Kracht en zwakheid
'Ik zal uw inzettingen bewaren, verlaat mij niet al te zeer.' Psalm 119 : 8
Het menselijk leven is boordevol van tegenstellingen. Wilt ge, dat we er enkele noemen? Daar hebt ge aan de ene zijde de onverbiddelijke gestrengheid van het recht. Het moet ondanks alles zijn loop hebben, opdat het leven leefbaar blijven zal. Maar daar hebt ge aan de andere zijde de tere barmhartigheid van de genade. Deze verzacht de harde trekken van het hoekige gezicht en doet er de glimlach van de ontferming op verschijnen. We denken aan de krachtige gezondheid van de jonge mens, die vaak een lust is om aan te zien - maar daartegenover hebt ge de ziekelijke aftakeling van het oude leven. Overal verschijnt de tegenstelling voor uw oog: rijkdom en armoede, hoogte en diepte, zwart en wit en zo hier in de tekst kracht en zwakheid.
Kracht en zwakheid - ze schijnen elkaar uit te sluiten. Ge zijt één van de twee: een krachtmens, die weet wat hij wil en die vastberaden op het doel afgaat ofwel een zwakkeling, die van eigen machteloosheid overtuigd, bij anderen steun, hulp of voorlichting zoekt. Ontzagwekkend zijn die krachtfiguren der zelfbewusten, zij kennen geen aarzelingen, de bodem dreunt onder hun voetstap; het is al energie wat er aan hen te zien is.
Naast deze kloeke gestalten zinken de kleineren in het niet; hun voetstappen zijn wankel, hun oog is vragend, hun hart is vreesachtig, zij wandelen in de achterhoede van de mensheid. Deze twee vormen een onverzoenlijke tegenstelling.
Maar op het terrein van het leven des geloofs en der genade ziet ge een geheel ander beeld. Zie het aan de psalmist: eerst is er 't mannelijk woord der volmaakte beslistheid, het onwrikbare voornemen van de kloeke geest: 'Ik zal uw inzettingen bewaren!' En in datzelfde vers, in één adem dus, is er het woord van het grootste zwakheidsbesef, het woord van de meest volslagen afhankelijkheid, ja, der onmacht: 'Verlaat mij niet al te zeer!'
Kracht en zwakheid - op één ogenblik bij één en dezelfde mens, ziedaar het karakter der kinderen Gods. 't Is geen overmoed, wanneer zij met vaste stem zeggen: 'Ik zal uw inzettingen bewaren'. Simon Petrus was vermetel, toen hij uitriep, dat al zouden alle discipelen aan Jezus geërgerd worden, dit hem zeker niet zou overkomen. Wie echter met de dichter van de psalm wankelt, neemt door Gods genade wel het energieke besluit om in 's Heeren paden te blijven gaan, maar wel verre dat het een overmoedig voornemen is, drukt hij terstond daarop zijn diepe behoefte aan hoger bijstand uit: 'Verlaat mij niet al te zeer!'
Kloekheid van geest én afhankelijk van zin. Een wandelaar, die stevig doorstapt op de weg des Heeren, maar tevens het oog biddend naar boven slaat! Wat is toch het geheim aan de verzoening van die onverzoenbare tegendelen?
Op deze vraag is maar één antwoord: zelfkennis, door Godskennis geleerd. Wie bidt: 'Verlaat mij niet al te zeer!' beseft zeer goed, dat de Heere hem het licht van Zijn vriendelijk aangezicht wel eens zal moeten onttrekken, hetzij omdat deze verberging een straf is voor struikelingen, waarvoor zelfs de meest beliste niet bewaard kan blijven, hetzij om Zijn geloof te beproeven. Maar moet het dan zijn, o Heere, dat Gij mij soms de steun van Uw arm onthoudt, - verlaat mij niet al te zeer; gedenk dat ik stof en as ben en geen enkele voetstap zonder Uw bijstand kan doen; laat Uw genade niet geheel van mij wijken, ook al heb ik het door mijn zonde verdiend, geef mij niet prijs aan de ingevingen van mijn dwaalzieke hart, dat mij steeds op zijwegen van U af wil voeren en neem Uw Heilige Geest niet van mij weg..., verlaat mij niet al te zeer!
Ge hebt het reeds gezien - deze bede is een uiting van zelfkennis, door Godskennis geleerd. Maar in die tweeërlei kennis hebt ge dan ook het ganse leven des geloofs begrepen. De Godskennis, zij ontspringt aan het Woord, toegepast door de Heilige Geest aan het hart. Ze ziet op de kracht, de macht, de bereidwilligheid en de trouw Gods om te helpen. Kortom - ze heeft de volheid der Goddelijke beloften, die in Christus ja in armen zijn, op het oog. Maar de zelfkennis? ... o, ze vreest voor de listigheid van eigen zondaarshart. Ze ziet eigen zwakheid, zwakgeloof, kleingeloof en ongeloof. Ze staan in de afgrond van dat duistere mensenhart, waaruit nooit een goede daad of gedachte opstijgt. De zelfkennis neemt smartelijk waar, dat de mens vleselijk is. Verkocht onder de zonden. Uit die tweeërlei kennis is dus de kracht en dé zwakheid van de tekst te verklaren.
Ziehier, een geheimenis uit het leven der genade Gods.
De natuurlijke mens acht het een dubbelzinnigheid en een dwaasheid. Maar de geestelijke mens verstaat het. Met vaste gang gaan in het pad der geboden des Heeren... en tevens bidden: houdt Gij mijn handen beide, met kracht omvat!
Zalig, als God het u leert bij aanvang en bij voortgang. Zwak in uzelf... maar sterk in Hem. Zo gaat het naar Jeruzalem!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's