Uit de pers
In 1948 publiceerde de engelse schrijver Orwell zijn bekende boek:1984, een scherpe tekening van de niets ontziende macht van een diktatoriale staat, waar de menselijkheid van de mens teloor gaat onder het regiem van de 'Grote Broer' (Big Brother)...
George Orwell
In 1948 publiceerde de engelse schrijver Orwell (pseudoniem voor Eric Arthur Blair) zijn bekende boek:1984, een scherpe tekening van de niets ontziende macht van een diktatoriale staat, waar de menselijkheid van de mens teloor gaat onder het regiem van de 'Grote Broer' (Big Brother) die het hele leven controleert, vijanden uitschakelt en door marteling en hersenspoeling tegenstanders op de knieën zoekt te krijgen.
Wij zijn het jaar 1984 ingegaan, en het zat er in, dat in allerlei bladen verbindingen gelegd werden naar het boek van Orwell. Je zou natuurlijk ook omgekeerd kunnen redeneren en kunnen zeggen: Omdat het zo voor de hand liggend is, is het beter niet met de mode mee te doen. Dreigt bovendien niet het gevaar van doemdenken, ondergangsstemmingen en een annexeren van Orwell voor eigen positie? Toch laat het zich verstaan dat men opnieuw grijpt naar het boek van Orwell: de dreiging van het totalitarisme is immers nog steeds geen verleden tijd. En ook al bevragen we de auteur niet direct op het punt of zijn toekomstideeën uitgekomen zijn, het is toch goed ons rekenschap te geven van datgene wat het leven van mensen bedreigt, verwoest en ontmenselijkt. Uit de verschillende artikelen die me onder ogen kwamen geef ik graag iets door. Het blijkt dat auteurs er heel verschillend mee bezig zijn.
Gesjacher met Orwell?
In Hervormd Nederland van 7 januari schrijft Paul Depondt dat iedere ketter in dit boek zijn letter vindt en dat men hem teveel claimt voor eigen visie. De schrijver van dit artikel wijst vooral op het propagandistisch gebruik, dat men in de Koude Oorlog tegen het Oostblok van 1984 gemaakt heeft:
'Leest men integendeel dat boek als een kruisvaart tegen de Sowjet-Unie, dan wordt Nineteen Eighty-Four een boek van 1948, een produkt van de Koude Oorlog een boek van het heden. Dat merkt men geheel omgekeerd aan de vraagstelling van Andréï Amalrik: "Haalt de Sowjet-Unie 1984?" Met toekomst heeft dit boek dan niets te maken. Het is dus een kwestie van ontvangst en daarin worden de jaartallen, of laat ons zeggen heden, verleden en toekomst, belangrijker dan men wel eens denkt.
Op de vraag where do you you stand? antwoordde Orwell dat hij zich als een Tory-anarchist beschouwde. Het gebruik dat men van zijn boek Nineteen Eighty-Four maakt, komt helemaal niet overeen met zijn afschuw van politieke en propagandistische fraseologie, zaken waar hij in dat boek tegenaan ging. Hijzelf werd geen ideoloog van de Koude Oorlog, zoals Arthur Koestier, Stephen Spender of Ignazio Silone dat als kruisvaarders wel werden. Wellicht, want dat zullen we nooit weten, speelde zijn vroege dood, 21 januari 1950 daarin een rol.
Het afwerpen van atoombommen op Nagasaki en Hiroshima markeert de omkering na de Tweede Wereldoorlog, waardoor men in het Westen "eindelijk" Churchill ging volgen, die beweerd had dat "men in Hitler het verkeerde zwijn had geslacht". Men stelde geen prijs meer op Russische deelneming in de strijd tegen Japan. Men beschouwde de wederzijdse vijand als verslagen. Geopolitiek wilden de Verenigde Staten niet dat de Russen hun invloedssfeer in Azië konden uitbreiden. De Koude Oorlog was de omkering. Niet het nazisme of het fascisme, maar het communisme diende bestreden te worden. Dat ook, had gevolgen voor het lezen van Nineteen Eighty-Four. Het boek dat zich ook keerde tegen het fascisme werd op vele krantepagina's een anticommunistisch boek. Het werd opgenomen in de ideologische bovenbouw die zich op aansporing van de Verenigde Staten boven Europa uitspande. Allerlei geloofsafvalligen, die hun communistische sympathieën afzworen, vonden in dat uitspansel onderdak. Zoals Jean Améry dat in Geburt der Gegenwart (1962) heeft geschreven zocht het Westen zich tegenover de marxistische dogmatiek een ideologische bovenbouw ad hoc te scheppen. Er werd op neurotische wijze een antropologie van de homo bolsjevisticus opgesteld, en daarin werd de plot van Ninteen Eighty-Four vanzelfsprekend bruikbaar. In die hele neurotische zwenking die het westerse intellectuelendom van die tijd heeft meegemaakt, werd Big Brother synoniem met de communistische heerschappij. Hun pen leenden ze voor goedkope fraseologie, hun denken verwerd tot het tweepolige "aan deze zijde is er vrijheid" en "aan gene zijde wordt men geknecht".'
