Uit de pers
In het Centraal Weekblad van 17 februari is uitvoerig aandacht besteed aan de charismatische beweging. Deze beweging vraagt aandacht voor het werk van de Heilige Geest, met name voor betekenis van de ervaring en voor de gaven van de Geest. Calvijn en in zijn voetspoor de nadere Reformatie hebben op dit werk van de Geest die ons toe-eigent hetgeen we in Christus hebben, veel nadruk gelegd. Anderzijds is er een diepe kloof die ons scheidt van het spiritualisme waarin Woord en Geest van elkaar losgemaakt worden. Die positie betekent dat we met bijzondere aandacht hebben te letten op de uitdaging van de charismatische beweging. Wat kunnen we er positief van leren? Waar beginnen de vragen?
Geloof en ervaring
Prof. dr. K. Runia wijst er in het genoemde nummer van het C. W. op dat Gereformeerde kerken zich het verwijt van de Bond en van charismatische groeperingen, dat er geen ruimte is voor ervaring en bevinding moeten aantrekken. Runia meent dat een intellectualistisch trekje gereformeerden niet vreemd is. Met name Kuypers dogmatische werken zijn nogal verstandelijk qua benadering. Ook zijn gemeentebeschouwing was nogal objectiverend. Runia meent dat de lijn die met name de eerste Afgescheidenen voorstonden, door vele gereformeerden verlaten is.
'Ik ben echter bang dat de meer intellectuele, objectiverende lijn het gewonnen heeft. In het eerste kwart van deze eeuw hebben we een sterk dogmatische manier van preken gehad. Daarna volgde de heilshistorische prediking, die vaak ook erg objectief was. Voorstanders van deze wijze van preken waren meestal erg tegen op alles wat naar zelfonderzoek wees. De laatste jaren is een duidelijke universalistische tendens op te merken. Men gaat blijkbaar uit van de gedachte dat ieder in de kerk deel heeft aan het heil in Christus. Dat is als het ware het uitgangspunt en van daaruit haast men zich naar de ethische en politieke consequenties van dit evangelie. Over persoonlijke ervaring van het heil wordt weinig of in het geheel niet gesproken.'
In de gereformeerde traditie is, zegt Runia, vanaf de dagen van Calvijn wel grote aandacht voor de ervaring van het geloof. Ook de belijdenis van de kerk met name de Dordtse Leerregels spreken over de betekenis van de ervaring. Maar de grond voor de zekerheid vormen de beloften van God.
'Het is altijd verleidelijk om in reactie op extreme posities zelf naar het andere uiterste door te schieten en in dit geval ervaring als een bedreiging voor het geloof te zien. Maar dan komen we in een volstrekt onjuist dilemma terecht. Een levend geloof brengt ervaring mee.
Met opzet formuleer ik het zo. Geloof gaat niet in ervaring op. Geloven wil zeggen dat je al je vertrouwen stelt op de Heere God, zoals Hij zich in Jezus Christus geopenbaard heeft, en op zijn heil. God en zijn heil gaan aan al onze ervaringen vooraf. Maar als je God en zijn heil leert kennen, dan gebeurt er wel wat met jezelf.
Men zegt dat het woord "ervaren" komt van een grondvorm die de betekenis heeft van: ergens doorheen gaan, reizen (denk aan het Duitse "fahren"); vandaar iets persoonlijk leren kennen. En dat gebeurt inderdaad wanneer een mens God en zijn beloften leert kennen. Dan doet hij ervaring aan God op.
Nergens komt dat misschien duidelijker uit dan in het boek van de psalmen. Dat zijn geen intellectualistische, objectiverende betogen, maar gesprekken met God, waarin de band met God beleefd wordt. De berijming van Psalm 25 vat het eigenlijk allemaal in een paar woorden samen: "Gods verborgen omgang vinden/ zielen waar zijn vrees in woont/ 't heilgeheim wordt aan zijn vrinden/ naar zijn vreêverbond getoond".
