De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

12 minuten leestijd

Pastoraat dicht bij de mensen

Er is wel eens de opmerking gemaakt dat bijbelse prediking en pastoraat dicht bij het Woord moet blijven, omdat het zijn bron, norm en inhoud vindt in het Woord, en tegelijk dicht bij de mens in zijn of haar concrete situatie moet zijn. In Vandaar is een gedeelte overgenomen uit een rondzendbrief van de familie Fieren, werkzaam in Ujung Pandang, het vroegere Makassar, op Sulawesi (Celebes). In zijn brief vertelt Fieren over de studie aan de Theologische Hogeschool, waar hij doceert, een studie die er op gericht is mensen toe te rusten voor het predikant zijn in de concrete situatie van dorp of dessah.

'Driehonderd studenten schreven aan het begin van deze nieuwe cursus in. Ze kwamen uit negentien verschillende kerken, werkelijk uit alle delen van Indonesië, van Noord-Sumatra tot Irian Jaya. Gezien vanuit haar oorsprong is onze school eigenlijk een opleidingsschool van predikanten voor het oostelijk deel van Indonesië, zeg maar het gebied van Bali tot Irian Jaya. Maar in werkelijkheid komen er ook wel studenten van buiten dat gebied. Juist de verschillende achtergrond van de studenten maakt het werk hier zo boeiend. Want elk gebied heeft zijn eigen cultuur en geschiedenis en daarmee samenhangend zijn eigen problematiek. Dat alles is van grote invloed op het kerkelijk leven daar. Indonesië is geen eenheid, maar een bonte veelvoud van eigen, afzonderlijke culturen.

Deze verscheidenheid is voor mij het fascinerende van het onderwijs dat ik hier aan de theologische school geef, maar tegelijkertijd ook het moeilijke. Want van een docent die vakken dogmatiek en ethiek geeft mag verwacht worden dat hij in grote lijnen op de hoogte is van elk van deze culturen.

Om te weten waarmee de kerken en christenen hier geconfronteerd worden moet je hun leefen denkwereld, hun geschiedenis kennen. Dat is een jarenlang leerproces, dat nooit eindigt. Voor mij heeft het de afgelopen jaren betekend dat ik veel luisterde naar wat de studenten mij vertelden, hun verhalen, hun levensgeschiedenissen. '

Daarnaast heb ik me ook door reizen naar verschillende gebieden, waar ik kerken bezocht en veel gesprekken voerde met gemeenteleden en voorgangers, een beeld kunnen vormen van het leven daar. Het gaat ér immers om dat het evangelie ingaat op de wereld van de mensen daar, en niet als iets onwezenlijks blijft zweven boven denken en voelen, boven de vragen en angsten van de mensen. Daarbij moet ik altijd denken aan wat de Japanse theoloog Kosuke Koyama schreef: "Op weg naar mijn plattelandskerk zie ik vaak een kudde karbouwen, grazend op een modderige sawah. Dat is voor mij altijd een inspirerend gezicht. Waarom? Omdat het mij eraan herinnert dat de mensen aan wie ik het evangelie ga brengen het grootste deel van hun tijd doorbrengen met deze karbouwen op de rijstvelden. De karbouwen zeggen me dat ^k voor deze boeren moet preken in de simpelste zinsbouw en met de eenvoudigste gedachtenontwikkeling... Het evangelie moet worden ingedacht in een denk-en leefwereld die beheerst wordt door: kleefrijst, pisang, peper, hond, kat, fiets, regentijd, een lekkend huis, visvangst, hanegevecht, loterij, buikpijn...".

Voor mij was het een geweldige ervaring toen ik voor de eerste maal diep het binnenland inging. Ik zag de mensen daar, hun huizen, hun karbouwen, hun sawahs, hun ziekten, hun voedsel. Ik sprak met de voorganger, die hier al meer dan tien jaren de gemeente diende.

