De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Overpeinzingen in Elberfeld anno 1983 (II)

Bekijk het origineel

Overpeinzingen in Elberfeld anno 1983 (II)

11 minuten leestijd

Op de een of andere wijze heeft Kohlbrugge de dood altijd bij zich geweten.

Kohlbrugge en de dood

Over Kohlbrugge en zijn gedachten over en confrontaties met de dood zou een uitgebreide serie artikelen geschreven kunnen worden. Dat willen we hier niet doen maar wel willen we een aantal gedachten doorgeven die wij tijdens ons bezoek aan het kerkhof van de gemeente gehad hebben.

Zo verhalen sommige bronnen dat toen deze begraafplaats was aangekocht enkele vooraanstaande kerkeraadsleden onderscheid wilden aanbrengen tussen de graven van rijk en arm, klassen derhalve. Hieraan heeft Kohlbrugge op zijn eigen niet mis te verstane wijze een eind gemaakt door te zeggen: 'Dan wil ik begraven worden bij de armen!'

Ds. H. van Druten verhaalt ons het volgende: 'Eens begeleidde Kohlbrugge een lijkwagen (was het wellicht op weg naar deze begraafplaats? ) met een geliefde dode er in, achter welke een andere wagen volgde, waarin een treurende moeder en wenende kinderen zaten. Kohlbrugge ging een weinig terzijde; hij kon dat wenen niet meer aanzien en vroeg God: "Waarom laat gij die vrouw zo wenen?" Hij bleef nog wat toeven op het kerkhof en het was hem in de schemering als zag hij een hemelse gestalte, die hem antwoordde: "die vrouw zal nog eens heilig lachen".' (Pag. 121.)

Zo was Kohlbrugge altijd naar de mens gesproken in mineur als het ging om dood, ziekte, zonde en verderf.

In een brief van 15 april 1867 aan zijn innig geliefde dochter Anna schrijft hij: "Op donderdag voor Palmzondag was ik op het kerkhof (dat was zeker dit kerkhof) en heb daar eens uit het diepst van mijn hart gehuild. Eerst hoorde ik de vogels zingen en toen keek ik naar de cederbomen die daar geplant zijn, ook naar de gaten waarin er nog een paar moeten worden geplant. Eenzaam voelde ik me en verlaten, en toch deed het mij goed...' (Kohlbrugge stond hier aan het graf van zijn tweede vrouw die op 25 mei 1866 was gestorven. - Lass dir an etc., pag. 32).

De dood niet het laatste woord

Op de een of andere wijze heeft Kohlbrugge de dood altijd bij zich geweten. Wie nagaat hoe dikwijls hij in zijn leven een geliefde naar het kerkhof heeft moeten brengen wordt er stil van en wie iets weet van de inhoud van Kohlbrugge's preken kan slechts beamen dat hij geworsteld heeft met de dood als weinig anderen.

Maar in die worsteling heeft hij keer op keer de levende God ontmoet die hem, de hinkende en zinkende telkens weer in Zijn schuilplaats, in Zijn Zoon zette en hem in z'n hart graveerde; 'Lass dir an Meiner Gnade genügen', laat Mijn genade u genoeg zijn. Daarom zijn de preken van deze man, die in zichzelf arm was en leeg, meer dood dan levend, zulke heldere stralen van Geest en Leven midden in een stervende wereld. Hij weet van de Opgestane! Daarom ook kan hij zo'n originele en tegelijk diepe verklaring geven van de woorden 'God is niet een God der doden maar der levenden'. Men vroeg hem eens wat dit toch met de opstanding gemeen heeft? 'Gij hebt', was zijn antwoord, 'een hoop rotte appels in een kelder. Zij gij daarom een heer van rotte appels? Zoo is ook God niet een God der dooden, dit is van niets, maar der levenden' (v. Druten - pag. 123).

Zo gingen onze gedachten van het een naar het ander maar bovenal naar Hem die de dood heeft verslonden, vermorzeld, ontkracht. Wat een wonder van genade is het toch dat de Levende, Jezus Christus, ook vandaag nog door het geloof alleen de eeuwige sterkere is. Ja, de Overwinnaar die van die overwinning op zonde en dood in rijke mate uitdeelt zodat ook wij tegen alles en iedereen in mogen, kunnen, ja moeten zingen van deze Jezus, leven van mijn leven; Jezus, dood van mijnen dood. Duizendmaal dank en eer!

