Globaal bekeken
Verschillende malen hebben we in deze rubriek stukjes opgenomen uit de vooroorlogse boeken van S. Ulfers over de wederwaardigheden van de dorps- en stadspastor. Ook C. E. van Koetsveld schreef een dergelijk boek onder de titel 'Schetsen uit de pastorie van Mastland', met als ondertitel 'ernst en luim van den Nederlandschen Dorpsleeraar'. Voor mij ligt de dertiende druk, wel een bewijs hoezeer dit boek aftrek vond. Het boek is geschreven in eenzelfde verheven, gekrulde, ietwat wijdlopige stijl als de boeken van Ulfers. Hier volgt een fragment, handelend over 'mijn eerste kanselwerk'; over de jonge dominee die het met z'n academische preken op zak nog helemaal leren moet, en dan ook de nodige teleurstelling op doet.
'Wat zwoegde ik den geheelen Maandag en Dinsdag om toch een goeden tekst te vinden! Want tot een goeden tekst behoorde, dat zich een thema, eene van alle zijden afgeronde stelling, daaruit liet afleiden. In die stelling moest alles begrepen zijn of ten minste begrepen kunnen worden, wat over den tekst te zeggen viel, en dan moest die stelling door mij gemakkelijk, of althans met genoegen, behandeld worden. Maar dit was nog de kleinste arbeid: die schets, die ongelukkige schets! zij moest immers zoo net ineen sluiten, geen deel mocht te groot of te klein wezen; en er was geen professor op Mastland om ze na te zien! Eerst eene voorafspraak, of ik iets vooraf te zeggen had of niet, en dan - dit vloeide toch nog het gemakkelijkst, - in het eerste deel den tekst behoorlijk toegelicht, in het tweede de waarheid, daarin vervat, uit rede, bijbel èn ervaring nader bewezen, en in het derde met eenige toepasselijke aanmerkingen besloten. Inderdaad, ik mag niet ondankbaar wezen, zonder deze methode weet ik niet, hoe ik er immer zou gekomen zijn. - En was nu de schets gereed, wat was het overige dan? Schrijven, anders niet. De denkbeelden waren voorhanden en de woorden kwamen vanzelf. - Nu nog het memoriseeren, die altijd onaangename inspanning, waarbij tevens eenige perioden wat welluidender gemaakt, aangevuld, afgerond werden; en - ik was gereed. - En de uitvoering dan? Wel, op de uitvoering was ik genoeg voorbereid: ik had oógen - en handen immer kunstmatig leeren bewegen en zou het zeker van de voeten ook geleerd hebben, als de predikstoel niet van onderen gesloten ware: en ik was immers een ijverig lid geweest van een declameer-gezelschap, waar Tollens kunstmatig bedorven en Bilderdijk onwetend geparodieerd werd. Alzoo gereed trad ik voor de Mastlandsche gemeente op en ik achtte mij reeds een goed eind op weg, vooreerst om een der eerste kanselredenaars van ons vaderland te worden en vervolgens om 'de geheele gemeente tot eene edele christenschaar te vormen, waarin alle ongeloovigen overtuigd, alle zondaars bekeerd werden; en zoo als ik dit gulhartig beken, zoo kan ik met vrijmoedigheid er bijvoegen, dat het laatste mij nog oneindig meer dan het eerste ter harte ging. Daar stond ik dan nu voor eene eigene, voor mijne gemeente. Met die gedachte was het alsof ik, reeds op de trappen van den predikstoel, alle mijne gesticulaties vergeten was. Verder gevoelde ik mij met zekeren angst aan het geschrevene gebonden en daarin niet al te best tehuis, juist op het oogenblik, dat ik het uitsprak. Dit een en ander maakte zeker mijne voordracht stijf en vervelend, én eenige al te gedienstige vrienden waren zoo goed om mij de onzachte oordeelen daaromtrent over te brengen: dat was de eerste harde pil; ik heb er naderhand doozen vol geslikt! Deze ongunstige oordeelen deden mij niet alleen om mijnentwille leed; maar ook om de goede zaak. Zoo had de waarheid, die ik voorstelde, althans zulke hoorders volstrekt niet getroffen, daar zij den tijd hadden gehad tot bittere oordeelvelling. Waaraan zou dit liggen ? Er had toch geen enkel bewijs ontbroken. Ik wist in de schets geen ingeslopen fout, in de leerrede geen verkeerden volzin te ontdekken... Na eenig nadenken, besloot ik op de houding en het gelaat mijner hoorders nauwkeuriger acht te geven, om, zoo mogelijk, mijne leerrede tot in hunne