Catechese: Lust of last?
Geloof zelf moge dan niet overdraagbaar zijn, de kennis aangaande Gods liefde en genade in Christus voor Zijn wereld en voor allen, die daarin wonen (psalm 24) wèl.
De problematiek
Het is geen waagstuk te zeggen, dat wanneer de R weer in de maand is, in heel wat huizen verzuchtingen worden geslaakt, die door geen vitaminekuur kunnen worden overwonnen. Het zijn de adressen van jongeren, die worden uitgenodigd tot het bijwonen van de catechisaties. De vraag is gewettigd, of alleen op die adressen zuchten worden geslaakt en of ze in de pastorieën niet minstens even vaak en hartgrondig opwellen.
Van Oosterzee constateerde reeds in zijn dagen: 'Vele zijn nog altijd de uitvluchten, waarmede ook de overigens welgezinde evangeliedienaar zich van het stipt vervullen zijner catechetische roeping ontslaat. Deze vindt er geen tijd toe, gene voelt geen lust of geschiktheid, een derde beweert zelfs, dat hij er het groot belang niet van inziet' (Praktische Theologie - dl. II; 2e dr. pag. 234).
En in zijn 'Catechetiek' somt prof. Berkelbach van der Sprenkel een aantal moeilijkheden op van de catechetische situatie, die inmiddels wel met een aantal factoren vermeerderd zouden kunnen worden. Daar worden o.a. genoemd de achteruitgang in aantal van de catechisanten vanwege het industrialisatieproces; het minder worden of wegvallen van de betekenis van het lidmaatschap der kerk voor het maatschappelijk leven; avondstudies; afbraak van bepaalde tradities.
Feit is dat de problematiek niet nieuw is, maar dat ze met het voortgaan der jaren nog steeds niet is opgelost, integendeel steeds complexer wordt. Meer dan tevoren oefent de sociale situatie ook op het kerkelijk erf invloed uit. Daarnaast is in de loop der jaren het besef gegroeid dat de catechese een zaak is, die meer dan alleen theologisch bepaald is. Prof. Bolkestein zei tijdens een van zijn colleges in Leiden: 'Vandaar dat het gesprek met andere disciplines, die vanuit de mens (psychologisch, anthropologisch, sociologisch, enz.) werkzaam zoeken te zijn, nodig is. Ze mogen zelfs niet meer fungeren als hulpwetenschappen, doch als partners'.
De andere disciplines hebben niettemin geen wezenlijke bijdrage kunnen leveren om de kwantitatieve en kwalitatieve problemen tot een oplossing te brengen. Nog steeds liggen daar de vragen naar de verhouding tussen inhoud en methodiek der catechese, naar de legitimiteit om de jongeren zelf de lijn der catechese te laten uitstippelen en naar de gemotiveerdheid van de catechese zelf. Zie hier maar enkele van de vele vragen, die gesteld kunnen worden, wanneer we ernst maken met onze roeping.
Wat ons is aangereikt
Wie de kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk opslaat en de desbetreffende artikelen en ordinanties overziet, behoeft zich niet af te vragen, of de catechese tot de primaire taak of periferie (randarbeid) der kerk behoort en wat dat impliceert (inhoudt). In artikel XVI en ord. 9 noemt de Kerkorde allerlei zaken over de taak, de inhoud en de middelen der catechese. Ze draagt in een niet geringe mate een introvert (naar binnen gekeerd) karakter. Pas in ord. 9.5 betreffende de voortgezette catechese is sprake van 'het apostolaat der gemeente in de wereld te bevorderen'. De belangrijke plaats, die de catechese krijgt toegemeten, is ingegeven door de gedachte dat opvoeding en onderwijs in de breedste zin cultuurgoed mogen overdragen, doch dat het erfgoed der kerk iets zodanig eigenaardigs is en heeft, dat catechese niet minder is dan voortplanting der kerk.