Het is de auteur toe te geven dan men niet alleen moet kijken naar dictaturen van linkse snit, maar evenzeer naar dictaturen van fascistische zijde. Toch is het voor mij een vraag of de schrijver recht doet aan hen, die in de vijftiger jaren keken naar het Oostblok. De afschuw rondom de gebeurtenissen in Tjsecho-Slowakije en later in Hongarije speelt hier ongetwijfeld in mee. Getuigt het van een verkeerde mentaliteit als men volken weerbaar wil maken tegen deze dreiging? Ik meen van niet. Maar er zijn stellig meer tendenzen. Het is ook goed om naar onze eigen maatschappij te kijken.
Het vergeten
Daar is niet alleen de dreiging van totalitaire beheersing en vernietiging, de lezer van 1984 ontmoet er twee verschijnselen die hem onmogelijk onberoerd kunnen laten: het uitwissen van de herinnering en het scheppen van een woordgebruik waarbij de taal gereduceerd wordt tot niets-zeggende informatie. Prof. dr. J. T. Bakker schrijft in Evangelisch Commentaar van 13 januari dat daarin vooral het dreigende van Orwell's schildering gelegen is. Over het vergeten zegt Bakker:
'De hoofdpersoon, Winston Smith, is ambtenaar op het "ministerie van waarheid", dat dagelijks de geschiedenis herschrijft en het verleden in overeenstemming brengt met de "waarheid" van het moment, de oorlog hetzij met de ene óf met de andere supermacht. Wat met dat heden in tegenspraak is wordt in alle kranten en verslagen van vroeger van dag tot dag uitgewist en door de "laatste waarheid vervangen; een eindeloze, nooit eindigende arbeid, waardoor stelselmatig de herinnering aan het verleden vervalst wordt, omdat ze letterlijk verdampt in de vernietigingsmachine naast de schrijftafel. Het is een gigantisch karwei, dat per definitie nooit eindigen kan, maar dat tegelijk bewerkt, dat geheugen en herinnering geen enkel houvast meer zullen hebben om zich tegen de waarheid van vandaag en de propaganda van de partij te verzetten. Waar de herinnering is uitgedelgd, daar worden waarheid en leugen volstrekt uitwisselbaar. Het wordt dan letterlijk waar, wat in het boek als de grote slogans door de ether knalt en langs de straten hangt: "vrijheid is slavernij, liefde is haat, waarheid is leugen". En het allerlaatste stadium is dan ook, dat de mens - als men hem nog zo noemen mag - van de druk van de waarheid bevrijd wordt en gelukkig eindelijk zonder enige reserve, leeggezogen en ontspannen, restloos mag geloven wat hem wordt voorgehouden; vandaar dat de slotwoorden van het boek - na de martelingen, het verraad en de "heropvoeding" luiden: "Het was goed, alles was goed, hij had de overwinning-op zichzelf behaald. Hij hield van Grote Broer". Natuurlijk, dat is niet "onze" wereld. En tegelijk is het dat wel. Want ook in onze cultuur wordt de geschiedenis ofwel vergeten of gereduceerd tot stompzinnige feiten uit het verleden - en waar zou je die nou voor nodig hebben - of een opslagplaats voor propagandamateriaal. Traditie als een overbodige last. Terwijl het oerbron van leven is. Er is bijna geen belangrijker sleutelwoord in de bijbel te vinden dan "gedenken". Omdat ze contouren heeft, namen bewaart, helderheid schept, beslissingen overlevert, moed geeft, de trekken van het mens-zijn vasthoudt. Stuk voor stuk wapens tegen de gruwelijke gelijkschakeling en afplatting, die door de collectieve vergetelheid en vervalsing bewerkt worden. Alleen daarom moet je Orwell zo nu en dan herlezen.'
'k Meen dat dit alles bijzonder belangrijk is. Wie de les van de geschiedenis vergeet (met excuus voor de wat moralistisch aandoende uitdrukking), wie niet meer kan gedenken, wie de traditie als ballast overboord werpt, vervalt tot een vluchtigheid van leven die diepgang en dankbaarheid mist en die maar al te snel leidt tot vertekening van de eigen tijd.
Gelovige nuchterheid
Terecht wordt gewaarschuwd tegen overspannen aandacht voor Orwell. Het is dwaas, om te spreken van het jaar van Orwell. Christenen, die hun Bijbel kennen, konden bovendien bij voorbaat gewaarschuwd zijn. In Daniël van 6 jan. schrijft G. Bergacker:
'Onmiskenbaar zijn bepaalde elementen van "1984" in onze maatschappij aanwezig, alleen in afgezwakte vorm. We leven immers in een massa-maatschappij, waarin afwijkend gedrag ten opzichte van die massa maar nauwelijks getolereerd wordt. En wat hebben de moderne media niet een enorme invloed op de massa, die zich graag laat leiden door grote idolen. Grote groepen mensen zijn volkomen afhankelijk van de techniek geworden, waarmee men het hele leven kan beheersen, maar ook bedreigen.
