'Negentien-vier-en-tachtig' en de informatiemaatschappij (3)
In handen van 'big brothers' zal de mens worden vermalen, tot een nummer worden, nuttig voor zover deze bruikbaar is, vernietigbaar als dit nut niet langer geldt.
Wij stonden eerder stil bij de Orwelliaanse maatschappij, geschilderd in 'Nineteen-Eighty-Four', bij de sinds 1948 snel veranderde maatschappij, bij dé vinding bij uitstek van na te Tweede Wereldoorlog: de computer en zijn invloed op de maatschappelijke ontwikkelingen. Wij vroegen ons af in hoeverre de computer het wezenlijke van ons mens-zijn zal gaan beïnvloeden en zich zelfs met ons denken en voelen zal gaan bezighouden. Om dit laatste enigszins te begrijpen willen wij kort stilstaan bij het eigenlijke van de computer: een denkmachine.
Computers als denkmachines
Tot op hier stonden wij stil bij de computer als rekenapparaat en noemden enkele toepassingen op vele verschillende terreinen van de maatschappij. Veel verder dan het laten zien van de computer als apparaat, zoals elke andere machine, hoe complex ook, kunnen wij niet. Inderdaad, als we een computer zien, dan zien we alleen maar een stukje apparatuur, soms een zaal vullend zoals in een groot computercentrum, dan weer een flinter-klein apparaatje (een chip) ingebouwd in een horloge. Het bijzondere van een computer is echter zijn programma, een lijst van opdrachten of instructies op grond waarvan hij precies doet wat hem wordt voorgeschreven. Met recht is een computer dus een automaat, die steeds weer wisselende soms zeer gecompliceerde bewerkingen en opdrachten kan uitvoeren. Zo'n programma, en dat is nu het bijzondere van computers, is door denkende mensen in elkaar gezet. Soms is een programma dermate omvangrijk dat het door honderden verschillende mensen, die elk voor zich een stukje van het programma voor hun rekening namen, in elkaar is gezet. Niettemin: het is in taal neergeschreven en geformaliseerd menselijk denken. Deze laatste woorden behoeven toelichting, omdat ze essentieel zijn om de werking en de invloed van computers te begrijpen.
Wij zeiden: computers worden geïnstrueerd in de vorm van taal. Dit is een op zichzelf heel belangrijk iets, omdat geen enkele andere door mensen gemaakte machine op een dergelijke wijze wordt 'toegesproken'. Opmerkelijk is dit ook, omdat nu juist taal iets is, waardoor mensen met elkaar plegen te communiceren, waarbij wij ons niet behoeven te beperken tot gesproken of geschreven taal, maar waartoe ook gebarentaal of andere tussen mensen overeengekomen manieren om met elkaar berichten uit te wisselen gerekend mogen worden. Nog belangrijker wordt deze constatering, als wij bedenken dat taal, dat woorden, nog sterker: dat hét Woord in de Bijbel zo'n belangrijke plaats inneemt. Taal is het middel waardoor God met mensen wil omgaan, door God gesproken woorden waren het waardoor Hij de wereld schiep, het was 'in de beginne', het was bij God, hét was God Zelf. Jezus noemt Zichzelf het Woord.
Taal, woorden staan in de Bijbel voor iets creatiefs, voor zowel Schepping als Herschepping. Ook mensen kunnen met taal creatief bezig zijn. Gedachten van mensen worden vastgelegd in woorden, overgedragen in de vorm van taal.
Menselijk denken
De constatering dat computers door middel van taal worden toegesproken heeft blijkbaar te maken met menselijke gedachten, in deze vorm vastgelegd. Een computerprogramma is in formele vorm vastgelegd menselijk denken, dat d.m.v. een automaat, die de computer is, telkens weer in werking kan worden gezet, operationeel gemaakt.
