De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geloven als een kind (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geloven als een kind (2)

7 minuten leestijd

Bijbelstudie is hoogst noodzakelijk voor elke christelijke opvoeder.

Inleiding

Hoe moeten we onze kinderen godsdienstig opvoeden? Veel ouders zitten er mee. Hoe moet ik ze vertellen wie God is? Hoe kan ik ze duidelijk maken wat Hij van ons vraagt? Begrijpelijke vragen. We hebben zelf vaak al veel moeite dergelijke vragen te beantwoorden, laat staan als we de opdracht hebben om volgens de doopbelofte hen in 'de voorzeide leer' op te voeden. Dit vraagt van opvoeders zelf 'weet-hebben' van vele dingen uit de Bijbel. Bijbelstudie is hoogst noodzakelijk voor elke christelijke opvoeder. Daarnaast moeten we goed weten, dat we kinderen opvoeden. Het zijn echt nog geen volwassenen. Het is fijn als ouders zich enigszins verdiepen in de typische eigenschappen van hun kind op een bepaalde leeftijd. Hier zijn heel eenvoudige boekjes voor verkrijgbaar. De wijze waarop onze kinderen geloven heeft ten nauwste te maken met hun leeftijd. De leeftijd is tevens belangrijk voor ons opvoeders om te weten hoe wij het best onze kinderen met het geloof in aanraking kunnen brengen.

Ik wil u dan ook graag een korte beschrijving geven van onze kinderen vanaf de ge- boorte tot ongeveer 12 jaar. Wel wil ik nog de aantekening maken, dat dit algemene kenmerken zijn, die bij veel kinderen voorkomen. Het wil echter niet zeggen, dat een kind abnormaal zou zijn, als bepaalde kenmerken die ik ga noemen bij uw kind zouden ontbreken.

De ontwikkeling tot 12 jaar

In de ontwikkehng van het kind wordt vaak onderscheid gemaakt in een aantal fasen: a. de prenatale fase, b. de eerste 2 à 3 levensjaren, c. de peuter-en kleuterfase, d. de schoolkindfase en e. de puberteit. U begrijpt dat ik in het kader van ons onderwerp alleen spreek over het moment van de geboorte tot en met de schoolkindfase. De ontwikkeling van een kind kun je vanuit verschillende ooghoeken bekijken: de biologische ontwikkeling, de seksuele ontwikkeling, de verstandelijke ontwikkeling, de sociale- en de persoonlijkheidsontwikkeling.

De eerste levensjaren

In de eerste 2 à 3 levensjaren ondergaat het kind vooral in biologisch opzicht een groot aantal ontwikkelingen. ledere ouder heeft het met eigen ogen kunnen aanschouwen. Wat een verschil met de pasgeboren baby en een kind van een jaar of 2,5. Een wonder op zich als we dit op ons in laten werken.

Sociaal gezien mag je nog nauwelijks van een sociaal wezen spreken. Het kind komt met een schreeuw de wereld binnen. Vanuit de geborgenheid en veiligheid van het moederlichaam wordt het kind bij de geboorte geconfronteerd met de wereld rondom hem. Het is een geweldige overgang. Een harde confrontatie, de schreeuw is niet alleen biologisch, maar symboliseert tevens het onlustgevoel van het in aanraking komen met een onveilige wereld, waarin het kind volstrekt hulpeloos en afhankelijk is.

De omgeving is van zeer groot belang voor de ontwikkeling van het kind. Ook voor de religieuze ontwikkeling. In tegenstelling met wat men vroeger dacht, raken we er steeds meer van overtuigd dat ook voor de religieuze ontwikkeling deze eerste levensjaren van het allergrootste belang zijn. In mijn tweede lezing kom ik hier uitvoeriger op terug. In het tweede levensjaar neemt het taalgebruik toe, steeds meer woorden worden gekend. Het geweten begint nu reeds aan zijn ontwikkeling. Het zal duidelijk zijn dat de ouders een zeer belangrijke rol spelen in deze eerste levensjaren. Vooral de moeder is zeer belangrijk. Leeftijdgenoten spelen bijna nog geen rol. Pas na ongeveer 18 maanden ontwikkelt het kind sociale contacten met andere kinderen van ongeveer dezelfde leeftijd.

Het gevoelsleven is in het eerste jaar nog weinig gedifferentieerd. We zien slechts lustgevoelens die zich uiten in lachen, en onlustgevoelens die vooral hoorbaar zijn in huilen tot en met het schreeuwen toe. Wat later in deze periode zien we veel meer differentiatie. Het kind laat zien of horen, dat het blij, verrast, angstig, bang, vol vertrouwen, wantrouwend en afwachtend is. Het kind is één met zijn omgeving. Het neemt geen afstand van de buitenwereld. Als moeder nerveus is, begint het kind te huilen. De dingen om het kind heen leven, net als het zelf leeft.