Het probleem achter veel kerkverlating van vandaag is dat mensen deze ervaring niet kennen. Zijn we daar als kerk schuldig aan? Is de prediking van de kerk daar schuldig aan? Hebben we de mensen, jongeren, maar ook ouderen, te weinig geleerd dat ervaring er bij hoort en wat je dan ervaart? Hebben we te weinig aandacht besteed aan de Heilige Geest en zijn werk? Want alleen door zijn aanwezigheid in ons hart en leven, dat wil zeggen Gods eigen aanwezigheid, komt het tot echte ervaring. Ik denk hier aan het Paulinische woord: "De Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn". Dat is echte ervaring!'
De vragen die Runia stelt, zijn niet alleen van belang voor de gereformeerde kerken, maar ook voor ons. Het zou van betekenis kunnen zijn dat in alle gesprekken rondom 'Samen op Weg' met name deze zaken aandacht krijgen. Niet in die zin dat de indruk gewekt wordt alsof bevinding/geloofservaring een specialiteit van de Gereformeerde Bond is, maar als een zaak die van levensbelang is voor elke gemeente en ieder gemeentelid. En het kan van betekenis zijn de gereformeerde traditie in al zijn breedheid op dit thema te bevragen. Een belangrijke zaak zou daarbij kunnen zijn dat we in de gesprekken boven onzuivere tegenstellingen als 'verticaal-horizontaal', 'innerlijk-naar buiten gekeerd' uit zouden kunnen komen.
***
Samen wonen en samenleven in Amsterdam
Een tweede onderwerp waar ik in deze aflevering van 'Uit de pers' uw aandacht voor vraag is de positie van de kerk in de grote steden. De laatste tijd zijn daar nogal verontrustende artikelen over verschenen, hoewel de kwestie niet van vandaag of gisteren is. Credo (jan./febr.) wijdde er een speciaal nummer aan met artikelen over de situatie in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Over de Hervormde Eltheto wijkgemeente in Amsterdam schrijft ds. R. v. Essen. Het gaat om een wijkgemeente in een 'vergrijsd' deel van de stad. De eerste kennismaking met de verpauperde buurt was niet bemoedigend, schrijft v. Essen. Toch is hij aan de slag gegaan. Er waren gelukkig nog een aantal pioniers die bereid waren geloof, liefde, en tijd te investeren in vormen van kerkewerk, zoals werk onder kinderen, en werk onder ouderen.
'Na de zondagse kerkdienst is er dan ook iedere week een kopje koffie voor iedereen en er is bijna niemand die daar geen gebruik van maakt. Daar ontmoet men elkaar, deelt lief en leed en maak ik zelf ook afspraken voor de komende week. Een gemeente waar men een stukje geborgenheid en troost ervaart, waarbij dan wel opgemerkt moet worden dat onze kerkgangers voor het merendeel de middelbare leeftijd ver gepasseerd zijn. Hoe kom je nu weer in kontakt met de jongeren, met de mensen die afgehaakt hebben? Want als de gemeente werkelijk een 'gezin' is, dan moet daar toch de ontmoeting van de generaties plaatsvinden.
In de grote stad heb ik geleerd dat je er niet tegenop moet zien om steeds met enkele mensen op weg te gaan. Velen in de kerk raken gefrustreerd omdat ze voor een bepaalde zaak nooit meer dan twee of drie mensen warm krijgen. Ze willen dat de hele kerkeraad enthousiast meedoet! Maar een kerkeraad in de grote stad is al een te klein en te zwaar belast gezelschap. Te weinig diakenen houden zich bezig met een veel te grote groep bejaarden. Terwijl dat diakonale werk in de praktijk heel vaak nog zware, pastorale kanten blijkt te vertonen. Daarom zoek ik het buiten de kerkeraad. Met nog geen handjevol mensen zijn we begonnen aan een "twee-per-maand" groep. Dat wil zeggen dat ieder lid van het groepje beloofde twee bezoeken af te leggen bij hervormd geregistreerd staande wijkbewoners. Onze kaartenbak telde toen 3000 hervormde adressen (nu nog 1650), en we begonnen bij de "A" van Ambonplein. Elke twee maanden kwamen - en komen - we bij elkaar om ervaringen uit te wisselen, van elkaar te leren en een stukje toerusting te ontvangen. Enkelen hadden wat meer tijd en enthousiasme in huis en overschreden de verplichte twee bezoeken ver, zodat we ook weer aandacht konden gaan geven aan de nieuw-ingekomenen.
