Mystiek en bevinding (5)
Het onbijbelse van vele mystiek is, dat God meer als een 'het' beleefd wordt dan als een Hij. Of, nog scherper onder woorden gebracht, dan als Hijzelf.
Gemeenschap met God
Wij hebben nagedacht over de weg van de mystiek. Nu richten we ons op dat wat de mystiek op die weg vindt. Daarbij gaat het om de vraag, van welke aard is de mystieke beleving? Hoe, in de zin van hoedanig ervaart men de werkelijkheid achter de werkelijkheid. Of, om het nog wat nader in te kleuren: hoe ervaart men God?
Het mag duidelijk zijn, dat de beantwoording van deze vraag alles te maken heeft met hoe men zich God voorstelt of indenkt. Daarop willen we ons dan ook allereerst bezinnen. Zijdelings is het Godsbegrip ook al aan de orde gekomen bij ons nadenken over de weg van kennis, maar hier kunnen we er wat direkter het licht op laten vallen. Het onbijbelse van vele mystiek is, dat God meer als een 'het' beleefd wordt dan als een Hij. Of, nog scherper onder woorden gebracht, dan als Hijzelf.
Bij de al eerder aangehaalde Plotinus doen de woorden zelfs een poging ook boven dat 'het' uit te komen. Elke bepaling van het hoogste zijn of de hoogste werkelijkheid betekent immers beperking. Dat het iets is, houdt immers zonder meer in dat het iets anders niet is. Daarom kunnen aan het ene of het goddelijke eigenlijk geen predikaten worden toegekend. Je kunt niet zeggen, dat het denkt, of wil, dat het in het algemeen zelfbewustzijn heeft of leeft. Ja, eigenlijk niet eens dat het is. Het ligt boven en buiten alles.
Het belang, dat Plotinus erbij heeft om zo over het goddelijke te spreken is, dat hij het buiten elke sfeer van behoefte wil houden. Als het ware zijn bepaald wordt is het niet meer zelfgenoegzaam. Als het hoogste zijn iets zou willen, dan ontbreekt er iets aan en is het niet volmaakt en zelfgenoegzaam, het zou streven naar iets buiten zichzelf.
Het goddelijke is datgene wat werkelijk vrij is van alle afhankelijkheid, betrekkelijkheid, ingewikkeldheid en verwardheid, het is zichzelf genoeg en het rust in zichzelf. Vele vormen van mystiek laten de neiging zien tot een dergelijke opvatting van het goddelijke, het werkelijke. Zeker komt het niet altijd in een dergelijke uitgewogen vorm als bij Plotinus naar voren, maar gemeenschappelijk is dat onpersoonlijke, zwijgende, zijnachtige. De werkelijkheid is voorbij alle stemmen en woorden. Ze is als de majesteit van de nachtelijke hemel, maar sterren twinkelen aan haar niet.
Oosterse religies
Een dergelijke voorstelling is duidelijk ook te vinden bij allerlei oosterse godsdienstigheid, die in onze tijd nogal opgang maakt met name onder jongeren. Het gezochte heil vertoont daarin ook het karakter van het opgaan in het al. In een artikel over de gemeenschappelijke achtergrond van Hindoeïsme en Boeddhisme, 'Rondom het Woord', september 1964, beschrijft prof. Hoens hoe het oude India zaligheid onder andere zocht in de verwerkelijking van de eenheid van atman, de zich in ieder bevindende zielegrond, met brahman, het absolute in en achter de kosmos. Ook hier vertoont de hoogste werkelijkheid het karakter van onbepaaldheid. Het ligt achter en boven alle tijd en geschiedenis. Het heeft geen deel aan de verwarring en vervreemding die de ons omringende werkelijkheid is. Die werkelijkheid is een sluier. Al denkend, mediterend, yoga beoefenend, men moet door die sluier trachten heen te dringen tot het laatste, het hoogste. Atman gaat dan op in brahman, de ziel ontvangt verlichting tot het nirwana. Een dergelijk verstaan van de hoogste werkelijkheid, ofwel het goddelijke, heeft natuurlijk ook zijn gevolgen voor de gemeenschap die met die hoogste werkelijkheid kan worden beoefend. Eigenlijk is het woord gemeenschap dat ik gebruik al veel te Bijbels. In ieder geval gezien vanuit sommige mystiek veel te persoonlijk. Gemeenschap veronderstelt persoonlijke omgang. Twee personen, of twee ikken, die met elkaar omgaan. Maar in vele mystiek wil men juist boven het 'ik' uit. Men voelt zich opgesloten in eigen bewustzijn en zoekt hartstochtelijk naar bevrijding. Die bevrijding zou dan te vinden zijn in de uitgieting van het 'ik' in het 'al'. Het tegenover van de laatste werkelijkheid wordt doorbroken. We treffen in de omschrijving daarvan uitdrukkingen aan als: het versmelten van eigen wezen met het ware zijn. Het uitgieten van de ziel in de zalige diepten van de godheid. Zich verzinken in de oneindigheid van het goddelijke. En niet ongebruikelijk is het dat de mystieke-beleving omschreven wordt in termen van het sexuele leven.
