De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onze 'grote' en 'kleine' traditie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onze 'grote' en 'kleine' traditie

13 minuten leestijd

Het loslaten van de 'grote traditie' én een verabsoluteren en radicaliseren van de 'kleine traditie' levert nl. hetzelfde resultaat op, nl. het verlies van het eeuwig Evangelie.

De Kerk der eeuwen

Wanneer wij geroepen worden het stuk van de kerk naar aanleiding van zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus in catechese en prediking te behandelen, moet het ons toch wel treffen, dat daar gesproken wordt van de Zoon van God, die zich een gemeente vergadert 'van het begin der wereld tot aan het einde'.

In deze zinsnede, deze uitspraak, dit belijden, ligt een niet overbodige bemoediging opgesloten, waar er zich in deze jaren, die voortspoeden naar het einde van het tweede millennium, zo beangstigend veel ontkerkelijking en ontkerstening manifesteren, zo benauwend veel verval en verwording. Mogelijk zijn er onder u, die de stille maar bange aanvechting kennen, dat het in onze cultuur met kerk en christenheid een aflopende zaak is.

Het is goed, dat wij in zulke tijden van ontmoedigd en moedeloos zijn luisteren naar dit vast belijden, dat de beloften van God vertolkt en ons daardoor laten opbeuren en vertroosten. Ons werk in de Heere gedaan is niet tevergeefs. Gods werk, Gods kerk heeft toekomst. Maar in de genoemde zinsnede ligt nog iets anders opgesloten, dat onze aandacht ten volle waard is. Het kerk-vergaderend werk van de Christus is niet eerst begonnen met de uitstorting van de Pinkster Geest, het is er geweest 'van het begin der wereld'. Adam en Eva, Abel en Seth zijn, om zo te zeggen, lid van de gemeente van de Heere Christus geweest. Zijn gemeente kan bogen op oeroude papieren.

In zondag 6 van de Heidelberger treffen wij een verwante gedachte aan. Daar wordt gesteld, dat de Heere het heilig Evangelie voor het eerst in het paradijs heeft geopenbaard. Het Evangelie van schuldvergeving en verlossing is reeds aan de allereerste mensen bekend gemaakt.

Het is duidelijk, dat beide uitspraken in elkaars verlengde liggen. Zonder openbaring van Gods Evangelie kan er geen kerk zijn. Want de kerk wordt uit het Evangelie geboren en leeft daaruit. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis laat in art. 27 precies hetzelfde geluid horen. Zowel Ursinus en Olevianus als De Brés stonden in deze visie op de ouderdom van de Kerk niet alleen. Het leerboekje van de beide duitse theologen was bedoeld om een kerkelijk leerboek voor de gemeente, met name de jeugd te zijn. Het heeft de status van een belijdenisgeschrift gekregen. En De Brés' confessie was al evenmin bedoeld als een individuele expressie van een individuele visie. Hij schreef namens de gehele kerk onder het kruis. Zijn belijdenis is een 'gemeen accoord'. Hierin klinkt de stem van de kerk der eeuwen. Zij pretendeert niet de belijdenis te zijn van een kerk, maar van de kerk.

Zij wil niet zijn een aantal vrijblijvende beschouwingen, maar een samenvatting van de Heilige Schrift en als zodanig norm, zij het norma normata, voor leer en leven. In dit licht is het dan ook niet verwonderlijk, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de afwijzing van de dwaling oude en nieuwe ketters in één adem noemt en zich aansluit bij de patres.

Het geloof der Reformatie, met alle interne accentsverschillen die er waren (en soms waren het meer dan accentsverschillen alleen) verstond zichzelf als de wettige erfgenaam en voortzetting van de vroeg-christelijke kerk en één met Gods kerk ook onder het Oude Verbond. Een dichterlijke uiting van deze overtuiging is te vinden op het koorhek van de Oude Kerk te Amsterdam, waar na de Alteratie van 1578 aan de ene kant de regels werden aangebracht:

't Misbruyck in Godes Kerk allengskens ingebracht.
Is hier weer afgedaen in 't jaer zeventich en acht.

Terwijl aan de achterzijde voortaan te lezen stond:

Men moet om Godes dienst en kennis rein te houwen.
Op 's Woorts grond nu voortaen geen menschen instel bouwen. (Cornells Schellinger).

De kerk der Reformatie heeft zich dan ook verstaan als een vernieuwing, een hervorming, niet als een geheel nieuw begin.

