De kerk in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften (1)
Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis biedt een beeld dat in dit opzicht principieel niet afwijkt van dat van de Catechismus. Pas in art. 27 komt voor het eerst de kerk uitvoerig ter sprake.
Actualiteit
Er zijn minstens drie redenen te noemen waarom het zinvol mag worden geacht om in een aantal artikelen uiteen te zetten hoe in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften over de kerk gesproken wordt. Die redenen zijn de volgende:
1. Meer dan ooit heeft de kerk in onze dagen het zwaar te verduren. Van links en van rechts worden aanvallen op haar gedaan. We horen en lezen gedurig van 'kritische gemeenten'. Er zijn tal van jongeren (en wellicht ook ouderen) die in de kerk geen enkel perspectief meer zien. De kerk houden zij voor een verouderd instituut.
Zij heeft haar tijd gehad. Dit bolwerk van conservatisme zou zo snel mogelijk moeten verdwijnen. Het christen-zijn is ook op een andere en veel betere wijze te beleven. Zo denken links-critische jongeren, maar - merkwaardigerwijs - vaak ook jongeren die toch de Bijbel in ere willen houden en zich rekenen te behoren tot de 'Bijbelgetrouwe christenen'. Er is tussen hen en de eerste groep op dit punt een eigenaardige overeenkomst. Er zijn gemeenten waar men heel wat jongeren verliest aan de 'vrije groepen'. Het is, hoe anti-modern deze jongeren ook willen zijn, toch een typisch modern verschijnsel. De moderne tijd kan ons in haar greep hebben, ook zonder dat wij het zelf weten of weten willen. Het verschijnsel hangt op allerlei wijze samen met het individualisme en subjectivisme van deze tijd.
2. Desondanks hebben wij heden ook volop te maken met een nieuwe aandacht voor de kerk. Zeker in Nederland. De twee grootste kerken van gereformeerde oorsprong zoeken eenheid en bevinden zich in een vergevorderd stadium op deze weg naar eenheid. Wat jarenlang al een droom is geweest voor velen lijkt zich toch eens te zullen gaan realiseren. Straks zullen, als de tekenen niet bedriegen, de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken één zijn. Of er ook nog andere kerken bij betrokken zullen worden, moeten wij afwachten. Voorlopig hebben wij met deze aanstaande eenheid al de handen vol aan problematiek. Men kan namelijk kerken niet zómaar samenvoegen, er moet een basis voor zijn. En waarin kan de basis anders gelegen zijn dan in een bepaalde ecclesiologie, leer aangaande de kerk? Hier en ginds wordt zeer verschillend over de kerk gedacht. Het maakt een groot verschil uit of men staat in de oude Hervormde traditie, waarin trouwens ook al heel wat gevarieerdheid is, of dat men staat in de kerkelijke traditie die op Kuyper teruggaat. Er zijn wat de toekomst betreft nog ettelijke open vragen. Hoe zal de kerk er straks uitzien, als het tot eenheid gekomen is? Komt er een federatie van kerken? En hoever reikt die dan? Of komt er een samensmelting? Hoe gaat het met de naam? Krijgen de oude gereformeerde belijdenissen een plaats in de nieuwe kerk? En hoe? En komt er soms ook nog een nieuwe belijdenis? Wij tasten nog volop in het duister, als het gaat over deze en dergelijke vragen. Maar in ieder geval staat vast, dat de leer aangaande de kerk ermee gemoeid is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat vanwege het Hoofdbestuur van de Confessionele Vereniging in de Ned. Herv. Kerk onlangs een aantal overwegingen verschenen onder de titel Samen op weg, vanuit welk kerkbegrip?
Oude namen duiken in dit alles opnieuw op. De naam van Kuyper, maar ook die van Hoedemaker. Soms ook de naam van Hugo Visscher. En, nog verder uit het verleden, de namen van Voetius en Calvijn. Het blijkt voor de zoveelste keer, dat het verleden zelden alleen maar verleden is. Het doet zich volop gelden in het heden. Niemand, en geen enkele kerkelijke groepering, staat geheel los van de traditie. Die traditie moge nog zo critisch beoordeeld worden, toch is zij er wél, en functioneert zij ook nog steeds. Een reden temeer om te vragen wat de oude gereformeerde traditie is, vertolkt in de oude gereformeerde belijdenissen.
3. 1984 Is het jaar waarin de 'Afscheiding' van 1834 zal worden herdacht. In oktober van dit jaar zal het 150 jaar geleden zijn dat Hendrik de Cock in Ulrum zich van de Hervormde Kerk afscheidde. In 1934 is het herdacht, en nu zal het opnieuw herdacht worden. Het zou de moeite lonen om eens na te gaan hoe het in 1934, dus 50 jaar geleden is herdacht, én hoe het nu herdacht gaat worden. Enig klimaatverschil is, naar mijn oordeel, in ieder geval aan te wijzen.