Toen kreeg ik enig idee waar de studenten die ik mede zou gaan opleiden later zouden gaan werken. Tachtig procent van de Indonesische bevolking woont op het platteland. Dat zal ook wel betekenen tachtig procent van de christenen.

Onlangs kreeg ik een brief van een oud-stüdent, die nu predikant is in een zeer afgelegen gemeente op het eiland Nias (Noord-Sumatra), waarin hij schreef: "Zult u niet vergeten dat zoals ik hier leef en werk, in deze geïsoleerdheid en in deze absolute eenvoud van leven en denken, de meesten van mijn studiegenoten uit Ujung Pandang ook zullen gaan leven en werken? "

Het was bedoeld als een waarschuwing, dié ik bij het begin van dit nieuwe studiejaar weer ter harte probeer te nemen.'

Ik meen dat de ervaringen, hier beschreven, ook van belang zijn voor de Nederlandse situatie. Ongetwijfeld is het waar dat het EvangeUe aan tijd noch plaats gebonden is, gezaghebbend is voor alle volken, tijden en culturen, maar tegelijk dient bedacht dat God ons opzoekt daar waar wij leven voor Zijn aangezicht. Daarom kunnen we tijd noch context verwaarlozen. In prediking en pastoraat, catechese en apostolaat hebben we te worstelen om de verwerkelijking van Gods waarheid in het concrete leven. Dicht bij het Woord en dicht bij de mensen. Wat dat betreft is er tussen 'daar' en 'hier' geen verschil.

Kerken-Islam-Onderwijs

In Inkom' (dec. 1983), het orgaan van de Besturenraad van het Prot. Chr. Onderwijs geeft J. H. Gerritsen een verslag van een studiedag inzake de relatie tussen verschillende godsdiensten en culturen binnen het pfotestants-christelijk onderwijs. De aanwezigheid van met name een groot aantal Moslimgezinnen betekerif een vraag en een uitdaging aan het christelijk onderwijs. Op welke wijze kunnen we hierop inspelen. Christelijk onderwijs wil zeggen onderwijs aan de hand van de Bijbel en vorming van de jeugd vanuit en op grond van een christelijke geloofsovertuiging. Wat betekent dit uitgangspunt voor het onderwijs aan kinderen van religieuze minderheden. Allerlei vragen zijn hierbij in het geding. Niet alleen pedagogische onderwijskundige vragen, maar ook theologische vragen, met name de relatie van het christelijk geloof tot de wereldgodsdiensten, in concreto: de Islam. Ondermeer kwam op die studiedag ter sprake de vraag naar de grenzen van deelname aan eikaars religie. De vraag werd gesteld of in een klas het patroon van godsdienstige vorming gehandhaafd kan blijven als kinderen van een andere cultuur en religie aanwezig zijn. Hoe vindt de ontmoeting plaats? Gerritsen schrijft in zijn verslag:

'Eerder - zie het themanummer Christelijk onderwijs en culturele minderheden van Bulletin uitgaande van de Unie "School en Evangelie" - noemden wij dat drie wegen tot ontmoeting. Nog een keer kort getypeerd als: . Ie weg - oproepend tot bekering tot het Evangelie;

2e weg - zoekend tussen dialoog en getuigenis; 3e weg - samen op weg gaand naar het Koninkrijk, vertrouwend op de ene God van alle mensen.

Wie kinderen vanuit andere culturen/godsdiensten op school toelaat moet zelf eerst ontdekt hebben welke van de drie wegen krachtens de doelstelling van deze christelijke school en de opvattingen van bestuur en onderwijsgevenden begaanbaar is. Die gekozen weg biedt ook de beoordelingsnorm voor het volgende plaatje van de godsdienstige vorming: .