ziel te volgen. Bij mijne voorafspraak (zoodra men wist, dat ik die altijd had) scheen men alleen naar de eerste woorden te luisteren. Dan was men gerust, omdat ik op gang was, en velen hadden nog eene kleinigheid te bespreken ofte doen eer het voorgebed aanving. Bij de tekstverklaring waren velen vrij aandachtig, eenigen zelfs (ik bemerkte later, dat zij als schriftgeleeren in de gemeente bekend en geëerd waren) spitsten daarbij bijzonder de ooren. Maar treurig was het gesteld bij het tweede, het betoogende gedeelte; dan gaven de burgemeester en de oudste ouderling het sein, door zich in hun hoekje vast te zetten en velen volgden hun voorbeeld; ach! eer het laatste bewijs was uiteengezet, was er somtijds maar een klein gedeelte der hoorders meer overig, altijd met meester Baljon aan het hoofd, die door het diep gevoel van zijnen plicht verhinderd werd om immer in te sluimeren; zelfs deed de goede man buitendien nog wat hij kon en voorzag het geheele kerkbestuur, benevens de voorste rij vrouwen van - snuif Maar het woord toepassing werkte als een electrieke schok op de dommelende gemeente. Dan stond men op, groette elkander daarbij, naar een zonderling landsgebruik, en staroogde op mij, om toch niets van deze mijne toepassing te missen. Ik wil gaarne bekennen dat, gelijk straks de dofheid mij had geërgerd, nu de aandacht mij verlegen maakte. 'Hoe', zoo dacht ik, 'zal men op zich toepassen wat den slapenden ooren is voorbij gegonsd?'
***
Bij het afscheid van prof. dr. H. Jonker als hoogleraar aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht is hem door vrienden een afscheidsbundel aangeboden, getiteld 'Ervaren Waarheid'. In deze bundel is ook een interview opgenomen: J. M. Hasselaar in gesprek met H. Jonker. Aan het eind van het vraaggesprek tussen beide hoogleraren gaat het over wat minder zwaarwichtige vragen dan de theologische in het begin van het gesprek, namelijk over het reizen van prof. Jonker en zijn behoren tot de Gereformeerde Bond. We laten een gedeelte hier volgen.
H. Het reizen neemt een belangrijke plaats in in je leven. Daarom schrijf je ook gedurig en met grote betrokkenheid. Waarom? Als ik je begrijp, heb je een angst voor de volte, voor de statische vertrouwde omgeving. Iets van een losmaker heb je en je gaat in den vreemde, om daarin niet schrikachtig te staan, maar om het eens rustig te bekijken.
J. Ik herinner mij als jongen onder de prediking van de gereformeerde Waarheid, dat ik tot de gedachte kwam - 15, 16 jaar oud - dat, als het allemaal waar is, die waarheid niet alleen in de kleine kring, maar ook in andere situaties waar zal moeten zijn. In de uitdaging en de aanvechting. Dan zal de waarheid niet in de gelijkgezinde kring verdedigd moeten worden, want dat is doodeenvoudig, maar ook tegenover de tegenpartij. Dat begrip kwam toen al bij mij op: dat is een levensbeslissing en uiteindelijk ook de diepere grond van het reizen, om de zaken eens vanuit een andere hoek te bekijken. Het is de uitdaging van het reizen, dat je af en toe in moeilijkheden komt, waaruit je op de een of andere manier weer uit moet komen. Dat heb je niet als je thuis, in eigen kring, blijft zitten. Er is ook nog een ander punt. Het is ook een geboeid zijn door vele verrassende zaken, waarover je je verwondert. Een verwondering over datgene wat de mensheid teweeg heeft gebracht in het denken, de kunst, de cultuur, de maatschappelijke ordening en ga zo maar door.
S. Wat weerhoudt dan zoveel studenten ervan om bijvoorbeeld in een stad als Utrecht te komen wonen, afgezien van het kamerprobleem. Veel studenten, juist uit de Gereformeerde Bondshoek blijven in hun geïsoleerde omgeving zitten.
J. Dat is onzekerheid. Ze zijn bang hun eigen identiteit te verliezen, wat mogelijk kan zijn, maar niet altijd noodzakelijk is. Een zekere vrees. Terwijl het juist heel stimulerend zou kunnen zijn. De waarheid is waar in alle situaties. En voor alle mensen, maar dat zul je dan wel op een bepaalde manier moeten verdedigen; vanuit de problematiek van de mensen die je ontmoet en dat is natuurlijk wel een opgave.
