De prediking en het Koninkrijk Gods
Predikantenvergadering 1984
Hoe zit het met die teksten die het terrein van de ethiek behelzen?
Vele hervormd-gereformeerde predikanten maakten weer de predikantenconferentie mee, die traditiegetrouw de eerste week van januari in Zeist gehouden werd. Het is onmogelijk het vele, dat aan de orde kwam, in ons blad te 'verslaan'. Enerzijds zou zo'n verslag veel te omvangrijk worden, anderzijds - wat bepaalde bijdragen betreft - te theologisch van aard zijn voor ons blad. Het openingswoord van de voorzitter ds. L. J. Geluk is geheel in dit nummer afgedrukt. Het referaat van dr. A. Noordegraaf over 'De prediking van de Bergrede' zal binnenkort ook geheel in ons blad worden geplaatst. De referaten van dr. W. Balke over 'Kerk en Koninkrijk Gods' en van dr. C. A. Tukker over 'de theologie van Hulldrych Zwingli' (1 januari was het 500 jaar geleden dat hij geboren werd) zullen ongetwijfeld ook ergens gepubliceerd worden. In het hiervolgende nu een paar facetten uit het geheel van de conferentie.
Zwingli
Dr. Tukker stelde dat de aandacht die er voor het 500e geboortejaar van Zwingli is geweest pover afsteekt tegen de brede belangstelling, die het 500e geboortejaar van Luther heeft gehad. Maar Zwingli verdient evenzeer onze aandacht - aldus dr. Tukker - als reformator. Hij stelde dit tegen de achtergrond van de gedachte 'dat Zwingli een slechte Lutheraan of een vader van het vrijzinnig protestantisme is'.
Dr. Tukker behandelde in dat verband Zwingli's avondmaalsleer, zijn (spiritualistische) Schriftleer, de verhouding van wet en evangelie bij Zwingli, zijn pedagogische opvattingen, en zijn politieke aspiraties (is zijn 'bibliokratie' te rangschikken onder 'een politiek evangelie of een politieke prediking? '). Dr. Tukker bracht Zwingli als reformator t.a.v. deze punten dichter bij zijn hoorders.
Hier volgt letterlijk wat dr. Tukker zei inzake het bevindelijke element bij Zwingli:
'Luther en Kohlbrugge hebben ten onzent de laatste decennia de bevindelijke taal en de geloofsbeleving in het algemeen sterk beïnvloed. Zij hebben in zekere zin het getij meegehad, onder andere doordat hun bevindelijke taal zo aktueel en existentieel is. Dat heeft Zwingli zo niet. Hoe krachtig zijn taalgebruik ook is, het is niet gemakkelijk en direkt toegankelijk. Maar niemand kan ontkennen, dat de kracht der godzaligheid erin doorklinkt. Bijvoorbeeld in de twaalf punten, waarmee Zwingli zijn geschrift Von Klarheit besluit. Het is opvallend, zo zegt hij, dat het Woord van God altijd hoogmoedigen en geweldigen vernedert en hen aan de deemoedigen gelijkmaakt om hen te kunnen begenadigen.' In alle gevallen trekt het Woord van God de armen voor, helpt hen en troost de troostelozen en vertwijfelden, en het bestrijdt hen die op zichzelf vertrouwen. Getuige daarvoor is Christus' . Wie de vraag stelt, of het alleen om geestelijk armen gaat, krijgt daar geen rechtstreeks antwoord op. Dat antwoord zullen we nog uit Zwingli's zogenaamde politieke instelling aflezen.
Schriftprincipe is tegelijk Geestesprincipe en Christusprincipe. "Voelt gij dat Gods Woord u vernieuwt, dat God begint u liever te worden dan tevoren, toen gij naar mensenleer luisterdet, wees dan daarvan zeker dat God dit in u gewerkt heeft. Voelt gij dat het u van de genade van God en van het eeuwige leven zeker maakt, dan komt dat van God. Voelt gij dat het u klein en gering maakt, daarvoor (in de plaats) echter God groot in u, dan is dat een werking van God. Voelt gij dat de vreze Gods begint u meer vrolijk dan treurig te maken, dan is dat een zekere werking van het Woord en de Geest van God. Dit wille God ons geven! Amen".