Wij volstaan ermee te zeggen, dat het Oude en Nieuwe Testament ons genoeg aanreikt, dat fundament en bouwmateriaal kan leveren voor de catechese; zowel de doelgerichtheid als de methode der catechese hebben onder het oude en nieuwe verbond hun continuïteit (doorlopend verband) in het leren kennen van Gods openbaring in Zijn spreken en handelen en het geloofsantwoord daarop. Geloof zelf moge dan niet overdraagbaar zijn, de kennis aangaande Gods liefde en genade in Christus voor Zijn wereld en voor allen, die daarin wonen (psalm 24) wèl. In de verschillende handboeken der catechetiek wordt telkens verwezen naar schriftplaatsen in het Oude en Nieuwe Testament. Wij volstaan er mee te verwijzen naar de bekendste gedeelten: Deut. 6; Psalm 78; Spreuken; Matth. 28 : 19; Hand. 2 : 41 en 8 : 31, alsook 18 : 25; 1 Cor. 14 : 19; Gal. 6 : 6 en andere.
De definities, die men in de loop der tijd heeft gegeven, tonen hoe er sprake is van een ontwikkeling, die het best samen te vatten is als 'blikverbreding'. Ze vormen een goede afspiegeling van het theologisch raam, waarin de catechese haar plaats vind. Wilh. a Brakel zegt: (Redelijke Godsdienst, ed. 1701; p. 669) 'Catechiseeren, dat is door vragen en antwoorden de waarheid en de oefening der godzaligheid in te scherpen'.
J. J. van Oosterzee (Prakt. Theologie, ed. 1898, p. 179): 'Het einddoel der catechese is niet slechts catechumenen tot de kerkelijke gemeenschap, maar tot de Heere der gemeente Zelven, en alzoo tot het Godsrijk te brengen'.
S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel (Catechetiek; ed. 1956, p. 9): 'Dat de Geest des Heren van geslacht tot geslacht het roepende Woord Gods voortdraagt, is de theologische zin der catechese'.
R. Bijlsma zegt in zijn 'Kleine catechetiek' (ed. 1972, p.ll): 'Catechese is het onderricht van de christelijke gemeente aan haar leden, speciaal aan de jongeren, om hen toe te rusten tot een verantwoord leven in de wereld als mondige leden van Christus' Kerk'.
En tijdens een van de colleges van prof. Bolkestein in Leiden tekende ik in 1973 op: 'Catechese is de hulp, die de christelijke kerk biedt aan hen, die lidmaat van de kerk willen worden in de vorm van inwijding, onderwijs en toerusting. Deze hulp wordt voornamelijk geboden aan jongeren, die mondig lid van de kerk willen worden, maar is niet tot hen beperkt'.
Vanaf de Reformatie is er een als introvert beoordeelde catechese geweest, die samen ging met een methode die een sterk kerygmatisch (verkondigend) karakter had. Pas na de 2e wereldoorlog valt een grote kentering te constateren, die parallel loopt met de ontwikkeling binnen het christelijk onderwijs. Een toenemende belangsteling voor het maatschappelijke, aanvankelijk binnen nationale, daarna meer en meer in mondiale dimensies (wereldwijd), valt dan waar te nemen. Deze ontwikkeling zou dan een reaktie zijn op het voorheen zo sterk introverte klimaat binnen onderwijs en catechese. Ik citeer uit 'Cahiers voor het chr. onderwijs, 1973 - Christelijk onderwijs met de wereld als horizon' door prof. Verkuyl en prof. Plomp: 'Het kan niet ontkend worden, dat deze gerichtheid op heel de mensheid en op heel de kosmos dit mondiale aspect in de brieven van de apostelen veel te weinig is geaccentueerd bij de uitleg van deze brieven. Eeuwenlang is de aandacht eenzijdig geconcentreerd geweest op de redding van de individu van zonde en schuld. "Hoe krijg ik een genadig God? " - dat was de vraag, die tijden lang alle andere vragen wegduwde' (p. 17).
De inhoudsopgave van dit boekje biedt een aardig beeld van hetgeen de schrijvers beogen: Schrijvend over 'opvoeding en vorming tot ...' worden dan ingevuld (hfdst. III): 'Participatie aan de Europese Gemeenschap'; (hfdst. IV) 'Deelname van de contemporaine geschiedenis' (hedendaags JHCO); (hfdst. V) 'Deelgenoten in de strijd om gerechtigheid in de rassenverhoudingen'; (hfdst. VI) 'Deelname aan de kerkelijke oecumene'; (hfdst. VII) 'Ontmoeting met vertegenwoordigers van andere religieuze gemeenschappen'.