Zij wist zich te staan in de lijn van het ene geloof van profeten, apostelen en vaderen uit de vroeg-christelijke kerk. Wat Edmund Schlink stelt ten aanzien van de belijdenisgeschriften die opgenomen werden in het Konkordienbuch geldt onverminderd van die van gereformeerden huize: hier heeft niet de 'lutherse' kerk gesproken, maar de una sancta catholica et apostohca ecclesia. En: de belijdenisgeschriften maken niet alleen aanspraak hierop voor de tijd van hun ontstaan alleen, maar voor alle volgende tijden tot op Christus' Wederkomst.

Geïsoleerd

Ik ben mij ervan bewust met deze dingen niet iets nieuws te zeggen. Niet iets nieuws, maar wel iets noodzakelijks. En dat naar twee kanten toe.

In de eerst plaats, omdat wij met ons vasthouden aan de gereformeerde belijdenis steeds meer alleen komen te staan. Met 'wij' bedoel ik dan nu de gereformeerden in de Hervormde Kerk. Dit toegenomen en nog steeds toenemend isolement geldt ons binnen onze kerk en ook in de wijdere kontekst van het protestantisme als zodanig. En dat vooral als gevolg van het feit, dat nieuwe vormen van vrijzinnigheid, wier wortels vooral te zoeken zijn in het modernisme van de 19e eeuw, de ethische theologie, het Barthianisme en meer algemeen het denken van de 20e eeuw, thans overheersend zijn. Eerder heb ik in een ander verband gepoogd aan te geven hoe dit neomodernisme van het apostolisch geloof niets overeind laat staan, hoewel het nog dikwijls, gelijk de praktijken van de valse munters, de of een aantal oude termen en formules hanteert.

Te weinig wordt dunkt me, beseft hoe ernstig dit is en hoe vérstrekkend de gevolgen zijn. Zo doende maakt men zich immers los van het verleden, los van de eeuwenlange traditie van de kerk der eeuwen. Zo vervreemdt men zichzelf en anderen van 'het eens voor altijd aan de heiligen overgeleverde geloof (naar de vertaling van Greijdanus van Judas 3).

Wanneer de drieëenheid van God, de twee naturen van Christus, de godheid van de Zoon, de maagdelijke geboorte, de verzoening door voldoening, de waarachtigheid van de lichamelijke opstanding van Christus - om maar enkele zaken te noemen - zijn losgelaten kan men historisch gezien nog wel in de kerk staan, maar heeft men zich van haar substantieel losgemaakt en zich buiten de kerk der eeuwen geplaatst. Het komt mij voor, dat maar weinigen onder ons zich indringend met dit moderne denken in de kerk bezighouden. Wanneer deze waarneming juist is, blijft de gemeente ook verstoken van de noodzakelijke informatie én toerusting. Want weerbaar kan zij alleen zijn wanneer zij ook op de hoogte is van hetgeen zich vandaag de dag voordoet, niet alleen in sommige in het oogvallende gevolgen, maar juist in het verderfelijk beginsel en vertrekpunt. En zouden wij zelf ook niet te weinig leven bij de schoonheid en uit de waarheid van het geloofsgoed van de kerk der eeuwen, dat geloofsgoed, dat als een traditum ons overhandigd is en doorgegeven moet worden? Zijn wij ons het gewicht van deze 'grote traditie' wel voldoende bewust, zo vraag ik me af.

Ik kom nog even terug op hetgeen ik zo-even zei over ons isolement. In de regel hebben wij dit niet gezocht, maar is het ons opgedrongen. De ontwikkelingen in onze kerk zijn de laatste decennia van dien aard geweest, dat wij er eenvoudigweg in werden gestoten. Een denken dat wij on-Schriftuurlijk achten en in haar consequentie doorgevoerd kerk-ontbindend is omdat het de kerk van haar wortel, het Goddelijk Woord, berooft is bezig al verder en verder op te dringen. Daarbij valt te denken aan de beslissing de vrouw tot de kerkelijke ambten toe te laten, het meerderheidsstandpunt in de Generale Synode inzake de kernwapenen, de invoering van het Liedboek, de politieke en maatschappijkritische theologie, de feministische theologie met het vérgaande emancipatiestreven; maar ook het pijnlijk zwijgen van de Synode en haar onmacht iets te zeggen vanuit de Schrift over de hoge waarde van huwelijk en gezin, het wettig gezag, het toenemend geweld, dus tegen alle verwording, om zo maar enkele dingen te noemen. Wie in deze en vele andere zaken die te noemen zouden zijn zich aan de Heilige Schrift oriënteert en zich aan haar begeert te houden, komt in een verwereldlijkte kerk met dito theologie eenzaam te staan. Herinnert u zich nog de hoon, waarmee het Getuigenis in 1971 door velen werd ontvangen?