Preken uit de Bergrede
Hoewel - als gezegd - het referaat van dr. Noordegraaf over "de prediking van de Bergrede" geheel in ons blad komt, volgen hier toch een paar passages uit het slot van zijn betoog, dat concreet inging op de prediking.
'Wordt er veel gepreekt uit de Bergrede? We hebben de indruk dat dat in zijn algemeenheid moeilijk te beantwoorden valt. De zaligsprekingen, het Onze Vader (Cat. preek), de gelijkenis van de twee bouwers komen regelmatig aan de orde. Maar hoe zit het met die teksten die het terrein van de ethiek behelzen? Van verschillende zijde is opgemerkt dat de ethische implicaties vaak weinig in de prediking aan de orde gesteld worden. Een onderzoek van J. Hendrik en A. L. Rijken-Hoevens laat zien dat ook vele kerkgangers weinig verlangen naar ethische toespitsingen, maar vooral willen dat de preek gericht is op versterking van het persoonlijk geloofsleven. Komt de Bergrede, zou men kunnen vragen, niet vaak selectief aan de orde? Trouwens, deze selectiviteit zou wel eens op meer gedeelten van de Schrift kunnen slaan. Vrijheid van tekstkeuze is een groot goed, maar roept wel het gevaar van vrijbuiterij op. Wij zijn onder ons er beducht voor - en terecht - dat het Woord overwoekerd wordt door menselijke meningen. Maar hebben we er voldoende erg in dat ook in het kiezen van teksten een menselijke voorkeur zich van het Woord kan meester maken? De calvijnse regel van de lectio continua (vervolgstof) kan ons op dit punt een eindweegs bewaren. En voorts: reigt ook niet het gevaar dat we soms de ethische spits van teksten afbreken? 'k Heb nogal eens wat preken gehoord over Matt. 7 : 24 tot 27 waar nagenoeg in verwaarloosd werd dat Christus degene die zijn woord hoort en doet vergelijkt met de bouwer die op de rots bouwt. Prof. Bolkestein vertelde me eens dat hij een jaargang preken uit "Genade voor Genade" had doorgenomen, daarin zegge en schrijven 1 preek had aangetroffen, waarin de ethiek breed aan de orde zou hebben moeten komen, nl. over de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, maar ach, de prediker behandelde de gelijkenis als een allegorie op Christus die als de Samaritaan de gevallene, de zondaar redt. Het lukt ons kennelijk maar moeilijk de ethiek in de prediking aan de orde te stellen en de ethische bewustwording van de gemeente te richten. Met nadruk zeg ik: ons.
Problemen
Er zijn wel een aantal factoren die het verklaren kunnen. Er bestaat een huiver om zich van het centrum van het Evangelie te verwijderen. Is het risico niet groot dat men in de wateren van het moralisme verzeilt? Komen we voorts, zodra het gaat om de toepassingen van de geboden, niet in een struikgewas van tegenstrijdige meningen, waar het subjectieve gevoel van de prediker al te zeer het Woord overwoekert? Dreigt voorts niet, vooral als het gaat om de sociale en politieke implicaties, het euvel der vereenzelviging tussen een bepaalde mening en het Woord van God? Een andere factor die ons beducht kan maken om in de preek al te concreet te spreken inzake ethische kwesties is dat de gemeente doorgaans hun keuzes al gemaakt hebben en dat het gevaar van conflicten, polarisatie, opsplitsing en groepsvorming levensgroot aanwezig is. Men denke alleen maar aan kerken waar b.v. tot in kerkeraden toe IKV en IKTO twee kampen vormen. Waar kom je terecht als je vooral de macro-ethische toespitsing gaat maken? Wij weten doorgaans het antwoord: in een verpolitisering die we denk ik, allen afwijzen. Daar komt bovendien, voor wat betreft onze tijd, nog bij het verschijnsel van het pluralisme (veelvormigheid). Runia heeft er op geattendeerd dat juist ten aanzien van de ethische vragen we vandaag de dag zitten met een geweldig stuk pluraliteit in denken en gedrag. Normen verschuiven , opvattingen en gevestigde patronen wankelen. Maar de verschuiving leidt niet tot nieuwe unanimiteit. Het is denkbaar dat Runia daarbij vooral de situatie binnen de Gereformeerde kerken op het oog heeft. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat voor een aantal zaken ook in onze herv./geref. gemeenten deze pluraliteit aanwezig is, maar wellicht met de mantel der liefde bedekt wordt of met het kleed van het grote zwijgen. In elk geval plaatst dit de prediker voor de opgave: Hoe kan hij in zo'n tijd Gods gebod concretiseren en verkondigen in de actuele situatie zonder vanaf de hoge kansel eigen mening op te dringen of te vervallen in algemeenheden, die aan de concretisering niet toekomen?
