goedertieren God. Daarvan getuigt Luthers bewerking van psalm 67: 'Es wolle Gott uns gnadig sein' (God moge ons genadig zijn). De eerste strofe in de vertaling van Lodewijk ten Kate luidt:
Goedertieren is de Heer,
heil en zegen wil Hij geven;
vriend'lijk ziet Zijn aanschijn neer,
lichtende ten eeuw'gen leven!
Maken wij Zijn werk bekend
tot des wereld uiterst end,
dat de volk'ren zich bekeren
tot de heerlijkheid des Heren!
W. Barnard, als dichter bekend onder de naam Guillaume van der Graft, gaf van dit Lutherlied een vrije bewerking. Zijn eerste strofe luidt, in prachtige poëtische taal:
Wees ons ten goede.
God zo groot,
en geef ons Uw genade!
Uw hemel ziet zo droevig rood,
gaat alles nu ten kwade?
Maar nee, de zon van Uw gelaat
zal zich naar ons toekeren,
totdat Uw heldre dageraad
verlicht, o onze Here,
heel de bewoonde wereld!
Een vergelijking van deze strofe met die van Ten Kate maakt wel duidelijk hoezeer vertalingen of bewerkingen van elkaar kunnen verschillen!
Tot Luthers bekendste kerstliederen behoort ook 'Nun komm, der Heiden Heiland' (Kom nu. Heiland, Heiland der heidenen). Dit adventslied gaat terug op een beroemde hymne van Ambrosius. Het lied is moeilijk te vertalen en vele dichters hebben er heel veel moeite voor moeten doen om een acceptabel geheel te krijgen. Nooit kan een vertaling volledig recht doen aan het oorspronkelijke. Dat geldt des te sterker wanneer er sprake is van een vertaald lied of gedicht. J. W. Shulte Nordholt, die een moderne versie dichtte met de beginregel 'Kom tot ons, de wereld wacht', spreekt ook over de moeilijkheid om recht te doen aan Luthers woorden. Ik laat hier een berijming volgen uit 1954, die ik aantrof in het 'Gezangboek der Evangelisch-Lutherse Kerk':
Christus, kom, der heid'nen Heer,
Zoon der maagd, kom tot ons neer,
opdat elk verheugd bemerkt,
dat God zulk een wonder werkt.
Van de Vader daalt Hij neer
en keert tot de Vader weer,
gaat tot in der doden woon
en stijgt op tot 's Vaders troon.
Uit Uw kribbe straalt een licht,
waarvoor 't nacht'lijk donker zwicht;
duisternis verdwijnt voor goed.
Het geloof leeft bij Uw gloed.
Lof de Vader op Zijn troon,
lof zij God, Zijn eeuw'ge Zoon,
lof zij God, de Heil'ge Geest,
nu en eens op 't hemels feest.
Ik geloof in Christus
In zijn 'Grote Catechimus' schrijft Luther dat wij mensen goed zijn geschapen. De duivel is echter gekomen en heeft ons gebracht tot ongehoorzaamheid en zonde, en de gevolgen daarvan zijn ongeluk en dood, Gods toorn en ongenade. Maar Jezus Christus is gekomen, de enige en eeuwige Zoon van God, en Hij heeft 'ons arme, verloren mensen uit de muil van de hel gescheurd, ons verworven, vrijgemaakt en teruggebracht in de gunst en genade van de Vader'.
Hieruit hebben de martelaren kracht geput op de brandstapels. Hierop kan ieder mens vertrouwen die geleerd heeft zijn heil buiten zichzelf te zoeken. Wie zich aan Hem toevertrouwt, zal niet verworpen worden. Deze gedachte, die als een rode draad loopt door alles wat Luther heeft gesproken, geschreven en gezongen, vinden we ook in een van zijn gebeden waarmee ik dit artikel afsluit. Het is geïnspireerd op Johannes 61:37 met de bekende woorden van de Heere Jezus: 'Wie tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen’ .
Ik geloof in Christus, die geboren is uit de maagd Maria, die geleden heeft en gestorven is, en ik verlaat me er op, dat Hij zelf zegt: wie tot Mij komt, zal Ik niet buitenstoten.
Op deze woorden verlaat ik mij en op grond van deze woorden kom ik tot U,
lieve Heer Christus, want het is Uw wil. De woorden zijn mij genoeg en geven me zekerheid, want ik weet, dat u me niet beliegt.
Uw woorden zullen me niet op een dwaalspoor brengen, U zult niet verstoten die tot U komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1983
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's