De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De andere kant van de medaille

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De andere kant van de medaille

Beroepingswerk

4 minuten leestijd

Toen we een aantal jaren geleden in ons blad voor het eerst de uitdrukking candidatenoverschot gebruikten

Vorige week namen we in de rubriek 'Globaal bekeken' een stuk uit de Waarheidsvriend van 20 april 1967 over van de hand van ds. G. Boer, over moeilijk te vervullen vacatures in stadsgemeenten en andere gemeenten, waar het kerkelijk niet zo eenvoudig ligt, bijvoorbeeld door tegenstelling op het vlak van de modaliteiten. We schreven er al bij dat bedacht moest worden dat ds. Boer zijn stuk schreef toen er van 'schaarste op de beroepingsmarkt' nog geen sprake was.

Het lag voor de hand dat op dit stukje gereageerd zou worden. Want de situatie is door wat is gaan heten het 'candidatenoverschot' wel drastisch gewijzigd. Daarom is het goed ook in het kort de andere kant van de medaille te laten zien. Want schreef ds. Boer zijn artikel voornamelijk als een appèl op de predikanten, thans is het goed om de andere partij in het blikveld te hebben als het gaat om het beroepingswerk, t.w. de kerkeraad.

Toen we een aantal jaren geleden in ons blad voor het eerst de uitdrukking candidatenoverschot gebruikten (in een artikel getiteld 'Bernhardus Smytegelt en het candidatenoverschot') is niet ten onrechte de vraag gesteld of zo'n uitdrukking wel juist is als we denken aan de brede arbeidsvelden die er (moeten) zijn vanwege de ontkerstening, de grootte van menige (wijk)gemeente etc.

Feit is echter intussen dat de situatie zó geworden is, dat nu afkomende candidaten óf één beroep ontvangen, zodat ze ook geen keuze hebben bij hun beslissing, óf geruime tijd moeten wachten op een beroep. Feit is ook dat vele predikanten vandaag, door het kleine aantal vacatures, in de vergeet-hoek zitten als het gaat om het uitbrengen van een beroep. Laten we niet onderschatten wat zowel het één als het ander kan betekenen voor de predikanten.

Ontvangen candidaten slechts één beroep dan staan ze daar gelaten het 'door de gemeente en mitsdien van God zelf geroepen' - wat hun beslissing betreft voor een voldongen feit. En wat betreft de kwestie van het geen beroepen (meer) ontvangen, dat kan én voor gemeenten én voor predikanten op den duur fnuikend zijn. Doorstroming in de gemeenten is gezond; verstoppingvan de doorstroomkanalen ongezond.

Ethiek

Me dunkt dat door het geringe aantal vacatures de ethiek van het beroepingswerk en van het omgaan van kerkeraden met predikanten onder spanning komt te staan, althans kan kómen te staan. Zou b.v. het gevaar ook niet kunnen bestaan dat kerkeraden slordiger gaan omgaan met predikanten? Ik zeg niet dat elk beroep met algemene stemmen moet worden uitgebracht. 'Liggingsverschillen' en dientengevolge verschillen van inzicht over een te beroepen predikant zijn er altijd geweest en zullen er wel blijven. Maar is nu het gevaar niet groot dat tegenstellingen gaan ontstaan om een 'goeie dominee' of een 'nog-betere'? Met andere woorden: dreigt niet het gevaar van kieskeurigheid omdat er zoveel te kiezen valt? Waarbij dan intussen een 'elite' overblijft, die nog voor beroepen in aanmerking komt!

En verder, ook voor de zondagse preekvoorziening kan het gevaar zich voordoen dat slordigheid in de gewone menselijke omgangsvormen ontstaat. Heb ik het mis als ik stel dat het voorkomt dat predikanten op het laatste moment worden afgebeld voor een preekbeurt, omdat men op het laatste moment kennelijk nog beter voorzien raakte?

Ik noemde maar twee voorbeelden, beide wijzend in de richting van het onder spanning komen van de ethiek van het beroepingswerk en de omgang tussen kerkeraad en gemeente; beide uit de praktijk van het (predikanten)leven gegrepen. Gelukkig gaat het hier om zaken die geen regel zijn. Maar zo goed als ds. Boer de vinger legde bij de wondeplek dat predikanten wel eens de luwte kunnen begeren in plaats van de strijd, zo goed moet ook de andere kant van de medaille worden getoond: kerkeraden kunnen onzorgvuldig met (te beroepen) predikanten omgaan.

Ook in een tijd van beroepingsschaarste bestaat er een wederkerige verantwoordelijkheid voor Gods aangezicht van kerkeraden en predikanten. Het beroepingswerk mag daarom niet goedkoop worden, met aankleve van wereldse smetten.

V. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De andere kant van de medaille

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's