Is het een wonder dat deze zelfde Kohlbrugge in april 1855 kan schrijven aan mevr. v. d. Heijdt genietend van een prachtige mand bloemen: 'Op Pasen zag ik ze voor het eerst in onze kamer... Dagelijks neem ik een stoel en plaats mij bij de rijke bloemenmand, 'en mag daarbij uren doorbrengen... daar mij uit de bloemen die dagelijks uit de mand nieuwgeboren opstaan... alles met heimwee vervult, wat daar boven waar en zeker is en wat zich verheerlijkt bij en in ons menschen hierbeneden... Het verhevene, het purperrode der camelia' s beurt mij op, het onuitsprekelijk bescheiden schone der erica's maakt mij kalm en ademt mij vrede en de overwinning toe door en in den dood; het witte der azalea's en dan nog de overige bloemen nl. de lieve kleine rozen in den kelk en in den knop:

"Schoon zevenmaal vertreden,
richt ik mij telkens op,
Mijn naam is Sarons roze:
Een eeuw'ge lenteknop" .

En als een bloem verwelkt en afgesneden wordt, zoo denk ik:
"Welaan dan, ik sterve.
Elia, ik erve
Het eeuwige leven.
Mij door Christus gegeven.
Alleen door Zijn kracht, ...
Wie had dat gedacht?
Wat leidt naar Zijn huis?
De blik op het kruis".

(v. Druten, pag. 141w)

Geen bedevaart

Zo wordt dit bezoek aan deze begraafplaats vol rozen een prediking van Gods genade in de gekruiste Christus. Niet een bedevaart naar de laatste rustplaats van een man die we adoreren maar een prediking uit het graf van een eenvoudige kruier die alles maar dan ook alles, incluis de natuur, incluis zijn dorheid, doodsheid en leegheid, incluis zijn graf, ja zelfs zijn dode schedel laat heenwijzen naar de Levende, het Leven in eigen persoon, Jezus Christus.

Het is daarom alleen dat wij deze gedachten aan u willen doorgeven, niet opdat wij zouden eindigen met een dode Kohlbrugge, maar eindigen in Hem die de alfa en de omega, het begin en het einde is, nl. in de levende Christus.

Als we de begraafplaats verlaten zien we nog bekende namen waaronder die van Eduard Böhl (hoogleraar te Wenen en schoonzoon van Kohlbrugge), Künzli, Wolfsenberger e.a.

Bij de uitgang weet een van ons de schedelpreek uit het hoofd op te zeggen, we kunnen het niet laten om hem ook hier nog eens neer te schrijven in de versie van ds. W. A. Hoek;

'Wanneer ik eens gestorven ben,
- maar ik zal nimmer sterven -
en iemand vindt mijn schedel dan,
die alle licht doet derven;

dan predike die schedel nog:
ik zie Hem zonder ogen,
ik mis verstand, toch grijp ik Hem,
zal eeuwig Hem verhogen.

Ik heb geen lippen en geen tong,
maar kus Hem, mag Hem loven
met de belijders van Zijn Naam
op aarde en hierboven.

Ik, hard en dood, ben wonderbaar
versmolten in Zijn liefde,
want Hij ging uit naar Golgotha,
waar 't zwaarste leed Hem griefde.

Ik ben hier ver van 't paradijs,
op sombere dodenakker,
toch leef ik 't volle leven nu;
zijn liefde riep mij wakker.

Ik ben een dorre schedel slechts,
maar alles trilt van 't leven,
dat zijne liefde, wonderbaar,
mij, arme wilde geven.

En alle leed is nu voorbij,
omdat Hij, wreed geslagen,
de vloek van zonde en van dood
voor mij heeft weggedragen.'

(W. A. Hoek- Kohlbrugge, de onheilige heilige, pag. 153)

Zo bouwt de Heere ook nog door middel van deze kleine verstrooide gemeente in het Wuppertal aan Zijn Koninkrijk. Zo liggen op deze bijzondere begraafplaats vele lichamen van onheilige heiligen te wachten op deze voor-laatste rustplaats tot de opstanding op de jongste dag.

Omdat God het hun gaf te geloven, net als eens hun geliefde voorganger, in de wederopstanding van het vlees.

Wonderlijke stille zaterdag in Elberfeld... gevolgd door, hoe kan het ook anders, een heerlijke paasmorgen. Dit is, dit is de dag der dagen, nu jaagt de dood geen angst meer aan want... alles...alles is voldaan!

Gastvrij onthaal

Na dit bezoek zijn we nog zeer gastvrij ontvangen door enkele leden van de kerkeraad waarbij wij in het huis van één van hen nog veel boeiende informatie hebben gekregen. Aan een muur in dit huis hing een groot en imposant schilderij van een al wat oudere grijsaard, een statige en voorname verschijning van een haast aristocratische allure maar tegelijk met een zeer vriendelijke gelaatsuitdrukking.

Het bleek de overgrootvader van een van de kerkeraadsleden te zijn de Keulse suikerfabrikant Langen met welke familie Kohlbrugge goed bevriend is geweest (v. Lonkhuijzen, pag. 299).

