De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

13 minuten leestijd

In het Kerkblaadje, orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge, was 'een briefje van wijlen dr. Martinus Luther' opgenomen, geschreven door ds. Rudolph Ruthenberg (Soest, Westfalen) in de 'Reformierte Kirchenzeitung'. Het is geschreven geheel in de stijl van Luther en handelt over de vele Lutherherdenkingen rondom zijn 500e geboortedag. Hier volgt het:

'Genade en vrede in Christus! Geliefde Christengemeente, er heerste in deze tijd een compleet oproer onder de hemelse legerscharen. Van onze moederaarde was immers het bericht gekomen, dat men daar voortdurend plechtigheden organiseerde in de duitse landen en ook elders in het Oosten en in het Westen. Uit mijn zaligheid, waarin ik, Godlof! van alle moeite bevrijd, mij helemaal niet verveel en gaarne in de hemelzaal met de lieve engelen musiceer, werd ik opgejaagd en voor de troon van de Almachtige geroepen. Daar werd mij bekendgemaakt, dat het oproer op aarde plaatsvond, omdat sommigen met hete hoofden spreken, terwijl zij voorgeven dat ze op deze manier de vijfhonderdste geboortedag van de arme Martin van Eisenach, boerenzoon en doctor, naar behoren willen herdenken en in ere houden.

Thans is mij opgedragen, deze brief aan mijn geliefde Christenbroeders en geliefde zusters in het geloof te zenden en hun aldus dringend te vragen: "Laat u niet tot dwazen maken door de groten van deze wereld". Want velen die het heft in handen hebben, hetzij in de overheid, in de kerk of onder de geleerden, zijn bezweken voor de verzoeking de geschriften, leringen en sermoenen (preken) van de arme Martinus te verdraaien om hierdoor te kunnen bewijzen, dat hun eigen huidige leer in overeenstemming is met datgene wat ik enkele eeuwen geleden met Gods hulp en genade geleerd heb.

In verband hiermee dient gezegd te worden, ten eerste: volgens de woorden van de heilige Paulus in 1 Thess. 5 VS. 21: "Beproeft alle dingen, behoudt het goede". Zie, hier wil de apostel geen enkele lering of leerstelling voor waarheid gehouden hebben, tenzij het door de gemeente, die het hoort, beproefd en als waarheid erkend wordt. In de wereld gebieden de heersers, wat zij willen, en de onderdanen accepteren het. "Maar onder u, zegt Christus, behoort het zó niet te zijn; neen, onder de Christenen is een ieder de rechter van de ander, en op zijn beurt ook aan de ander ondenvorpen." Alhoewel de geestelijke tyrannen van de Christenheldeen wereldlijke overheid hebben gemaakt.

Vervolgens dient gezegd te worden: ik verzoek dringend, dat men mijn naam met stilzwijgen voorbij wil gaan en zich niet Luthers, maar Christen noemen. Deze leer is immers niet van mij, evenzo ben ik ook voor niemand gekruisigd.

En ten laatste: ik ben en wil niemands meester zijn. Ik heb samen met de gemeente de enige gemeenschappelijke leer van Christus, die alleen onze Meester is (Matth. 23 vers 8). Hiermee Gode bevolen...'

***

Blijkens Woord en Dienst heeft de heer W. Joosse te Rotterdam een zeeuwse vertaling gegeven van een aantal psalmen onder de titel 'Bie wieze van spreken' (ƒ 7, 50 op gironummer 79675). Hier volgt de zeeuwse weergave van Psalm 65:

'1. Een psalm van Daovld, een lied vo den opperzangmêêster.

2. De lofzang is in stilte vo Joe, o Hod! in Zion; Joe za de belofte betaeld worre.

3. Jie die et hebed óórt; toet Joe za aoles komme wat leeft.

4. Onherechtigde diengen aode meind 'r macht; ma onze overtrediengen, die bedekt Je.

5. Wel helukkig dehene, die Jie verkiest; en dichtebie laet kome, dat ie za weune in Je vóóroven; we zulle verzaedigd worre mé et heilige van Je tempel.

6. Ontzagwekkende daeden za Je ons in herechtlgheid antwóórde, o Hod! die ons van vrede spreekt, o Vertrouwen van aole enden van 'd aerde, en van de verre verten an de zêê!