In dit licht moet ook gezien worden onze huiver voor en verzet tegen het gebeuren van 'Samen-op-weg'. Hier dreigt een eenheid in elkaar gezet te worden die geheel verstoken is van een gemeenschappelijk buigen voor de Heilige Schrift, ondanks alle mooie formules op papier. Deze eenheid dreigt het geheel van de kerk nog verder te verwijderen van de 'grote traditie' en haar nog meer de weg op te drijven van een geheel modieuze theologie, met haar grote schade voor de gemeenten en eeuwige schade aan zielen van mensen. Een gerealiseerd 'Samen-op-weg' zal de nieuw-ontstane kerk, zo valt te vrezen, want de tendenzen wijzen in deze richting, innerlijk vreemd doen zijn aan het geloof van de kerk der eeuwen, maar haar dan in feit (substantieel gezien) ook plaatsen buiten de una sancta catholica et apostolica ecclesia.

Het zal voor gemeenten en predikanten in zulk een kerk nog moeilijker zijn dan thans de lijn van de 'grote traditie' vast te houden. Laat niemand dan ook menen, dat de participatie van enkele hoofdbestuursleden aan de raad van deputaten resp. kernen van belijden betekent, dat er een principiële of practische bereidheid tot het 'Samen-op-weg' gebeuren zou zijn ontstaan. Maar, daartoe uitgenodigd door het moderamen, wilde het hoofdbestuur er wel bij zijn, om te weten waar het met onze kerk naar toe gaat.

Hoe groot de kloof is tussen het contemporain denken en het denken in de geest van onze 'grote traditie' blijkt ook wel uit het feit, dat op al hetgeen uit haar midden naar voren wordt gebracht met hautain voorbijgaan wordt gereageerd. Noch in dogmaticis noch in ethicis worden theologische argumenten vanuit de klassieke gereformeerde theologie (zoals die bijv. ook bedreven wordt in de kring van de christelijke gereformeerden en de vrijgemaakt gereformeerden) opgenomen, gewogen en gehonoreerd.

De discussies bij principiële onderwerpen in de Generale Synode geven hetzelfde beeld te zien. Zo wordt ons niet alleen kerkelijk, maar ook theologisch een isolement opgedrongen, dat wij als hervormd-gereformeerden niet mogen en kunnen begeren. Het mag er ons niet om gaan, dat alleen gerekend wordt met ons als getal.

Ook voor onszelf is deze ontwikkeling niet ongevaarlijk. Het kan nl. gebeuren, dat wij zélf onze 'grote traditie' uit het oog verliezen. Het is triest, wanneer gemeenteleden en predikanten onder ons zó de onder bekoring komen van hetgeen in theologie en kerk en vogue is, dat zij al dan niet geruisloos afscheid nemen uit onze gelederen. Er gaat van het moderne denken altijd iets aantrekkelijks en bekoorlijks uit.

Het ligt zo in de lijn van ons natuurlijk denken. De knak, die de kruis-theologie ons geeft aan hart én verstand blijft je bespaard, als je buiten de 'grote traditie' gaat staan.

Onze 'kleine traditie'

Er is evenwel nog een ander gevaar, nl. dat wij onze 'kleine traditie' op één lijn stellen met de eerder genoemde 'grote traditie'. Waaraan ik bij onze 'kleine traditie' denk?

Aan die zaken, die ons als gereformeerden in de Hervormde Kerk óók typeren, terwijl zij wel van minder gewicht zijn.

Wie, als vreemdeling in onze kring, eens een van onze kerkdiensten bezoekt, wordt dan getroffen door een aantal zaken, die 'het gezicht' van onze gemeenten nogal bepalen: de liturgie is bijv. sober, er wordt veelal niet-ritmisch gezongen, er wordt gelezen uit de Staten-vertaling van de Bijbel en er worden practisch geen gezangen aangeheven. De laatste jaren vindt er binnen de hervormd-gereformeerden soms een verstrakking plaats juist in de zaken van de 'kleine traditie'. Er moet langzamer gezongen worden dan in het verleden, maar de Psalmen ritmisch zingen (zoals men in Geneve deed ten tijde van Calvijn) is nog kwalijker dan een poosje geleden gold.