1. Het gesprek vóóraf ter verkenning van de alledaagse werkelijkheid van de leerlingen is nu meer dan ooit geboden; daarbij is het noodzakelijk dat de onderwijsgevende weet heeft van het normen-en waardenpakket van de moslimgemeenschap;

2. alle leerlingen horen dan het verhaal uit de Bijbel, waar mogelijk met samenklinkende elementen uit de koran;

3. bij de individuele verwerking mag iedere leerling zichzelf zijn: eigen expressie, eigen meditatie, eigen gebed enz.;

4. bij groepsverwerking in de vorm van gebed of lied zal de samenklank de keuze bepalen; 5. moslim-leerlingen hebben er recht op dat de onderwerpen van de godsdienstige vorming (bijvoorbeeld) eens per week worden samengevat vanuit het eigen normen-en waardenpakket door een daartoe door de Moskee of Islamitische Culturele Vereniging en/of door het Onderwijs aangestelde islamitische geestelijke/ leerkracht;

6. het zou dialoog-bevorderend werken wanneer de autochtone leerlingen daarbij aanwezig zijn.'

In dit patroon van multi-religieuze vorming stuit men op de vraag naar de verhouding van openbaring en ervaring. Juist van Moslim-zijde werd nadruk gelegd op de gerichte overdracht van normen en waarden zoals deze zijn geopenbaard en opgetekend in de Koran.

'Dit enerzijds om de godsdienstige vorming op school te onderscheiden van het koran-onderwijs dat gericht is op de kennis van de Arabische taal en de tekst van de koran en anderzijds om te voorkomen dat uitgaande van de "menselijke ervaringen" bij de kinderen een meer pluriforme denkwijze kan ontstaan.

Een oecumenische werkgroep in Amsterdam bezint zich op de mogelijkheden van een "interreligieuze dialoog", waarbij wordt onderzocht of algemene (oer)gevoelens en verwachtingen van mensen zoals deze hun herkenning en uitdrukking vinden in (taal)symbolen als "licht' ', "water", "zout", "leven" verbindingspunten kunnen zijn tussen religies en (yooral!) de dragers van die religies.

Er ontstaat bijvoorbeeld in het najaar op het noordelijk halfrond een gevoel van herkenning en verbondenheid, dwars door alle religies heen, bij feesten als Divali (hindoe-feest), Chanoeka (joods feest) en Kerstfeest (feest van de christenen), alle drie Lichtfeesten. Maar de interreligieuze draad brak bij een kerst-katecheseprojekt voor r.-k. basisscholen met onder meer moslim-leerlingen, door de spanning bij de viering van Kerstfeest, als Lichtfeest én als Geboo tefeest van Jezus.

Niet alleen van moslim-zijde klinken waarschuwingen tegen de "ervarings"-benaderingswijze, die zou kunnen leiden tot syncretisrne. Met syncretisme wordt dan bedoeld: "alle geestelijke stromen komen uiteindelijk allen tezamen in de ene goddelijke ze (Mahatma Gandhi).

Voorstanders echter van deze invulling van de dialoog wezen op hun beurt naar blokkerende oplossingsgegevens, die zo dikwijls als exclusief worden verstaan en daardoor de dialoog belemmeren.

Er werd op aangedrongen orii het onderzoek naar de mogelijkheden van de interreligieuze dia loog zowel vanuit de ervaring als vanuit de open baring met kracht voort te zetten en daarvan de proeven aan het onderwijsveld aan te bieden.'

Voorts kwam ook ter sprake de rol van de ouders in het ontmoetingsgebeuren en de relatie tot intercultureel onderwijs. Het zijn zaken van grote'betekenis die hier aan de orde gesteld worden. De lezer gelieve te bedenken dat het verhaal in Inkom een verslag is. Maar dan een verslag dat toch doet vragen: Christelijk onderwijs waarheen? Gaat de dialoog een zo overheersende rol spelen dat niet alleen de identiteit vervaagt, maar vooral de zinsnede: 'de school met de Bijbel' niet meer opgaat? Welke visie op de verhouding tussen openbaring en ervaring speelt hier mee?