De peuter-en kleuterfase

De peuter-en kleuterfase omvat de leeftijd van ongeveer 2 à 3 jaar tot en met 6 à 7 jaar. In deze periode leert het kind vooral om te gaan met taal. Een kenmerkende verandering met de vorige levensfase is, dat het kind zich dingen anders voor kan stellen dan het in werkelijkheid is. Een steen kan een auto zijn, zijn bed wordt een boot, hijzelf is soldaat. Het kind is in deze periode zéér egocentrisch. Het ziet alles vanuit zijn eigen gezichtspunt. Het kan zich werkelijk niet voorstellen, dat een ander een ander standpunt in zou nemen. Gebeurtenissen worden bekeken vanuit de betekenis die ze voor hém kunnen hebben. Hij is er zich goed bewust van dat gebeurtenissen bedreigend of bevredigend kunnen zijn. Een glas melk na het eerste journaal betekent gewoon: 'En nu naar bed'. Voor een kind zijn dit niet 2 opeenvolgende handelingen van moeder, maar 2 dingen die hem, direct na elkaar overkomen. Het waarnemen geschiedt vanuit zijn eigen situatie: de postbode, die zojuist een brief gebracht heeft, gaat nu weer verder van hem weg, de zon komt steeds dichter naar hem toe, dromen komen door het raam naar hem naar binnen. Dit alles gaat gepaard met de ontwikkeling van de eigen wil. Het kind is koppig, lijkt opstandig, stampvoet van kwaadheid, wil net niet, wat moeder graag zou zien gebeuren. Het hoort allemaal bij de ontwikkeling van onze kinderen. De aandacht van het kind richt zich niet alleen meer op de volwassenen, maar ook op leeftijdgenoten. Het wil op straat spelen met vriendjes en vindt het na verloop van tijd fijn op de kleuterschool. In deze periode is de sfeer in het gezin zeer belangrijk voor de ontwikkeling van het kind. Belangrijk in deze periode is de vraag naar de causaliteit, het verband tussen oorzaak en gevolg. Dit komt vooral tot uitdrukking in het stellen van vele waarom-vragen. Alleen al op het gebied van de godsdienst worden ons vaak zéér moeilijke vragen gesteld. Het kind krijgt natuurlijk lang niet op alle vragen antwoord. Het meeste blijft onverklaard. We weten vaak zelf het antwoord niet. Het kind vlucht dan vaak in de magie, in de toverwereld, in de fantasie. Vandaar dat kinderen dan ook rotsvast in sprookjes geloven. Het vermoeden van verbanden tussen oorzaak en gevolg, het vermoeden dat er geheime krachten achter de dingen werken, maken het kind rijp voor een eerste bewust, primitief gods- en wereldbeeld.

De schoolkindfase

Tot slot nog enkele opmerkingen over de schoolkindfase van 6 a 7 jaar tot en met 11 a 12 jaar. De school is belangrijk voor kennis-en cultuuroverdracht. Het kind maakt op dit gebied in deze periode geweldige sprongen vooruit. De wereld wordt steeds groter. De leeftijdsgroep is zéér belangrijk. Het eigen normen- en waardenpatroon wordt getoetst aan andere patronen waar het kind nu mee in aanraking komt. Nu al kunnen allerlei discussies ontstaan waarom bepaalde dingen nu zo nodig moeten. Leeftijdgenoten zijn erg belangrijk. Kinderen zijn op ongeveer 10-jarige leeftijd keihard voor elkaar en voor anderen. Het wordt wel de leeftijd 'zonder medelijden' genoemd. Het kind is er in deze fase helemaal op ingesteld de werkelijkheid te leren kennen. Alleen dat is acceptabel, wat waar en echt gebeurd is. Sprookjes zijn dan ook uit den boze. Ze lachen er om. Wel blijft op deze leeftijd het geloof dat er dingen kunnen zijn die we nu niet kunnen verklaren. Naast de vraag naar veel feitenkennis op godsdienstig gebied biedt deze leeftijd ook nog uitstekende kansen om met de kinderen te praten over die wonderlijke God, die wij soms zo moeilijk kunnen begrijpen.

Concluderend kunnen we zeggen, dat God de mens zich zo laat ontwikkelen, dat opvoeders doorlopend de mogelijkheid hebben de jongeren godsdienstig op te voeden. Over de vraag 'hoe dan?' hoop ik de volgende keer op in te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geloven als een kind (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 maart 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's