Gedicht
Een middeleeuws gedicht brengt het als volgt onder woorden:
Alle dinghe syn mi te inghe! Ie hen so wyt! Om een ongescepen hebbic begrepen.
Dat wil zeggen: ik voel me zo wijd. Ik heb iets ongeschapens omvat, gegrepen, ik ga er in op, nu zijn mij de dingen te eng, te bekrompen. Ik adem in de sfeer van het al. De al eerder aangehaalde meester Eckehart schrijft over de mystieke beleving: 'Wat geworden is, ontwordt weder. De ontblote gewordenheid wordt tot blote ongewordenheid. Gij moet ten enenmale aan uw uwheid ontzinken en vervloeien in Gods zijnheid en uw uw moet in zijn mijn een mijn worden, zo volkomen, dat gij hem Hem eeuwig verstaat zijn ongeworden bestaan en zijn ongenoemde nietheid'.
In dergelijke omschrijvingen voelt men net als bij Plotinus de worsteling om juist boven de woorden uit te komen. Er wil tot uitdrukking gebracht worden, wat eigenlijk niet uit te drukken is. Boven de tweeheid van God en de ziel uit worden zij beiden tot de ene godheid of 'vormloze woestijn, duistere stilte' zoals Eckehart het noemt.
Etty Hillesum
In een wat afgezwakte vorm vinden wij een dergelijke godsbeleving terug in het dagboek van Etty Hillesum, 'Het verstoorde leven', dat een aantal jaren geleden in korte tijd een hele serie herdrukken beleefde. Ze schrijft over 'het allerdiepste in zichzelf, dat ze gemakshalve maar God noemt'. En als ze haar diepste levensgevoel wil uitdrukken zegt ze: 'ik rust in mijzelf. En dat mijzelf, dat allerdiepste, dat allerrijkste in mij waarin ik rust, dat noem ik God. Alles speelt Zich ergens binnen in mij af. Er zijn daar wijde hoogvlakten, zonder tijd en grenzen in mij'. En op een andere plaats luidt het: 'Binnen in me zit een heel diepe put, daarin zit God. Soms kan ik erbij, maar vaker liggen er stenen en gruis voor die put, dan is God begraven'.
We hebben hier enkele voorbeelden willen geven van de bedenkelijke manier, waarop God en de gemeenschap met Hem in sommige mystiek wordt beleefd. Als we dat woord bedenkelijk gebruiken, dan is dat vanuit de Bijbel. Als er immers een ding duidelijk is vanuit de Godsopenbaring in de Bijbel, dan is het, dat God niet een het is, maar een Hij.
Hij is de Heere, Die Zijn Naam in de geschiedenis van Israël, in de gave en het werk van Zijn Zoon, in de uitstorting van de Heilige Geest en in de prediking van het evangelie bekend maakt. Hij is Persoon. Hij treedt handelend op. De geschiedenis is niet een minderwaardige verwarring, waar Hij Zich ver van houdt, maar het theater van Zijn grote daden. Hij voert er Zijn raad en welbehagen in uit.
De gemeenschap met God wordt Bijbels gezien fundamenteel bepaald door het onophefbare onderscheid tussen de Schepper en het schepsel. Voor een gemeenschap met God, waarbij sprake is van vervloeiing is geen enkele ruimte. Dat is, om de achttiende eeuwse uitdrukking te gebruiken: verdorven mystiek.
We laten het hier bij deze voorlopige oriëntering. Een volgende keer willen we nog wat nader ingaan op de Bijbelse beleving van de gemeenschap met God om de mystieke kanten daarvan toch ook zoveel mogelijk recht te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's