De noodzaak van Jezus' bloed
En zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. (Hebr. 9 : 22b)
In de jaarlijks terugkerende lijdensweken houdt de christelijke gemeente meer dan anders de ogen gericht op Christus als de Man van smarten en verzocht in krankheid. Wij zien Hem over de weg in het Evangelie ons getekend en die weg loopt uit op het kruis. En dat die weg zo loopt is geen toevalligheid, zodat hij evengoed anders had kunnen lopen. Neen, want het is de weg door God de Vader aangegeven. Naar de bepaalde raad en voorkennis van God kon deze weg niet anders zijn en moest Christus hem betreden ten einde toe. En als wij Hem proberen te volgen, wat is Hij dan wonderlijk schoon.
Niet in de ogen van alle mensen, maar wél voor een ieder, die gelooft, gelooft tot zaligheid. Voor alle anderen is Hij de onwaardigste onder de mensen. Niet waard om zich met Hem bezig te houden. Massa's mensen doen dat dan ook niet. Jezus is hun niets waard. Maar voor een mens, die zich waardeloos heeft leren kennen voor God, is Jezus in Zijn lijden de schoonste der mensenkinderen. In Zijn lijden, zeg ik. Niet dat Hij als Jezus van de Bergrede en als de barmhartige Hogepriester niét schoon zou zijn. Zoals wij Hem het land zien rondgaan, met innerlijke ontferming bewogen over het ellendige, is Hij óók schoon. Maar schoner is Hij, wanneer Hij opstaat van de Paasdis, waar Hij het brood heeft gebroken en de wijn vergoten - tekenen van Zijn Zelfofferande - om dan over de Olijfberg naar Gethsemané en vandaar over Gabbatha naar Golgotha te gaan. En daar op Golgotha is Hij toch wel het allerschoonst voor allen die geloven. Want daar, temidden van misdadigers en omstuwd door vijanden, bidt Hij voor hen. Daar, op dat gruwelijk hout, vloeit Zijn laatste bloed weg en daarmee stort Hij voor zulke overtreders Zijn ziel uit in de dood. En de Heilige Schrift doet ons dat bloed kennen als verzoenend bloed. Het is het bloed van het onbestraffelijk en onbevlekte Godslam. Het is geen bloed dat roept om wraak, als dat van Abel.
Integendeel. Het is het bloed dat vrede maakt en vrede verkondigt. Het is het bloed dat vergoten wordt tot vergeving van de zonden voor velen. Anders had er van vergeving nooit sprake kunnen zijn. Zo zegt Gods Woord dat. Zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. Dat zou nooit kunnen, vanwege de deugd van Gods gerechtigheid. Geen vergeving. Wie beseft volledig wat dat inhoudt? Geen vergeving van de zonde, die scheiding maakt tussen God en ons. Geen vergeving. Als de zonde blijft, dan ook de scheiding van God. De verlating door God. Alleen al de zonde, waarin wij ontvangen en geboren zijn, baart ons een eeuwige nacht. En wat komt daar niet bij aan zonde in ons leven, van de jeugd af aan? Hoe diep duister moet dan voor allen, ook voor u, de nacht van de verlating door God wel zijn? In al het levensverdiet, in zoveel moeite, zorg en angst, waaraan het leven zo rijk is, kunt ge reeds iets ontwaren van de avondschemer, die de eeuwige nacht meldt.
Heeft u dat eigenlijk nog nooit verontrust, omdat gij ten diepste niet gelooft dat het zo is? Bij velen is dat zo. Hun leven bewijst dat en ook hun spraak maakt hen openbaar, of zij 'kerks' zijn, of ook niet. Om de vergeving te geloven moet men óók, en eerst, de zonde geloven. En wanneer geloven wij echt onze zonden? Als wij ze zien in het heldere licht van Gods gerechtigheid en heiligheid. Dan wordt de zonde levend en gaat spreken. Dan wordt het: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonde, en: Mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. Om zijn zonde te zien, daar moet een mens ogen voor krijgen. Ogen verlicht door Gods Geest. Van onszelf zijn wij, met al wat wij weten, enkel duisternis. Daarom is ook het oordeel óver onszelf verduisterd. Waar geen levende kennis van zonde is, daar is ook geen droefheid over de zonde en ook geen droefheid naar God. Dan voelen wij ook niet de strikte noodzaak der vergeving, al zouden wij er in roemen. Onze roem is dan ijdel. Dan komt de roem der genade te kort. Dan is de noodzaak van de bloedstorting des Heeren ons niet duidelijk. Dan kunnen wij er niet goed inkomen met onze gedachten dat 'vanwege de waarheid en de gerechtigheid Gods niet anders kón worden betaald, dan door de dood van Gods Zoon'. Dat moet bij ons maar niet een rechtzinnig gedachtenspinsel zijn, of, wilt ge, een historisch geloof, zogenaamd, neen, God moet er van weten, hoe wij met deze dingen werkzaam zijn geworden voor Hem. Wat krijgt het woord 'vergeving' voor zoekende zondaren dan een liefelijke klank. Vergeving, zou dat kunnen voor zo'n zondaar, gescheiden van God en Zijn gunst, die beter is dan het leven? Ja dat kan. Daar heeft God Zelf voor gezorgd. En dat laat Hij ook weten. Hij maakt het bekend door Zijn Evangehe. En dat is het Evangelie van Jezus Christus en die gekruist. En een ander Evangelie is er niet. Dat is ook niet nodig. Het is het Evangelie van verzoening door voldoening. En elk ander 'evangelie' is ons innerlijk en wezenlijk vreemd. Alleen het Evangelie van het Kruis is ons een deur der hoop in het dodendal. Brandoffers noch offers voor de schuld voldeden aan Gods eis noch eer. Zulke offers zijn gebracht, overvloedig veel. Zij waren ook goed, want God Zelf had ze bevolen in Israël. Zij waren ook van rijke betekenis. Niet omdat zij op zichzelf de reiniging van de zonde teweeg brachten, want die zou er alleen zijn door de bloedstorting van de grote Mensen-Zoon. Op Zijn bloed zou het aankomen.
Met minder kon het niet toe. Dat wilde God Zijn Israël dan ook inprenten. In de tabernakel werden dan ook bijna alle dingen, alle voorwerpen, door bloed gereinigd. Bijna alle dingen. Want sommige dingen werden gereinigd door vuur, of water. Maar de reiniging door bloed overheerste. Dat was een schaduw van de toekomende goederen. En dat schaduwbeeld kón er zijn door het opkomende licht van de beloofde Verlosser. En daarom was het een boetvaardig mens zo goed en zoet bij de altaren te verkeren om daar de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken. Het gestorte bloed predikte de plaatsvervanging van Hem, die door Zijn zonden een doodswaardige was. Zo kon David overeenkomstig eigen ervaring die mens welgelukzalig noemen, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Maar dat kon en dat kan nooit buiten het bloed van Christus om. Onze gerechtigheden zijn gene. Maar met het bloedoffer van Zijn leven heeft de eeuwige Zoon, die Mens werd aan de gerechtigheid van de Vader genoeg gedaan. In het kruisbloed des Heeren is de hitte van Gods gramschap geblust. Vrede, vrede door het bloed van het kruis. Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Wie roept er uit de diepten van zonderouw en zondenood tot de Heere? Hij hope op de Heere, want bij Hem is goedertierenheid en véél verlossing. Het is door Hem, die voor goddelozen de weg ging naar het kruis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's