K. Het is dus ook een toetsing in de verrassende realiteit die je aantreft?
J. Een verrassend moment, het nieuwe, wat je leert kennen. Er is veel meer dan het eigen binnenhuisje. Dat nieuwe geeft veel verwondering, tevredenheid en vreugde. Als ik naar een viool- of pianoconcert van Mozart luister op de plaat, dan komt er ook een wereld op mij af, die ik als jongen niet heb leren kennen, in de evangelisatie. Of wanneer ik een prachtige Weense opera zie. In Wenen zie je ook een hele wereld. En dan sta je met je geloofsdogma van de rechtvaardiging van de goddeloze wel een beetje eenzaam in zo'n wereld. Maar dat wil ik niet buitensluiten.
H. Ja, omdat die waarheid van de rechtvaardiging er is, mogen ze zo, wetend of ontwetend, maar in ieder geval opgeruimd spelen.
K. Is dat bij u een Van Ruleriaanse erfenis, dat genieten? Dat - zoals Van Ruler het placht te zeggen - de hele kant van het leven een grotere geweldigheid is, dan het zitten aan het Avondmaal? '
J. Neen, dat heb ik niet van Van Ruler overgenomen. Het zat er altijd al in. En ik zou het niet zo formuleren. Ik was vanaf mijn jongenstijd hevig geïnteresseerd in de wereld rondom. Omdat mijn vader bij de Spoorwegen was, had ik vroeger vrij reizen. Met die verlofkaart was ik dagelijks op stap.
H. Van Ruler reisde niet.
J. Dat is waar, die ging alleen naar Duitsland voor een Seminar of iets dergelijks.
H. Tot 2, 3 jaar voor zijn dood heb ik hem met klem aangeraden: Pak nu eens je koffers en ga een hele tijd eruit. Maar hij was niet te bewegen, hij bleef op zijn eigen akkertje, thuis.
H. Een beetje persoonlijke vraag, Henk, we weten: We zijn in de Geref. Bond, of we zijn buiten de Bond, maar dat moet wel principieel bedoeld zijn: of binnen, of buiten. Nu heb ik altijd aan jou een grote onafhankelijkheid binnen de Bond gemerkt. Dat moet betekenen, dacht ik dat jij - want de Bond is een vrij hechte organisatie met een bestuur - dat je bepaalde houdingen relativeert. Zou je daarover nog een enkel woord willen spreken: Hoe je dat beleefd hebt en waarmee je de Bond wilt dienen, want dat is natuurlijk het belangrijkste.
J. In de eerste plaats ben ik lid van de Bond vanwege het feit, dat het een beweging is in de Hervormde kerk, met al zijn richtingen en stromingen, die wil opkomen voor het gereformeerd-reformatorische Anliegen, waarin een aantal elementen naar voren gebracht worden, zoals de rechtvaardiging van de goddeloze, de eerbied voor het woord Gods, het verzoenende werk van Jezus Christus, waar ik innerlijk achter sta, en wat ook fundamenteel mijn prediking is. Hiermee voel ik mij dus één met de grondslagen van de Gereformeerde Bond. De Hervormde Kerk zie ik als een kerk van het Verbond en niet als een kerk van gelijkgezinden, want er zijn allerlei meningen in de Hervormde Kerk, maar ik ben ervan overtuigd, dat de Heere God die kerk niet verlaten heeft en dat Hij daar nog met Zijn Woord werkzaam is. En dan vind ik het zinvol om ook deel te hebben aan een 'beweging' die voor deze zaken opkomt. Die beweging is de laatste tien, vijftien jaar een organisatie geworden, wat oorspronkelijk nooit de bedoeling was. Toen ik in 1940 als student lid werd van de Gereformeerde Bond was het alleen een beweging. Nu heb je langzamerhand twee kerken: de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Bondskerk. De organisatie cirkelt, wat de beleidslijnen betreft, rondom het hoofdbestuur. Daarvan ben ik geen lid en ik kan ook niet zeggen, dat ik het met alles wat het hoofdbestuur zegt en doet eens ben. Je ziet, daarin ben ik volledig onafhankelijk. Daarom die relativering vaak.
H. Heeft het schaduwen op je pad geworpen, of niet?
J. Persoonlijk kan ik niet zeggen, dat het schaduwen op mijn pad heeft geworpen. Wel telkens de vragen: hoe kun jij Bonder zijn en dergelijke. Men begrijpt dat niet. Omdat ik bepaalde dingen in mijn levenshouding anders zie dan de doorsnee Bonder. Maar ik bekijk de zaken fundamenteel. De uitwerking is verschillend.
H. Mag ik samenvattend zeggen, dat jij - uit kracht van die belijdenis waar het de Bond juist om gaat - voor jezelf die onafhankelijkheid opeist?
J. Ja, ik heb genoeg gepubliceerd over 'de verbreiding en de verdediging van de Waarheid'. Ik weet niet of het hoofdbestuur het daarmee eens is. Ze hebben het nooit bestreden, maar ze hebben het bij mijn weten ook nooit toegevallen. Dat is mijn positie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's