De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

4 minuten leestijd

De dichters worden heen en weer geslingerd tussen, hoop en geen hoop.

J. Renkema, Misschien is er hoop...: de theologische vooronderstellingen van het boek Klaagliederen. Diss. Kampen (Franeker, 1983), paperback, 372 pag., prijs ƒ 49, 50.

Op 18 nov. 1983 promoveerde J. Renkema te Kampen (Oudestraat). Zijn proefschrift draagt de titel 'Misschien is er hoop...: de theologische vooronderstellingen van het boek Klaagliederen'. Men kan zich afvragen hoe er over dit onderwerp een paar honderd bladzijden kunnen worden volgeschreven. Het blijkt dat de auteur uitgebreid ingaat op bestaande studies over dit onderwerp (Gottwald, Albrektson) en ook heel de politieke geschiedenis van Juda kort voor de ballingschap behandelt. Ook de geestelijke ge­schiedenis zoals die te reconstrueren is uit de profetische geschriften, passeert de revue. De dissertatie biedt daarom meer dan de ondertitel doet vermoeden. De veronderstelde strekking van het boek Klaagliederen wordt treffend aangegeven, door de titel 'Misschien is er hoop...', een citaat uit 3 : 29 N.V. (de S.V. heeft: misschien is er verwachting). Typerend hiervoor is de uitspraak op pag. 321: De dichters worden heen en weer geslingerd tussen, hoop en geen hoop. Ze vinden tenslotte daartussen een laatste onzeker houvast aan de richel van het "misschien".' Hierbij wordt te weinig recht gedaan aan, enige uitspraken die getuigen van een gegronde hoop (bijv. 3 : 21-26). In 3 : 29 wordt de vergelijking gemaakt met iemand die zich voor een Oosters vorst neerbuigt. Bij zo'n vorst was men er inderdaad niet zeker van wat er zou gebeuren (vergelijk Esther!). Maar vanuit de rest van het boek en vanuit heel het OT is er geen reden om niet verder te gaan dan het afwachtende 'misschien'. Ook het slotvers zou ik positiever willen opvatten dan Renkema doet. De aanduidingen 'minimale theologie' en 'theologie vragenderwijs' zijn te mager. De titel 'Nochtans zal ik hopen' zou meer recht doen aan het canonieke boek.

Deze andere waardering van Klaagliederen hangt samen met veel details. Zo kan ik de auteur niet bijvallen in zijn visie dat in het boek weinig zondebesef naar voren komt. De verschillen tussen ware en valse profeten zijn veel te subjectief gedacht. En het boek Deuteronomium wordt ten onrechte laat gedateerd (pas klaar na de ballingschap). De studie van B. Holwerda en J. Wijngaards - om slechts Ned. auteurs te noemen - hadden hier heel wat korrekties aan kunnen brengen. Want wanneer Renkema uitgegaan zou zijn van een veel oudere verbondstheologie met zegen en vloek, zou hij anders hebben geoordeeld over de zgn. 'Sionstheologie' en de veronderstelde deuteronomistische redactie van Jeremia. Het is hier echter niet de plaats om uitvoeriger op deze zaken in te gaan. In het algemeen kan men zeggen, dat de auteur volop gebruik maakt van de resultaten van het historisch-kritische Bijbelonderzoek. Daardoor wijkt de visie van de schrijver (voorheen Geref. predikant te Schipluiden, thans wetenschappelijk medewerker te Kampen) op het ontstaan van het OT duidelijk af wat voorheen gebruikelijk was binnen de Gereformeerde Kerken. De namen van Aalders en Ridderbos mogen hier en daar nog in een voetnoot staan, hun inzichten spelen niet wezenlijk meer mee. En dat is het wat ik het meeste betreur in deze dissertatie. Over allerlei details valt te praten, maar wanneer fundamenteel een andere koers is ingeslagen en wanneer de Geref. traditie slechts een randverschijnsel is geworden, ligt het kwaad veel dieper. Doch in plaats van het aanheffen van klaagliederen wil ik liever de vraag stellen aan de theologisch geschoolden onder ons: Waar blijven de studies van onze kant?

Ondanks alle bezwaren bevat het proefschrift ook veel nuttig materiaal, vooral in het weergeven en analyseren van recente literatuur. Helder en overzichtelijk laat de schrijver zien hoe hij tot zijn konklusies komt. De uitgebreide lijsten laten zien hoeveel onderzoek verricht is om de gemeenschappelijke woordenschat met de Psalmen en de profeten aan te tonen. Heel positief waardeer ik het, dat de auteur de lijnen van Klaagliederen doortrekt naar het heden. Wat kunnen wij als nieuwtestamentische gemeente met dit oudtestamentische boek? Mogen we hier typologisch het lijden van Christus in zien? Al met al mag bij een verdere discussie over de theologie van Klaagliederen deze op hoog niveau geschreven studie niet buiten beschouwen blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's