7. Die de bergen vastzet deu Z'n kracht, bekleedt mé macht.

8. Die et heweld van de zeëen doet bedaere, et bulderen van d'r holven, en et heraes van de volken.

9. En dehene die verreweg weune, bin vol vrêês vo Je tekenen; waerde dag openhaeten de aevenddaelt brieng Je blieschap.

10. Je bezoekt et land, en maekt et zeer behêêrlijk, Je zegent et rieaol; de dulleve staet vol deu Hods regen; zö bereid je et vo 't zaoien en maek Je et koren klaer.

11. Je maekt et heploegde land zat; Je doet etzakke in z'n veuren; Je maekt de kluten zacht deu malse regen; Je zegent et opkommen van et zaed.

12. Mé hoedeid króón Je etjaer; waer Je haet lóópt aoles uut.

13. Kwaeien hrond za een lust vo 't óge weze; en de óógten bin saemen blie.

14. Et land Is versierd mé schaepen, de vlakten proenke mé hraen; ze roepe nae mekaore, ja, zo zienge.'

***

We leven snel. Het is al weer bijna tien jaar geleden dat in Oene overleed ds. J. T. Doornenbal, voor velen bekend en geliefd predikant. Er is vandaag al weer een geslacht van jongeren, voor wie de naam al niet meer bekend is. Ds. Doornenbal schreef in de 'Hervormde Kerkbode' van de classis Harderwijk vele stukjes, die landelijk werden gelezen. Zijn schrijven was markant, onberekenbaar, diep vroom, pastoraal en niet zonder (zelf)spot. Het blad De Hoeksteen, tijdschrift voor vaderlandse kerkgeschiedenis (Gertjerasingel 94, 2651 XZ Berkel en Rodenrijs) heeft een heel nummer gewijd aan de pennevruchten van Doornenbal, bijeen vergaderd uit genoemde kerkbode door Gé Wentzel. We nemen hier twee stukjes op, één geschreven naar aanleiding van de begrafenis van de bekende 'vrouw Brouwer' in Genemuiden, één naar aanleiding van een eventueel samengaan van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken. Verder ook nog één van de 'Sorghvlietrijmen' (naer Jacob Cats), geschreven door ds. R. Joh. de Boer, Noorddijk (Gr.), die in enkele van zijn dichterlijke stukken reageerde op ontboezemingen van ds. Doornenbal.

• Over 'Wed. Brouwer':

'Vorige week heb ik op het laatste ogenblik het aangekondigde huisbezoek laten afzeggen. Ik had bericht gekregen van het heengaan van een oude vriendin en wilde zo graag naar haar begrafenis. Mijn broeder ouderling ging er hartelijk mee accoord. Hij zei: een begrafenis is het laatste, en men kan het niet weer overdoen, het huisbezoek kan wel wachten! Nu, na afloop ben ik alleen maar blij, dat ik gegaan ben. Het was er zo goed, een aangenamer begrafenis heb ik zelden meegemaakt. Mijn overleden vriendin was de weduwe Brouwer uit Genemuiden. Meer dan 20 jaren heb ik haar gekend, haar van tijd tot tijd ontmoet en haar opgezocht in haar woning. De eerste kennismaking dateert uit mijn candidatentijd, toen ik soms logeerde in het ouderlijk huis van mijn vriend Oostenbrug, thans predikant in Bussum. Zij was toen nog in de kracht van haar leven. Een bijzondere vrouw, een vorstin onder de mensen, kaarsrecht en hoog van gestalte, een open en sprekend gelaat, ogen die een mens rechtstreeks in het hart en de ziel keken. Een vrouw met een groot verstand en grote gaven. Bovendien een vrouw met een diep geestelijk leven. (...) Zij heeft thans haar wens verkregen. En haar begrafenis is in alles een vreugdedag geweest. Het was stralend najaarsweer. De zon scheen helder en de wind was stil. Een grote stoet volgde de baar vanaf de kerk naar de dodenakker. Het was een vorstelijke uitvaart, geheel in de stijl van de dode, eenvoudig en waardig. De witte mutsen over de gouden kap der Genemuider vrouwen staken licht en helder af tegen al het zwarte rouwgoed van de velen die van heinde en ver gekomen waren, en het geheel vormde een merkwaardige en onvergetelijke aanblik. Een diepe vrede lag over de dodenakker gespreid. Het graf is op het mooiste plekje geheel achteraan in een hoek en in de schaduw van een esdoorn. De zon straalde en een grote duivenvlucht vloog aldoor boven rond, boven onze hoofden.