We gebruiken niet alleen bij voorkeur de Staten-vertaling van de Bijbel, maar er kan hevig over worden gekrakeeld welke van de drie edities je dan wel moet gebruiken.

Vele dames gaan met gedekten hoofde naar de kerk. Dat acht ik een gepast gebruik. Maar nu wordt het voor menigeen tot een wét. Een wet, die ook de kleine meisjes geldt, soms tot op de catechisatie toe. Wat men ook meent te lezen in 1 Cor. 11, deze wet voor kinderen dan toch echt niet.

En (even terzijde), als men zich op 1 Cor. beroept, waarom dan niet op de héle brief, dus ook op vers 2 van hoofdstuk 1? Daar lezen we, dat Paulus schrijft aan 'de gemeente Gods die te Corinthe is'. Wie evenwel de gemeente beschouwt en aanspreekt als de gemeente van de Heere, kan op tegenstand rekenen, terwijl men in de kringen waar een verdere uitbouw van en zoveel aandacht aan de zaken van de 'kleine traditie' te vinden is, deze bijbelse benadering van de gemeente niet alleen afwezig is, maar ook wordt afgewezen!

Genoeg hierover. Ik wil slechts de geest aangeven van een toenemende verwettelijking en deze als een gevaarlijke ontwikkeling signaleren, waardoor wij het wezen van de zaken op een andere manier kunnen kwijt raken. Het loslaten van de 'grote traditie' én een verabsoluteren en radicaliseren van de 'kleine traditie' levert nl. hetzelfde resultaat op, nl. het verlies van het eeuwig Evangelie.

In het ene geval raken Wet en Evangelie in hun onderlinge polaire betrokkenheid zoek, in het andere eveneens en blijven wetjes van mensen over.

De ontwikkeling van het na-exilische Jodendom tot een louter wettische godsdienst mag ook ons wel voortdurend tot een waarschuwend voorbeeld zijn. Van niemand heeft de Heere Jezus Christus zó veel weerstand en haat ondervonden als van de wetsgetrouwen, die wet op wet en regel op regel stapelden en er geen vermoeden van hadden, dat de mens alleen leven kan van Gods genade.

Maken de broeders onder ons, die de zaken van de 'kleine traditie' voortdurend verder toespitsen zich dan nooit zorg over de mogelijkheid, dat zij de gemeente terugleiden naar het diensthuis en stijven in de eigengerechtigheid, die ons van nature toch al zo eigen is? Maken zij zich geen zorg, dat wij de gemeente wegleiden uit de 'grote traditie' en haar op deze wijze stellen buiten de kerk der eeuwen? Ik maak mij zorg over hen die ons verlaten, omdat zij de tegenwoordige theologie hebben liefgekregen.

Ik maak mij zorg over hen, die het Evangelie verkeren in een reeks menselijke voorschriften en regels, zwaar om te dragen. Met hoe veel verkilling van de liefde en verdachtmaking gaat dit laatste gepaard.

Hoe nu?

Waar nodig mogen wij onze 'kleine tradities' gerust eens kritisch bezien. Zij heeft maar betrekkelijke waarde. Het lijkt me geboden, dat wij ons zelf ook onderzoeken en nagaan waar de oorzaken liggen van het overmatig accent op zo veel kleine zaken. En hoe wij daarvan afkomen om (weer) oog te krijgen voor de grote zaken, waar het in de kerk der eeuwen om gaat en waar het ons dus ook nu om dient te gaan. Laten wij niet doen alsof de geweldige saecularisatie van deze jaren ons en onze gemeenten voorbijgaat. Laten wij als dienaren van het Woord ons vooral bezighouden met de de zaken van 'grote traditie', het Woord Gods doorzoeken en ons in onze lectuur bezighouden met de klassieken der kerk. En laten wij volijverig zijn om, onder het Kruis, de verborgenheden Gods uit te delen (1 Cor. 4:1).

Deze verborgenheden bekend maken zal nodig zijn tot de dag van Christus' wederkomst, omdat Hij zich op deze wijze een gemeente vergadert tot het einde, om haar binnen te leiden in zijn heerlijkheid, waar onze bijzondere dienst ten einde is.

De 'grote traditie' heeft de toekomst. Houdt daaraan vast.

Openingswoord op de predikanten-conferentie van de Gereformeerde Bond, gehouden op 4 en 5 jan. jl. Enkele gehoorde opmerkingen gaven mij aanleiding door enkele geringe wijzigingen mijn bedoeling te verduidelijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Onze 'grote' en 'kleine' traditie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's