Sociologie, psychologie, anthropologie en andere wetenschappen hebben daarbij een inbreng gehad. Dat er bij een dergelijke benadering stof genoeg voorhanden is om de catechese daarmee te vullen of daardoor te laten bepalen, zowel inhoudelijk als methodisch, ligt voor de hand. Niettemin is met de hierboven geschetste, veelal als postief beoordeelde gang van zaken het gevoel van onlust niet verdwenen. De catechese bleef of werd nog sterker een last in plaats van een lust. Niet alleen de teruglopende aantallen catechisanten, maar ook omschrijvingen, zoals 'Catechese is het begin van onkerkelijkheid' (Sjalom) en 'Een krampachtig volgehouden machteloosheid' (G. v. Leeuwen), leggen daarvan getuigenis af.
De oorzaak van het gevoel van onbehagen zou volgens Bolkestein liggen in een aantal negatieve feiten: cerebrale (door het verstand bepaalde) bijbelkennis met slecht gebruik; fundamentalisme; terminologie die ver van het hedendaagse taalgebruik afstaat, enz. Deze kwalitatieve kwestie zou van invloed zijn op het kwantitatieve. Reden voor hem om te overwegen: 'Probeer door kwalitatieve benadering ook het kwantitatieve te bereiken. De catechese moet als zoden-aan-de-dijk-zettende ervaring gaan functioneren. Er is geen enkele dwingende methode. Er is zelfs een veelheid, maar in het algemeen kan gezegd worden, dat die methode fout is, die het doel der catechese mist, en goed, die daaraan beantwoordt'.
Maar de juist geschetste gang van zaken laat zien, dat het doel der catechese niet eenduidig wordt verstaan. En dat wreekt zich op verschillende manieren. De op zichzelf volkomen legitieme vraag hoe wij 'onze kerkelijke jeugd' bij het hun toebetrouwde pand kunnen bewaren, is als gevolg hiervan ook niet eenduidig beantwoord. Er is sprake geweest van verschuiving en aanpassing. Bijlsma constateert dat aanvankelijk het christelijk jeugdwerk, ontstaan uit de geestelijke krachten van het Réveil in de 19e eeuw, in de eerste plaats gericht was op schriftgetrouwe prediking en nauwgezette bijbelstudie, die op de jongerenwereld waren afgestemd. De situatie van toen heeft zich allengs gewijzigd, doordat de kerk zich in dezen van haar roeping meer bewust is geworden en de Bijbel in prediking en catechese aan de jongeren poogt te brengen op een wijze, die aan hun gedachtenklimaat is aangepast.
Maar, zo vraag ik, heeft deze vereenzelviging van inhoud en methode die in sterke mate door jongeren bepaald werd, een oplossing gebracht? Maakt niet de catechese net als het kerkelijk jeugdwerk een crisis door? Is het irreëel te zeggen, dat de gememoreerde aanpassing het eigene van het godsdienstig onderricht - voorzover dit nog niet gebeurd is - verloren doet gaan?
Als bijvoorbeeld Dodd en Rengsdorf de catechese aan de orde hebben gesteld als ethische instruktie, is daarmede mijns inziens een deur geopend om catechese te doen uitlopen op een stuk situatie-ethiek, waarbij de diverse andere disciplines geen dienende partners meer zijn, maar dominanten, terwijl een aanvechtbare exegese van sommige bijbelteksten dan toegevoegd wordt om het geheel te 'ondersteunen'. Ik zet dat tussen aanhalingstekens, omdat ik liever het woord 'versieren' zou gebruiken. Het doornemen van enkele artikelen en handboeken (o.a. G. Otto, H. J. Dörger en J. Lott: 'Neues Handbuch des Religionsunterrichts' alsook H. Halbfas: 'Lehrer-Handbuch Religion' en het artikel van A. v. d. Heuvel in 'Wending' 1961, p. 398-414 ('De integratie van de jeugd in de kerk') geven me het gevoel, dat men beter kan spreken van 'Umwertung' van de catechese, en dat het stuk verwarring, waar we oog in oog mee staan, voortkomt uit het feit, dat 'een ieder doet wat goed is in eigen ogen', en dat een schriftbeschouwing meespeelt, die de mijne niet is.
Herbezinning is in elk geval mijns inziens hoogst noodzakelijk.