Drie predikanten, ds. Bout van Utrecht, ds. Cirkel van Woudenberg, beiden oud-predikanten van Genemuiden, en ds. Van Kooten, de tegenwoordige predikant, alsmede ouderling Van der Meulen van IJsselmuiden voerden het woord, allen eens geestes, eerlijk en uit het hart gegrepen. Het werk Gods in de ontslapene werd geprezen zonder één woord te veel of te weinig, en wij allen hebben in een drietal psalmverzen de lof des Heeren en het geluk van Gods volk mogen bezingen. Alles was geheel in de geest van de gestorvene. De Heere heeft ook hierin genade en ere willen geven, en ons hart is erin verblijd geweest Het is een onvergetelijke en rijk gezegende begrafenisdag geweest. Maar ook de ontslapene zullen wij niet vergeten. Nog zie ik haar voor mij zoals ze was in haar goede jaren, die hoge gestalte, dat vorstelijke gelaat in de witte muts met het gouden oorijzer En altijd zal ik mij ook die laatste avond herinneren, nog maar zo kort geleden, toen ze nog zat in haar vriendelijke woning, zo keurig gekleed en rechtop, innemend en levendig in haar spreken als altijd. En vooral als ze stond in de deur van haar huis bij ons vertrek en ons nazag zolang ze ons zien kon terwijl wij heen liepen door de straat langs het water en wuifde zovaak wij naar haar omkeken. Ik heb aan Genemuiden de mooiste herinneringen, zoals het 20 jaar geleden was als zondagsmorgens in de winter uit elke deur de kerkgangers kwamen, de vrouwen met de stoof in de hand aan de koperen beugel, en over de brug en langs de smalle straten kerkwaarts gingen; en aan de diensten in de Kerk, stampvol, de witgemutste vrouwen in het middenschip; aan het machtige psalmgezang dier grote schare, zo vol en sterk als nergens anders, waarbij ik soms naar boven keek of de gewelven niet scheuren zouden; en aan die laatste avond, toen de oude stad met het zonderlinge bolwerk van hooibergen geheel in 't duister lag, maar de straten nog gevuld waren met jong volk op grote, klotsende klompen. Maar alle herinneringen aan Genemuiden zullen verbonden blijven met de figuur van vrouw Brouwer, een grote onder de mensen, een wijze vrouw, een goede vriendin en een moeder in Israël.'

• Over 'Samen op Weg' n.a.v. een (classicale) vergadering in Harderwijk:

'Het belangrijkste punt van de agenda was het onderwerp: "Van kerken tot kerk", ingeleid door ds. Van Dijk. Het ging vooral over een mogelijke toenadering of zelfs toekomstige vereniging van de hervormde kerk met de gereformeerde. Ik hoorde laatst eens vertellen van een jongetje, dat naar de kerk geweest was. Toen hij thuis kwam vroeg zijn vader waar de dominé het over gehad had. ''Over de zonde'', was het antwoord. "Zo", vroeg de vader, "en wat zei hij ervan? " "Hij was ertegen!", zei 't joggie. Ik had gedacht, dat ik met een soortgelijke boodschap thuis zou komen. Mijn eigen conclusie stond namelijk al bij voorbaat vast, en ik vond, dat iedereen in de classis 't daarmee eens moest zijn. Dat bleek weliswaar niet helemaal het geval. Er was ook iets van een pro-geluid, al klonk het niet erg overtuigend. Ik weet natuurlijk wel, dat we allemaal één moeten zijn. Het ongeluk is alleen maar, dat we het niet zijn. Efraïm is van Juda gescheiden en de gereformeerden van ons. En ik zie niet hoe die twee ooit weer één kunnen worden. Als ik eerlijk moet zijn, verlang ik er ook niet naar. Ik heb goede vrienden in alle mogelijke kerken gehad. Ook in de gereformeerde kerken. Ik denk terug aan de dagen van mijn jeugd, aan mijn geboorteland en aan het vrome volk, dat ik er gekend heb en liefgehad. Daarbij waren meerderen uit de gereformeerde kerk, en ik zal ze nooit vergeten, maar ze blijven gedenken en hoogachten, zolang ik leef. Ik was aan hen verbonden met meer dan alledaagse banden. Maar het kwam in ons hoofd zelfs niet op te verlangen naar hereniging van de kerken, waartoe we behoorden. De scheiding was definitief en wij aanvaardden die. Veel vriendelijkheid was er destijds van de kant van de gereformeerde kerk in de richting van de hervormde ook zeker niet. Ik herinner mij 't woord van mijn oude leermeester prof. dr. Hugo Visscher op één van zijn colleges: '"Vroeger werden wij behept (prof Hepp), toen beschilderd (prof Schilder) en tegenwoordig worden we bewaterd (prof Waterink, dezelfde die mij onlangs tot mikpunt maakte van deze speciale aktiviteit!)"