Wij dienen echter te bedenken, dat het hier om menselijk denken gaat. Vooral christenen weten hoezeer dit denken feilbaar, eindig en kortzichtig kan zijn. Christenen weten dat alle uitingen van mensen te maken hebben met hun eigen onvolkomenheden, dat ook hun beste eigenschappen en daden niet het stempel van volmaaktheid kunnen dragen. Trouwens: behoeft men om dat in de praktijk van alle dag te constateren eigenlijk wel christen te zijn? Eerder zagen wij reeds dat velen met ons moeten vaststellen dat de mens van 1984 vaak zo machteloos is. Dat juist mensen zoveel problemen hebben veroorzaakt door hun kortzichtigheid en tekortkomingen, dat wij niet zelden met de brokstukken in onze handen zitten. Computers hebben te maken met beperkt menselijk denken. Om dat te constateren behoeft men heus geen christen te zijn. Daarom zal iemand die dit beseft niet argeloos aannemen dat de opmars van de computer in onze maatschappij alleen maar tot heil van de mensheid zal zijn. Integendeel: in handen van 'big brothers' zal de mens worden vermalen, tot een nummer worden, nuttig voor zover deze bruikbaar is, vernietigbaar als dit nut niet langer geldt.
Maar als menselijk denken beperkt is, dan zullen die computerprogramma's niet anders zijn. Inderdaad. Maar dat is niet zozeer de kwestie, want daar is ieder het wel enigszins over eens. Het punt waar het om draait is echter: wat is de bedoeling van de maker(s) van zulke programma's die, als ze eenmaal op een computer aan het werk zijn gebracht, een enorme macht aan degene geeft die erover kan beschikken; een generaal die aan de knoppen mag komen om een raket af te vuren; een regering die op grond van computer-modellen de 'toekomst', bijv. de sociale stelsels, doorrekent; economen, die het wereldhandelsverkeer beïnvloeden; een arts die een computer gebruikt ter ondersteuning van zijn diagnostiek; een verzekeringsmaatschappij , die doorrekent welk risico wel of niet wordt gedekt.
In zulke benaderingen is voor de mens als individu nauwelijks meer plaats, althans, de verleiding daartoe is groot.
Als computers gebruikt worden, dan heeft het getal de overhand, dan regeert het algemene, dan verdwijnt de volle werkelijkheid in al haar rijkdom, dan gaat het slechts om die aspecten die in maat, symbool en getal zijn uit te drukken.
Is dat wat Orwell zag in 1948 en voorspelde voor 1984? Maar is het dan niet zo, dat juist computers daarvoor de mogelijkheden bieden? Dus: weg ermee!
Vergissingen
Wij zijn ons er van bewust dat niet weinigen zo denken. Zij maken echter twee grote vergissingen, een practische en een principiële. De practische is heel kort: het is onmogelijk een muur om Nederland te bouwen en het is niet de roeping van een christen, die gelooft in zijn opdracht zoutend zout te zijn, in een klooster te gaan zitten, weg van de wereld, weg van de chips. De principiële reden gaat verder en heeft te maken met een christelijke - zo men wil: calvinistische - beschouwing van het leven. Niets is er in deze wereld waarvan Christusniet zegt: het is van Mij. Alles, zonder enige uitzondering, is uit, door en tot Hem. Het is aan ons, mensen, zeker als wij Hem kennen, ervoor te zorgen dat God aan Zijn eer komt in de wetenschap, de techniek, de cultuur, de dienst aan de medemens, inderdaad: in alles. Daarom laten wij computers niet over aan anderen, die Hem (nog) niet kennen en erkennen als de Schepper van alle dingen. Daarom erkent juist een christen, dat hij naar Gods beeld is geschapen, bijna boven de Engelen is gezet (Psalm 8 is gedicht na de zondeval!) en de verantwoordelijkheid heeft ook menselijke creaties (muziek, schilderstukken, wetenschappelijke resultaten, technische vindingen) tot Zijn eer te doen zijn.