Alles op één kaart

In het Hervormd Weekblad van 19 januari gaat dr. C. Bezemer in op het artikel van de heer Gerritsen. Hij wijst op tendenzen die we niet maar kritiekloos tot ons kunnen laten komen:

'De verschillen tussen christendom en islam zijn in velerlei opzicht van wezenlijke aard. Er zijn iiï'de loop der tijd - juist omdat we nu zozeer met de ontmoeting van de beide godsdiensten te maken hebben - allerlei geschriften verschenen, waarin duidelijk wordt uiteengezet welke die verschillen zijn en hoe groot die zijn.

De heer Gerritsen geeft in zijn artikel een samenvatting van "gedachten en nog te beantwoorden vragen opgevangen op deze studiedag". Ik geef in het hierna volgende iets weer van de problemen, die nu in het Prot. Chr. onderwijs aan de orde zijn, en waarmee de desbetreffende stuurgroep zich heeft bezig te houden. De vraag daarbij luidt: Wat zijn de eventuele' mogelijkheden en waar liggen de grenzen?

In het artikel worden vier thema's onderscheiden:

1. De grenzen van de deelname aan eikaars religie. De vraag wordt gesteld of het patroon van de godsdienstige vorming in een monoculturele klas gehandhaafd kan blijven in een klas, waarin ook kinderen van andere culturen zitten. Worden die kinderen uit die andere culturen dan niet geconfronteerd met andere (christelijke) godsdienstige opvattingen, waar zij buiten staan, en die hun identiteit aantasten? Is er dan niet sprake van een vervreemdingsproces? En is een dergelijk proces geoorloofd? Welke weg moet worden bewandeld? De weg van het oproepen tot bekering tot het Evangelie? Of de weg van het zoeken van het midden tussen dialoog en getuigenis? Of de weg van het samen op weg gaan naar het Koninkrijk, vertrouwend op de ene God van alle mensen?

Zo wordt het in het artikel in INKOM gesteld. Maar vooral het laatste, acht ik zeer aanvechtbaar vanuit het standpunt van het christelijk belijden. Wordt door het christendom en de islam hetzelfde verstaan onder "het Koninkrijk"? En wordt die ene God, om Wie het gaat, zowel door het christendom als door de islam beleden? Omdat het voor de hand ligt, dat op deze laatste weg veel in het vage blijft, en het een weg van geven en nemen is, een weg van het compromis, r­meen ik in elk geval deze te moeten afwijzen. De tweede weg lijkt me nog de meest aangewezene, hoewel ik mij afvraag, waarom op een christelijke school, die een bepaalde grondslag heeft, waar veel ouders hun kinderen om principiële redenen naar toe sturen, men niet - laat ik het voorzichtig zeggen - zou mogen uitnodigen tot geloven van het Evangelie als de boodschap van Jezus Christus, de enige Weg tot tijdelijk en eeuwig heil. Het Prot. Chr. Onderwijs zal, wil het inderdaad protestants christelijk onderwijs zijn en blijven, zijn principe niet mogen verloochenen.'

a­ ­ Het probleem is dat wie op dit punt het getuigenis inruilt voor de dialoog, er niet aan ontkomt ook ten aanzien van hen, die weliswaar tot dezelfde cultuur behoren, maar een andere levensvisie zijn toegedaan, deze weg te bewandelen. Laat de christelijke school zich het getuigenis niet schamen. Dat is het ene wat m.i. voorop moet staan. Als dat duidelijk is, dan is het een zaak van tact, fijngevoehgheid en wijsheid hoe we dit getuigenis geven. Maar duidelijk zal moeten zijn dat we er niet komen met het vage, universalistische begrip van de ene God van alle mensen. Met name het Oude Testament kan ons leren dat de God van Israël uniek, onvergelijkelijk is. Wij belijden dat deze God zich in Christus heeft geopenbaard. Niernand komt tot de Vader dan door Hem. Laat het christelijk onderwijs deze evangelische pretentie los, dan wreekt zich dit in de presentie naar buiten. Christelijk onderwijs... waarheen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1984

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's