Overwegingen
Ongeacht onze waarderende of kritische verwerking van wat ons uit het verleden is aangereikt, moet ons voor ogen staan, dat 'catechese zaak is van de Geest, Die ook daar niet bedroefd of uitgeblust mag worden en dat de Geest des Heeren van geslacht op geslacht het roepende Woord Gods voortdraagt' (aldus Berkelbach van der Sprenkel). Als in onze kerkorde niet zonder reden nadruk gelegd wordt op kennis van, het omgaan met en het verstaan van de Schrift, moeten we dan niet tegelijk de vraag stellen, of in de praktijk de schriftkritiek niet groter is dan de zelfkritiek.
Natuurlijk zal niemand betwisten, dat het bijbrengen van een hoeveelheid bijbelkennis of het laten leren van een aantal vragen en antwoorden nog geen catechiseren is. In het onderricht moet iets merkbaar worden van het getuigenis. De catechese heeft immers tot doel de jongeren inzicht te geven en kennis bij te brengen inzake de dingen, waar het om gaat in het christelijk geloof? Daarom is m.i. de vraag aan de orde: wat weten onze jongeren van de zaken, die voor het christelijk geloof fundamenteel zijn, zoals rechtvaardiging, verzoening, wedergeboorte, enz.? Als de inhoud ervan niet bekend is, hoe kunnen ze dan functioneren? 't Valt te vrezen, dat onze catechese te sterk bepaald wordt door de hedendaagse situatie en te weinig door het eigene van wat het gemeente-zijn bepaalt in leer en leven. Ik zou er dan ook voor willen pleiten weer ruim plaats te geven in onze catechese aan het onderzoeken van de Schriften. En dan uiteraard niet doctrinair (leerstelling), maar met een sterk pastoraal accent.
Niet zelden wordt over de catechese geschreven als een verlengstuk van de verkondiging of als instruktie. In noemde eerder de namen van Dodd en Rengsdorf. Thurneysen noemt de catechese 'principieel niet anders dan prediking'. Zo ook A. H. de Graaff in zijn dissertatie (Amsterdam, VU, 1966) 'The educational ministry of the church; a perspective' (De opvoedkundige dienst der kerk; een beschouwing). Op pag. 155 stelt hij, dat 'catechese een zuivere vorm van instructie is. Het is niet een vorm van een debat, of een pastoraal gesprek. Het is niét een soort proclamatie, evangelisatie of aanbidding. Door haar onderwijzen zoekt de kerk catechumenen en hun geloofskennis te vormen'.
Maar als we zo bezig zijn, blijft er dan voldoende ruimte over voor de persoonlijke vragen, waarmee veel jongeren lopen en is er dan nog plaats voor het door Bijlsma voorgestane getuigenis? Ik ben - uit ruime ervaring in stad en op het platteland - ervan overtuigd dat catechese, die het stempel draagt van een pastoraal getuigenis, zin heeft en perspectieven biedt van de last een lust te doen worden.
Ik ben er ook niet bang voor, dat de catechese weer wat meer introvert zou worden. De laatste decennia hebben getoond, dat de reaktie op het introverte in het verleden geen oplossing heeft gebracht, maar eerder in onkunde en verwarring heeft geresulteerd. Dat dit laatste niet denkbeeldig, maar reëel is, moge blijken uit wat prof. Bijlsma in 1979 in 'Media - Bulletin voor lectuurinformatie ten dienste van godsdienstige opvoeding, catechese en kerkelijk werk' heeft verteld. Ik citeer: 'Ik heb een jaar geleden nog een winter catechisatie gegeven. Ik begon op een moderne wijze: wat zijn de vragen waar jullie mee zitten? Ineens zei een jongen: Ja, dominee, maar wij weten niks meer van de Bijbel; we zouden graag wat meer over de Bijbel horen. Vanaf dat ogenblik heb ik stevig bijbelse catechisatie gegeven en er was één en al belangstelling voor'.
Gelet op de problematiek en datgene wat ons is aangereikt, zou ik nooit terug willen naar de catechisatie van mijn jeugd. Hoe goed het inhoudelijk ook kon zijn, het waren kerkdienstjes in het klein. Juist in onze dagen moeten we als catecheten dichtbij onze jongeren staan en ze opvangen en ook pastoraal begeleiden, opdat ook zij 'met vaste schreden de weg ter zaligheid mogen betreden'.
P.S.: Dit artikel werd eerder geplaatst in de afscheidsbundel 'Boeket voor Bolkestein', en voor plaatsing in 'De Waarheidsvriend' bewerkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1984
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's