Taal in het begin
Van taal tot taal (2)
De mens is niet alleen ontvanger van een talige boodschap, hij kan ook zelf actief optreden.
In het scheppingsverhaal wordt niet speciaal vermeld, dat de mens een talig wezen is. We lezen niet met zoveel woorden, dat de mens het vermogen tot taalgebruik ontving. Maar we kunnen het wel afleiden uit enige plaatsen. Daaruit blijkt dat de mens verondersteld wordt taal te kunnen gebruiken. Een interessante illustratie daarvan in het verslag van Genesis 1 vinden we, als we de teksten Gen. 1 : 22 en Gen. 1 : 28 met elkaar vergelijken. In beide teksten zegent God en spreekt Hij. In het eerste geval betreft het de dieren. Daar lezen we niet dat Hij 'tot hen' sprak. Maar in vers 28, als de Schepper zich tot de mens richt, lezen we dat wel: tot hen'. Die twee woordjes zijn geen bedenksel of toevoeging van de vertalers, maar gaan terug op een hebreeuws woord. Daarin wordt iets zichtbaar van de mens als taalontvanger. Die mens staat in een communicatieve verhouding tot zijn Schepper. Als talig wezen kan de mens, geheel anders dan overige aardse schepsels, het woord van de Schepper ontvangen en verwerken. Die mens kan ook terugspreken.
'Zender' van taal
De mens is niet alleen ontvanger van een talige boodschap, hij kan ook zelf actief optreden. Daarin is de mens een 'zender' van taal, maker van woorden en boodschappen. We lezen over de mens, die namen geeft, die noemt en daarmee onderscheidt en zijn wereld ordent. Die benoeming en naamgeving is niet alleen betrokken op b.v. de wereld van de dieren (Gen. 2 : 20) maar ook op die van de medemens (Gen. 2 : 23 en 3 : 20). In het geven van de namen vervult de mens als het ware een scheppende activiteit. Bij de schepping sprak God (b.v. Gen 1 : 5 en 8, 5 : 2 enz.). In de wereld als arbeidsterrein voor de mens is het de mens, die namen geeft. In en door de taal schept de mens zijn werkelijkheid. We moeten hierbij bedenken, dat voor de Joden een naam en wat daarmee benoemd werd een sterke wederzijdse betrokkenheid hadden. Wie iemands naam door het slijk haalde, tastte die persoon aan. Vloek en zegen waren voor de Joden niet zomaar wat uitspraken, maar grepen de persoon, die het betrof, aan. Wie namen geeft, is bezig de wereld te begrijpen. Wie benoemt, die maakt onderscheid en brengt ordening aan. Taal is niet zo maar een instrument om de werkelijkheid te benaderen. In de taal krijgt de werkelijkheid een voor de mens hanteerbare vorm. We zagen, dat de mens van meet af aan als talig wezen beschouwd wordt. Terecht merkt daarom Landmann in zijn boek 'Filosofische antropologie' op, dat in Genesis het bezit van taal een typisch 'antropinon' is: een kenmerk, waardoor de mens zich onderscheidt van b.v. het dier. Dat is een leerzaam punt. In veel moderne taalwetenschap wordt gemakkelijk een lijn getrokken tussen de dierlijke communicatie en de menselijke taal. Het verhaal van Genesis geeft een ander beeld: o.a. door taalgebruiker te zijn is de mens juist onderscheiden van zijn aardse medeschepselen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's