Niet uit de weg gaan
Al deze factoren - en er zijn er wellicht nog meer te noemen - maken het begrijpelijk dat we de ethische toespitsing in de prediking gemakkelijk vermijden. Begrijpelijk, maar daarmee nog niet gerechtvaardigd. Wij kunnen de thematiek van de levensheiliging niet uit de weg gaan. In de eerste plaats niet als we zoals we vaak zeggen het volle Woord aan het woord willen laten komen en al de raad Gods willen verkondigen (Hand. 20 : 27). Want van dat Woord maakt de Bergrede deel uit en daarnaast zijn er vele gedeelten van de Schrift, die bestaan uit geboden, vermaningen, richtlijnen, parenese, zowel ten aanzien van het individuele leven als ook gericht op het leven van volken en samenlevingen. Wij herinneren nogmaals aan Matt. 28 : 19: leert hen onderhouden... Hen, de volken.'
Misverstand
We hebben daarom deze passage uit het referaat van dr. Noordegraaf opgenomen, omdat verslaggeving in de dagbladpers misverstanden kon oproepen, met name de kop in het RD: 'Pas op voor losse vredes-, diakonale- of dierenpreken'.
Het gaat hier om een stukje van de gevoerde discussie. Met name over de vraag in hoeverre er in onze kring ook 'diakonale preken' worden gehouden. Noordegraaf keerde zich toen tegen al die speciale themazondagen, die er vandaag her en der worden gehouden: voor Israël, de vrede, de dieren. Afgezien van het feit, dat de invulling van die thema's vaak preken oplevert, die - om de woorden van Noordegraaf te gebruiken - zich verwijderen van het centrum van het Evangelie, móét de prediker op zo'n zondag maar - of hij de inspiratie ervoor heeft of niet - over dat thema preken.
De prediking moet altijd het centrale in zich hebben en daarom voluit Christusprediking zijn. Maar zo is de Bergrede ook door Christus zélf uitgesproken. En als zodanig kan er vanuit de Bergrede ook ruimte zijn voor een diakonale preek, waarin het gaat om de aan dacht voor de ellendigen, de behoeftigen. Dan moet er ook niet direct de vrees zijn, dat de preek eens een keer niet zoveel accoorden aanslaat, die de persoonlijke geestelijke vragen aangaan. Onze vaderen hielden soms tijdpreken, die dan ook voluit tijdpreken waren, die in gingen op de nood van de tijd. In andere preken gingen ze dan wel weer (even diep) in op de vragen van het geestelijke leven. Zo moet er ook vandaag tijdprediking (kunnen) zijn, en in dat verband ook b.v. diakonale prediking, zonder dat de reactie is: 'Ik heb vanmorgen wat gemist'. Want de Bergrede raakt ook het volle brede (wereld)leven. En daarom was Noordegraafs referaat, evenals zijn bijdrage in de discussie, geen pleidooi om tijdloos te preken. Integendeel! Op z'n tijd moeten en mogen de vragen van de tijd aan de orde zijn, zonder dat er sprake is van een wettisch patroon: dan en dan en zó en zó moet het!
De prediking wordt alleen maar verdiept en de gemeente daardoor geestelijk verrijkt als de hele breedte van de Schrift naar de volle breedte van het leven toe doorkomt. Nu eens het strikt geestelijke, dan het meer ethische. Zo heeft de referent op de concio het bedoeld en ook gezegd.
Niet al die thema-zondagen dus, wel op z'n tijd een toegespitste preek.
V. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's