De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geen berusting, maar gegronde hoop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geen berusting, maar gegronde hoop

7 minuten leestijd

En nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop, die is op U! Psalm 39 : 8

Mensen kunnen muurvast raken in de wereld van vandaag. Vast in zorgen. Gevangen in grote moeiten. Vast in de zonden die hen binden; in de dood die hen aangrijnst. Kom daar dan maar eens van los. Dat lukt niet zeggen velen. Ja, we zingen wel: de Heere maakt de gevangenen los. En we proberen de muren van onze gevangenis wel een andere kleur te geven in het geloof. Maar er is wel een ontkomen? Of is de aanvaarding van de gang door het leven berusting? Het geloof kent geen berusting. Het geloof spreekt van hoop en verwachting. Zo spreekt de man die hier voor ons staat uit psalm 39. Het is niet zo dat zijn hoop en verwachting het sluitstuk is van zijn spreken. Geen eind goed al goed. Zijn leven is er door getekend. En halverwege de psalm zie je het oplichten. 'En nu, wat verwacht ik o Heere? Mijn hoop die is op U'. Je bent geneigd met dat vers in de hand de psalm door te lopen. Als een lamp het mee te nemen. Want het is hier bar donker. Zo lijkt het. Donker en stil. We kennen die uitdrukking wel op het gezicht van mensen; het denken is dan geworden tot rond-dolen. 'Hij is de oude nooit meer geworden' zeggen we dan. 'Wat heeft het hem aangegrepen.' .

Hier klaagt de dichter: 'Neem uw plaag van op mij weg'. De slag die hem getroffen heeft kan hij niet te boven komen. Wat is er dan vraag je. Lijden! Nee het heeft in deze psalm niet in de eerste plaats te maken met vragen van rijkdom en armoede. Al steekt het ook hier z'n kop op. Het lijkt meer op de vraag van Job en Asaf. Toch ligt de nood dieper dan de vraag: waarom lijden de vromen terwijl het de goddelozen goed gaat. De dichter worstelt met de nood van het dagelijks bestaan. Nu dit, dan weer dat. We moeten het maar dichtbij onszelf plaatsen. De noden van ziekte en zorg, van werk en werkeloosheid. Van je huwelijk, van de onmogelijkheid tot het leggen van relaties. De nood kan te maken hebben met de toekomst: van jezelf, de kerk, de gemeente. Maar dan niet in die zin dat je het gaat uit­spinnen; bepraten en beschouwen. Hier is sprake van een nood die overrompelt. Zodat je zegt: Ik red het niet meer. Ik kan het niet meer aan! Opgekropte smart. Zodat je ziel het niet meer uithoudt: 'Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking'. Opgekropte smart is geen genezen smart. Dat moeten we niet afzwakken. Het is de nood waarin deze dichter gevangen zit. Zwijgend. Hij probeert antwoorden te vinden. Maar zijn smart werd verzwaard. Totdat hij gaat spreken. Het is een geweldige opluchting als er gesproken mag worden. Als de tong wordt losgemaakt. In gesprek met God. Hoor hij bidt. Er is een opening gekomen. Omdat hij bidt om verlossing van zijn overtredingen. Hij kent en érkent de zonde die zich in het lijden als een macht over het leven heeft uitgespreid. Over zijn leven. Daar ligt mijn eigenlijke nood. Mijn dood. Dood in zonden en misdaden. Ik hoef mijn stand niet langer op te houden: op de bodem aller vragen ligt de zondeschuld. Ter dood veroordeeld. Banden des doods en angsten der hel. Hier laat iedere hulp van mensen het afweten. Hoor hij bidt: 'Heere, maak mij bekend mijn einde, en welke de maat mijner dagen zij.' Dat is best opvallend dat hij dat aan de Heere vraagt. Je hoort het meer aan de dokter vragen. Mensen willen 'De waarheid' over hun leven horen. Deze dichter vraagt het aan God: Maak mij bekend. Geef mij inzicht in mijn leven. En tegelijkertijd houdt hij dat leven dat zo kort en klein is aan de Heere voor. Dat is de weg die je al de bidders in de psalmen ziet gaan. Met hun vreselijke vermoedens, met hun vragen en waaroms lopen ze niet weg. Ver bij God vandaan. De psalmbidders komen bij God zelf terecht. Met het probleem van de kortheid van het leven, met de dood komen ze bij de levende God. Ze houden vast aan wat Hij vroeger beloofd en gedaan heeft. Daarom blijven ze bidden. Volhardend. Verwachting? Alleen bij God. 'En nu, wat verwacht ik, o Heere, mijn hoop die is op U.' Hier concentreert zich de psalm. Het vers is inderdaad een lamp. Je ziet deze dichter ineens doen waar de Heere Jezus later toe aanspoort; bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden. Dat is niet voor niets, dat Jezus later op drie wijzen hetzelfde zegt. Daardoor krijgt de aansporing een geweldige kracht. Want Hij weet, voor bidden is geduld en volharding nodig. Deze volharding en dat geduld concentreert zich in gebed: 'Mijn hoop die is op U'. Wat hemzelf betreft is de dichter een wanhopig mens. Geen verwachting: noch van de wereld, noch van het leven, noch van zichzelf. En nu: mijn hoop die is op U.