Christenen staan in deze wereld en zullen ook in dit computertijdperk mee richting moeten geven aan het verantwoord gebruik van deze machines, moeten wijzen op grenzen in principiële en ethische zin, ervoor moeten waken dat mensen niét vermalen worden of tot een radertje in het systeem. Als computers alleen 'tot leven' worden gebracht door programma's (ook wel 'software' genoemd tegenover de apparatuur, de 'hardware'), en als zulke programma's gebaseerd zijn op menselijk denken, dan kan het niet anders of ze zullen juist op dat denken in de practijk grote invloed hebben. Inderdaad, computers doen zich aan ons voor als wezens met eigenschappen gelijkend op die van mensen. In ons spraakgebruik geven wij - met name de deskundigen - daar ook aanleiding toe. Uitdrukkingen als 'de computer zegt...', of: 'het is een fout van de computer', maar ook woorden voor onderdelen van computers zoals 'geheugen', vergelijkingen tussen componenten van de computer en hersencellen - alle geven zij aanleiding tot ongelooflijke misverstanden.
Let wel: niet iedereen meent dat dit alleen maar woorden zijn. Er zijn mensen, waaronder grote geleerden, die menen dat de huidige computer nog maar aan het begin staat van een veel groter iets, dat zelfs het menselijk brein zal overtreffen. Dat die ontwikkeling op nog ongekende wijze zal doorgaan onderschrijven wij graag. Maar dat er van een overtreffen van het menselijk brein, ja van de mens zelf sprake zou zijn, dient met kracht ontkend te worden. Toch zal zo'n 'krachtige ontkenning' niet veel helpen, als wij moeten constateren dat wij niet te doen hebben met zomaar een wetenschappelijke stellingname, maar met een geloof in de computer als een ding, dat een stap aanduidt in de keten van de evolutie: de mens is in de ogen van zulke mensen niet het eindpunt van de evolutie, zéker niet geschapen naar Gods beeld, maar slechts een tussenstadium. De volgende stap is het 'superbrein', de computer die tot zelfstandig, autonoom denken is gekomen, die zichzelf reproduceert, die intelligentie en bewustzijn heeft, die het heelal zal veroveren. Grootheidswaan.
Waar hebben wij dat toch meer gehoord? Is dat al niet een droom, zo oud als de mensheid? Is het niet bijna komisch te constateren dat God in Babel nu bij uitstek de chaos van de verschillende talen schiep om die waan te straffen?
Tegenover een dergelijk geloof in de computer als stap in de evolutie kunnen wij alleen maar een geloof stellen in het éne Woord van God, dat vrij is van chaos, dat orde schiep in de oer-chaos en dat ordenend en herscheppend optreedt in ons persoonlijk leven en in de wereld als geheel. Een Woord dat ook richting geeft aan het gebruik van computers in onze maatschappij, dat de schijngoden, de afgoden, aan de kaak stelt en ontmythologiseert.
Christenen en computers?
Christenen en computers? Wis en waarachtig! Wij laten zulke vindingen niet alleen maar aan anderen over, die daarmee menen de wereld te gaan beheersen en te kunnen verbeteren. Al was het alleen maar om voortdurend te kunnen zeggen dat men op zulke menselijke bedenksels geen vertrouwen mag stellen, dat wij de verantwoordelijkheid hebben ze in te zetten tot heil van de naaste, dat wij niet het recht hebben daarmee óns imperium te bouwen. Laat staan dat wij ook met computers direct en indirect God en onze naaste mogen dienen. Hier en veraf. In ons laatste deel zullen wij pogen enige richting te geven hoe dan wel ons op te stellen als het gaat om onze houding in de komende 'informatie-maatschappij'. Want dat er een nieuw soort samenleving op til is, is wel duidelijk. Dat de massale werkeloosheid niet alleen maar conjunctureel, maar door de automatisering ook structureel is, valt niet te ontkennen.
De vraag is echter hoe wij op zulke veranderingen moeten reageren. De kwestie is, of dit niet vraagt om een totaal nieuwe doordenking van de vulling van onze tijd, van wat arbeid is, wat de economische principes in zo'n maatschappij behoren te zijn, wat de normen moeten zijn die voor de toekomstige samenleving gelden, wil dit niet een Orwelliaanse maatschappij worden zoals beschreven in '1984'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's