Toch brengt Orwell eigenlijk niet veel nieuws. De maatschappij die hij ons schildert, bevat overeenkomsten met de maatschappij die ons in de Openbaring van Johannes getoond wordt. Lees Openbaring 13 maar, waar geschreven wordt over het beest dat uit de aarde opkomt. Van dat beest zal alles en iedereen volkomen afhankelijk zijn.
Wij weten niet hoelang het nog duurt voor Christus wederkomt. Toch geeft de Bijbel ons bepaalde aanwijzigingen. We worden gemaand te letten op de tekenen der tijden. Professor H. van Riessen wijst er in zijn boek "De maatschappij der toekomst" op, dat er voor het eerst in de geschiedenis bouwstenen aanwezig zijn, die ons in staat stellen ons een realistische voorstelling te maken van de toekomstige maatschappij aan het eind van de wereldgeschiedenis. Het moet eigenlijk onze verbazing wekken, dat zelfs een niet-christen zoals Orwell, ons waarschuwt voor een dergelijke toekomstige maatschappij.'
1984: Een jaar onzes Heeren
Prof. Van Riessen heeft er op gewezen dat Orwell in feite niet meer is dan een opstandige doodgraver, die geen uitweg ziet in die toekomstige maatschappij en daarom in feite geen boodschap heeft. Orwell' s beklemmende boek mag dicht bij onze beleving liggen, en situaties schetsen die we herkennen. Het profetisch getuigenis wijst toch een uitnemender weg. Ook in 1984 mogen we dat Evangelie opslaan, lezen en doorgeven aan onze tijdgenoten. Ds. L. H. Kwast wijst op dit perspectief in het Centraal Weekblad van 6 januari:
'Ook tijden van benauwenis en geestelijke ontgronding zijn nóg tijden van God. Als Isaï een afgehouwen tronk geworden is - niet zonder toedoen van God - komt uit die tronk een rijsje voort. Als volk tegen volk opstaat en natie tegen natie, is het God die de dagen inkort, naar de woorden van Jezus. En als machthebbers het complot smeden om Gods banden te verscheuren en zijn touwen af te werpen, schiet God volgens Psalm 2 in de lach om die kleine lefhebbers in de wereld.
Het is niet anders dan vroeger. Het verschil met toen bestaat alleen daarin dat mensen voor hun besef de macht hebben overgenomen. God is verbannen naar het hiernamaals. Op die buitenpost is hij voer voor theologen. Nogal wiedes dat daarna in onze wereld gecolporteerd wordt met het gerucht van de dood van God. Waarom laten wij ons zo uit het veld slaan? Waarom herinneren we ons niet dat er telkens tijden zijn geweest waarin mensen uit hun doen raakten en niet meer wisten wat zij aan God hadden?
Ergens in Jesaja staan de aangrijpende woorden: "Wij tasten als blinden langs de wand, als wie geen ogen hebben, tasten wij; wij struikelen op de middag als in de schemering, wij zijn in de kracht van ons leven aan doden gelijk". Het is of mensen van tijd tot tijd collectief een blinde vlek op het oog hebben en hun misverstand voor werkelijkheid aanzien. Zouden wij daar ook aan laboreren en voor het jaar van Orwell aanzien wat in werkelijkheid het jaar van God is?
Het zou geen kwaad kunnen om uit Luthers nalatenschap enige nuchterheid mee te nemen. Hij zou immers nog een appelboompje planten aan de vooravond van Christus' terugkeer! Dat schreef hij niet in een onverschillige bui. Maar in het geloof liet hij aan God over wat ons niet toekomt: de beschikking over de tijden. Die zijn veilig bij God, wist hij. Daarom kon hij nuchter blijven in een tijd die óók vol verwarring was. Waarom zouden wij het dan op het jaar van Orwell houden? Zijn boek verdient aandacht. Maar zijn naam is één uit de zeer velen. Hij heeft kunnen waarschuwen omdat de jaren nog van God zijn. En 'omdat ieder jaar een betrekking heeft tot Jezus Christus en tot het Evangelie.'
1984; Niet het jaar van Orwell, maar een Annus Domini, een jaar waarin we weten mogen: Christus leeft en regeert. Hij is Heere van de tijd. Het perspectief van zijn overwinning dient ons wakker en weerbaar te maken. Deze hoop verlamt niet, maar stimuleert juist tot inzet; wakend en biddend, strijdend en werkend mogen we doen wat onze hand vindt om te doen. Het kan je soms bij de handen afbreken. En de onheilspellende berichten zouden je moedeloos maken. Maar het Evangelie wil ook in 1984 een bron van moed en vreugde zijn. De hoop, beschaamt immers niet!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's