Ik heb nooit geweten, dat er na die tijd in dit opzicht veel veranderd is. Ik dacht, dat de kloof alleen maar dieper was geworden. En ik kan mij moeilijk voorstellen, dat "het driewerf van den Heere der heirscharen, vervloekte kerkgenootschap" (de uitdrukking is van dr Kuyper) voor de gereformeerden nu tot een kerk gepromoveerd is, waarmee ze zich broederlijk verenigen kunnen, alleen maar omdat er nu een andere kerkorde is, die al net zo weinig gereformeerd is als de vorige. En van de kant van de hervormde kerk zelf, hoe zullen we ons ooit verenigd kunnen weten met een wedergeboorte-en een verbondsbeschouwing, waarbij je "van een distel een mirt" (weer dr Kuyper) kunt worden, als je 'm maar nat houdt? Voor de hervormde kerk zou die zeker noodlottig wezen. Een groot deel van de hervormde dominé's is toch al door de nieuw-calvinistische theologie geïnfecteerd, en dit proces zou alleen maar doorgaan en leiden tot een volkomen destructie van het oorspronkelijke geestelijke leven binnen de hervormde kerk. Ik kan daar niet naar verlangen! Wij kunnen niet tot één maken wat niet werkelijk één is, zonder geweld te doen aan het leven zelf. Natuurlijk hebben wij uit te zien naar de eenheid van alle gelovigen. Maar die komt niet op deze manier tot stand. Wij belijden één heilige, algemene kerk, de gemeenschap der heiligen, en wij hopen op de realisering dier eenheid op aarde en in de hemel. Maar dat is het werk van de Koning Zelf, Die de uitverkorenen ten leven Zich tot een gemeente vergadert, en geen menselijk maakwerk.

(...) Dat is de vereniging waar we op hopen. Voorlopig kunnen we, zover ik zien kan, maar 't beste doen wat de Staten van Europa doen, nl. zich verenigen tot gemeenschappelijke doelstellingen, terwijl ze toch hun zelfstandigheid behouden. En dan blijven wij intussen uitzien naar de verwerkelijking van het wezenlijk ideaal, dat ons in 't uitzicht Is gesteld: "En het zal worden één kudde en één Herder".

Dat na dit verhaal niemand dit blad meer zal willen lezen, begint zelfs mij nu wel duidelijk te worden!'

• Eén van de Sorghvliet-rijmen van ds. De Boer toen ds. Doornenbal over een door hem geleide radiouitzending geschreven had '... waarvan je denkt dat je 't besterven zult'.

'Wat sat die Oener dominee
toch vrees 'lijck in de piepsack!
De anghst kroop naer sijn keel omhoogh,
soodat het sweet hem uytbrack.
Het was de eerste keer,
dat hij per radio sou spreeken.
Dit tastte syn ghemoedtsrust aen
veel meer dan duysendt preecken.
Daer sat hij moedersiel alleen
in een kantoor te wachten
Op 't gheele lichtje, bangh geplaeghdt
door microfoon-gedachten.
Het werd hem nae het roode licht
eerst ghroen end' gheel voor d'ooghen
vóórdat hij rustigh segghen mocht,
wat thuys was ovenvooghen.

Een juffrouw schreef hem laeter van haer kansen om te trouwen...
U siet, het heeft toch wel syn nut om eens soo'n "preeck" te hou'en.'

V. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's