Met enkele jongeren begon ik een gesprekskring (voor catechisatie zijn ze niet te porren) over eigentijdse vragen. Het bleek dat we in een seizoen uitgepraat waren. Enkelen haakten af en het nieuwe seizoen startte ik met een tweetal deelnemers. Op mijn voorstel stapten we van het tobberig volgen van de aktualiteit af en begonnen regeltje voor regel het Evangelie van Marcus te lezen. En tot mijn grote verrassing kreeg deze wijze van werken iedereen in de ban. Men nam vrienden en vriendinnen mee en we zijn nu al zo'n vier jaar bezig met een groep van 12 jongeren. In 1981 moesten we de groep zelfs splitsen.
Zo ging het ook met de tieners. In 1979 startte ik in mijn studeerkamer een "tienerklub" met de kinderen van enkele gemeenteleden. Inmiddels is dat groepje uitgegroeid tot een stel bezielde jongeren die muzikaal - blokfluit, piano, gitaar - hun bijdrage leveren aan kinderkerk en eredienst. Het was ook vanuit deze groep dat het verzoek kwam om het Avondmaal mee te mogen vieren.
Het intensief met elkaar werken in kleine kernen draagt heel wezenlijk bij aan de "gemeenschap der heiligen". Juist omdat we ons steeds opnieuw aan de Schrift oriënteren, worden we ervoor behoed in de "gezelligheid" te blijven steken. Die oriëntatie op de Schrift zorgt ervoor dat men al gaandeweg door inhoudsloze en ideologisch gekleurde gestalten van evangelieverkondiging heen prikt.
We zijn als hele gemeente in een leerproces en prijzen ons gelukkig dat we daarbij regelmatig "af mogen kijken" hoe men dat bij Oude Zijds 100 of bij "Jeugd met een Opdracht" doet. Ook met Youth for Christ Amsterdam is een vruchtbaar kontakt opgebouwd.'
Wie het voorrecht heeft mee te kunnen leven in een goed georganiseerde en goed functionerende gemeente, met een betrekkelijk hoog percentage meelevenden, doet er goed aan het verhaal van Essen op zich te laten inwerken en niet direct in te kleuren vanuit zijn of haar ideeën over kerk-zijn. Men kan theologisch kritische vragen stellen, bijv. t.a.v. de deelname van kinderen aan het Avondmaal. Maar belangrijker is dat hier gepoogd wordt vanuit de Schrift een gemeente te bouwen in prediking en pastoraat. Het is bemoedigend dan te lezen dat 'gewone' Bijbelstudie - of is dat niet juist ook uitzonderlijk qua betekenis - belangstelling trekt. Mogen we daarin niet zien dat het Woord zijn werk doet? Al weten mensen niet hoe! En overigens, wat de kerk naar haar wezen is, valt niet uit te drukken in procenten en getallen. Wezenlijk is of ze leeft bij het Woord. De les van Marcus 4 : 26-29 kan ook voor de kerk in de steden alleen maar perspectief bieden. Van Essen schrijft aan het slot van zijn artikel, dat de gemeente in de stad als een minderheidsgemeente niet in heimwee moet omzien naar het verleden, maar heeft uit te zien naar de toekomst van God. Zo alleen kan ze tot zegen zijn in haar omgeving. Ik meen dat het ook voor ons van belang is mee te denken over positie en problemen van de kerk in de steden. Wie de Schrift nagaat ontdekt, hoe zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament de steden een grote rol spelen. Paulus trok steeds weer van stad tot stad. Het Evangelie dient gebracht te worden in de knooppunten en de centra van het menselijk samenleven. Hier ligt voor de doordenking van allerlei evangelisatorische vragen een wijd veld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's