Het staat er bijna alledaags. Als je bij de schriften leeft ben je geneigd te zeggen: wat zou er anders moeten staan. Ja, niemand die de Heere kent heeft redenen om aan te nemen dat Hij het maar op zijn beloop zal laten. Als onze hoop op Hem gericht mag zijn dan is het een gegronde hoop. We blijven dan niet steken in onze nood; zelfs niet in de dood. Dat is het verrassende van deze hoop. Nooit omkomen. Nooit ondergaan! U vraagt waarom niet? Omdat de hoop waarover hier gesproken wordt niet gericht is op de toekomst zondermeer. Dat is immers altijd een heel onzekere hoop. Niemand kent de toekomst. Niemand weet of de hoop die we op de toekomst hebben een gegronde hoop is dan wel een ijdele hoop. Bij de dichter is het anders. Zijn hoop is gericht op de Heere God: op wat Hij zegt over de toekomst. Met deze hoop is de Naam van de Heere God gemoeid. Dat geeft een hoop die nooit beschaamt. De dichter van deze psalm gooit het anker van zijn leven vast in zijn hopen op God. In Hebreen 6 : 19 wordt later voor de hoop het beeld van een anker gebruikt. We worden opgeroepen 'de voorgestelde hoop vast te houden, welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is'. Zoals een schip aan een anker vastligt, zo mag ons leven vastheid vinden in de hoop. Alles wat we kunnen hopen ligt bij de Heere God. 'En nu, wat verwacht ik o Heere, mijn hoop die is op U'. Hoop op de Heere, op de Heere Jezus. Want de hoop is werkelijkheid geworden - volkomen - in de opgestane Heere Jezus. Hij heeft zonde en dood overwonnen, toen Hij opstond uit het graf. Er is hoop. In de grootste smarten blijven onze harten in den Heer gerust. Ik zal Hem nooit vergeten Hem mijn helper heten; al mijn hoop en lust. Die hoop wordt vaster naarmate de bevinding toeneemt. De lijdzaamheid werkt bevinding en de bevinding hoop. Zo mag het vandaag nog gezegd worden: Wij hopen op Hem door nood en dood heen. Het is in de psalm een lamp die brandt temidden van veel aanvechting. David gelooft, dat God hem welgedaan heeft, hoewel er nog niets gebeurd is. Dat is omdat hij de beloften Gods gelooft. En nu zou ik u kunnen vragen, hoe gaat het met u? Dat zou een heel goede vraag zijn. Kent u deze hoop die opgewassen is tegen de noden en angsten? Ik stel deze vraag niet. Maar wil u wijzen op deze dichter die tot ons roept: Hoopt op God! Hoopt alleen op God! Hoopt altijd op God! Want die hoop doet leven!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geen berusting, maar gegronde hoop

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's