Diens zoon, ds. Langen van Osnabrück, heeft later een aantal brieven van Kohlbrugge aan Joh. Wichelhaus uitgegeven en daarover nog een boeiend artikel geschreven in de Ref. Kirchenzeitung, jrg. 62 (1912) met als titel 'Ds. dr. H. F. K. Kohlbrugge in het licht van zijn brieven aan Johannes Wichelhaus'.

De oude Langen reisde iedere zaterdag per trein uit Keulen naar Elberfeld om de diensten aldaar bij te wonen.

Bedelaars

Toen we moe en voldaan weer weggingen viel ons nog één ding op. Van Lonkhuijzen merkt in zijn boek op dat er in Elberfeld een groot aantal bedelaars was (pag. 296). Vlak voordat wij weggingen werd er aangebeld. Wij hoorden wat gestommel in de hal en toen onze gastvrouw binnenkwam vertelde zij dat er een bedelaar in de keuken zat en dat zij hem, zodra wij weg waren, een maaltijd zou geven. Wonderlijk dat dit anno 1983 nog steeds zo toe gaat daar in die stad. Haar gastvrijheid vormt een typerend staaltje van de mentaliteit van deze gemeente.

Men verwijt Kohlbrugge wel eens een gebrek aan sociaal engagement, dit mag politiek wel waar zijn, maar men mag hem nooit gebrek aan liefdevolle aandacht voor de naaste en diens problemen ontzeggen, hij was geen man die de wereld oversloeg. Integendeel, van vroom gepraat en ellenlange theologische discussies over de uitverkiezing moest Kohlbrugge, met recht, niets hebben. Wij zitten dan maar op de stoel van God.

Schijnvroomheid werd door hem radicaal en scherp ontmaskerd. Maar zoals voor hem Gods Woord tegelijk daad was zo gold dat ook voor de woorden van de gemeente. Geen kans om je erop te beroemen, volstrekt niet, maar de hele organisatie van de armenzorg en de diaconie is een lichtend voorbeeld voor vele gemeenten onder ons waar de gelden soms maar ongebruikt liggen op te hopen terwijl er zoveel nood en leed is.

Kohlbrugge over zijn gemeente

Is er dan niets aan te merken op deze gemeente? Natuurlijk wel, en niemand heeft dat beter begrepen dan Kohlbrugge zelf. Hij heeft altijd heel goed en vaak ook heel pijnlijk beseft dat het hier beneden gaat om mensen die leven vanuit het geloof in het volmaakte heil maar tegelijk deel uitmaken van het onvolmaakte en het onvoltooide hier en heden. Zo stelde een dominee uit het Wuppertal eens aan Kohlbrugge de vraag: 'Hoe gaat het in uw gemeente?'

Daar de twee juist bij een rozenstruik stonden (wellicht op het kerkhof? ) wees Kohlbrugge naar die struik en antwoordde: 'Ziet u wel, deze rozenstruik zit onder de luis en toch bloeien de rozen. Zo ziet het er ook in mijn gemeente uit'. (H. Klugkist Hesse, Hermann Friedrich Kohlbrugge, Wuppertal/Barmen 1935, pag. 341.) Uit zulk een voorval blijkt zonneklaar dat Kohlbrugge heus wel wist dat er aan zijn gemeente heel wat mankeerde. En dat beseffen de schrijvers van deze artikelen ook terdege.

Het is beslist niet onze bedoeling om deze gemeente op te hemelen en ook niet om Kohlbrugge te verheerlijken, nogmaals dat is ook helemaal tegen zijn eigen opvattingen in, zo schrijft hij bijv. aan ds. De Cock; 'Als gij uw dominé's dingen bekijkt, zoo sla uwe oogen naar boven en zegt: Lieve Heere Christus! wat is het goed, dat Gij daar niet inzit, en dat Gij ook de preekstoel niet zijt' (v. Lonkhuijzen-Bijl, B., pag. 14).

Zo ging het Kohlbrugge voor en na om dat ene onbeweeglijke koninkrijk van God, daar zijn we op deze dag weer met nadruk op gewezen en het is dan ook in deze geest dat we dit verslag willen eindigen met een laatste citaat van Kohlbrugge uit een brief aan zijn vriend Van Heumen; 'Maar wij hebben ontvangen een onbeweeglijk koninkrijk. Getuigt daarvan, hetzij zij het hooren of niet hooren, en zo gij dan een gemeente om u heen krijgt, wees blijde, zoo zij als gemeente 30 jaren Christus uit den doode opgestaan in gedachtenis houdt. Vermogen wij het wel 30 minuten? ... Wat is nu de somma (samenvatting) der zake? De Heere heeft eens gebouwd een eeuwig huis in den hemelen en bouwt er al aan voort met louter van allen verworpen steenen, en toch heeft Hij het eens vooral geheel afgebouwd, en het overige is toevoeging... Het Woord Gods blijft in der eeuwigheid' . Soli Deo Gloria.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Overpeinzingen in Elberfeld anno 1983 (II)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's