Reeds staan allerlei 'herdenkingen', 'publicaties' en 'lezingen' op stapel. We zullen opnieuw, meer dan gewoonlijk, herinnerd worden aan de diep betreurenswaardige verscheurdheid van wat men noemt de Gereformeerde Gezindte. En telkens zal opduiken de vraag: Was dit nodig? Had het ook anders gekund? En op de bodem van die vragen: Wat is de kerk? Wanneer is een kerk geen kerk meer? Wanneer overschijdt een kerk de grenzen van de ware naar de valse kerk? En is er, nu men niet zo gemakkelijk meer spreken kan van een valse Hervormde Kerk, soms een pluraliteit van kerken te constateren? Moeten we soms spreken van zuivere en minder zuivere kerken? Hoe te denken van de zogenaamde pluriformiteit der kerken waarover Kuyper het had? Allemaal vragen die de ecclesiologie betreffen, de leer aangaande de kerk.
De plaats van de kerk
Maar wenden wij ons nu tot de gereformeerde belijdenissen. Allereerst maar eens tot de Nederlandse. Andere, buitenlandse, kunnen dan wellicht later aan de orde komen.
Het eerste waar wij dan nu op willen wijzen is de plaats die de kerk gekregen heeft in onze belijdenisgeschriften.
In de Heidelbergse Catechismus is die plaats maar een zeer bescheidene. We kunnen bepaald niet zeggen dat de kerk in de Heidelbergse Catechismus domineert. Zeker, zij is steeds aanwezig, men mag ook zeggen: verondersteld. De Catechismus als zodanig is bestemd voor (jonge) leden van de kerk. Meermalen wordt gesproken in de wij-vorm, en dat wijst op een gemeenschap waarin allen staan, zowel degenen die onderwijzen als degenen die dat onderwijs ontvangen, en die gemeenschap is de kerk. Men noemt dan ook de Heidelbergse Catechismus terecht wel eens het leerboek der kerk.
Maar als het gaat over een expres behandelen van het thema: de kerk, dan moeten wij zeggen, dat de Catechismus haar bepaald niet op de voorgrond stelt. Hij behandelt de kerk daar waar zij in de Apostolische Geloofsbelijdenis ter sprake komt, dus bij de woorden: ik geloof een heilige algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen (Zondag 21). Nog verder teruggaande dan onze Catechismus kan men zeggen, dat ook in dit oud-christelijk symbool, de Apostolische Geloofsbelijdenis, de kerk niet dominerend is.
Heel anders is het in dit opzicht gesteld met de Catechismi die gangbaar zijn in de kerk van Rome. Hierin wordt veel nadrukkelijker en al van het begin af over de kerk gesproken. Een typisch voorbeeld daarvan biedt de Catechismus Romani, die een vrucht is van het Concilie van Trente. Het is dan ook geen wonder dat in bijna elke Symbolik, als bijv. die van de E. F. Karl Muller (Erlangen 1896) bij de bespreking van de leer der rooms-katholieke kerk allereest de ecclesiologie (leer aangaande de kerk) behandeld wordt. Heel de rooms-katholieke geloofsleer staat onder de beheersing van de kerkleer. Van reformatorische zijde is als critiek daarop wel naar voren gebracht dat bij Rome de kerk de plaats inneemt van de Heilige Geest en zijn werk. In elk geval: er is op dit punt een opvallend verschil tussen de rooms-katholieke kerk én de kerken van gereformeerde afkomst.
Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis biedt een beeld dat in dit opzicht principieel niet afwijkt van dat van de Catechismus. Pas in art. 27 komt voor het eerst de kerk uitvoerig ter sprake. Dan is de hele heilsfeer al behandeld. Dan is al uitvoerig gesproken over de erfzonde, de verkiezing en het werk van Christus. De Geloofsbelijdenis volgt hierin de structuur van Calvijns Institutie, die immers pas in boek IV enkele hoofdstukken wijdt aan de kerk, na eerst, in de boeken I tot en met III het werk van Vader, Zoon en Heilige Geest te hebben besproken. Natuurlijk heeft Calvijn hiermee niet willen zeggen dat de kerk niet zou thuishoren in het werk Gods, het werk van Vader, Zoon en Geest. Integendeel. De kerk rust bij hem in de verkiezing Gods! Zij is het lichaam van Christus. En zij wordt bijeenvergaderd door de Geest. En toch: hij zet haar achteraan. Onder de genademiddelen. Hierin is wellicht invloed van Luther te bespeuren. Maar ook een zekere reactie op de kerk-verafgoding van Rome. Niet de kerk maakt zalig, maar het geloof maakt zalig!
Wil dat zeggen dat de kerk ondergewaardeerd wordt? Geen sprake van. Zij heet de moeder der gelovigen. En ook Calvijn zegt dat men God niet tot Vader kan hebben als men de kerk niet tot moeder heeft. In het geding is dus niet de waarde van de kerk, maar de plaats van de kerk.
Zo moeten wij het ook zien dat de kerk in de Nederlandse Geloofsbelijdenis pas in art. 27 aan de orde komt. Haar waarde was niet in het geding. Niet minder dan 3 artikelen van de Belijdenis zijn aan haar gewijd, en daarop volgen dan nog eens 3 artikelen over de regering der kerk en haar ambten.
Maar: hoe hoog de waarde der kerk ook is, hoe onmisbaar zij ook is, zelfs voor het verkrijgen van onze zaligheid, haar plaats is een bescheidene, een dienende. Zij staat ónder de Heere. Zij staat ónder het Woord. Zij is instrument in de handen Gods. Zij is Gods instelling, zij is niet God zelf, en zij kan ook nooit het werk van Christus en zijn Geest vervangen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's