De kerk in de Gereformeerde Belijdenisgeschriften (2)
Waar het in de kerk allereerst op aankomt, is het geloof.
Het wezen der kerk
Wie zich ook maar enigszins verdiept in de leer aangaande de kerk, ontdekt al spoedig dat er een hele reeks van opvattingen over de kerk bestaat. Het maakt nog al wat verschil uit of men een oude rooms-kathoheke dogmatiek raadpleegt of een oude gereformeerde of een oude lutherse dogmatiek. En wat men in de moderne tijd, hetzij van rooms-katholieke, hetzij van protestantse zijde over de kerk naar voren brengt, is weer heel wat anders.
Een eerste vraag die steeds gesteld moet worden, is die naar het wezen van de kerk. Wat is de kerk? Gaan wij de verschillende wezensbepalingen na, dan zijn we al een eind op weg.
In onze tijd kan men herhaaldelijk horen dat de kerk een Gebeuren is, in het duits: een Geschehen. Men wil vooral niets weten van wat men een statisch kerkbegrip noemt. De kerk is een dynamisch geheel, móet dat zijn. Zij dient geheel en al gericht te zijn op de wereld en op de toekomst.
Men kan ook zeggen, dat men de kerk eschatologisch wil verstaan, dat wil zeggen: gericht op het einde. Men ziet de kerk dan geheel in het perspectief van het Rijk Gods; zij zou nauwelijks of in het geheel geen recht van bestaan hebben indien zij niet is gericht op het Rijk Gods. Rijk Gods en kerk wil men in geen geval, op welke wijze dan ook, doen samenvallen. De relatie die in onze Heidelbergse Catechismus gelegd wordt, in Zondag 48 tussen kerk en Koninkrijk Gods verbreekt men.
In de rooms-katholieke kerk is het sinds Vaticanum II een geliefde gedachte geworden dat de kerk het 'volk Gods' zou zijn. Daarmee is dan per definitie gegeven dat zij 'onderweg' is. Dus ook weer die dynamische visie op de kerk.
Ongeveer een 40 à 50 jaar geleden was het in de rooms-katholieke kerk gewoonte om te spreken over de kerk als het 'mystieke lichaam van Christus'. Dat beschouwde men toen al als een hele winst. Tevoren werd de kerk namelijk vooral als een strak geleid rechtsinstituut gezien. Maar heden is men ook met deze wezensbepaling: de kerk het lichaam van Christus, niet meer tevreden. Ook dat beeld acht men nog te statisch. De kerk moet 'vlottend' zijn.
Vanzelfsprekend heeft deze nieuwe visie op de kerk ook gevolgen voor de leer aangaande het ambt. Het Hervormde rapport: Wat is er aan de hand met het ambt? kan het ons leren. En het heeft gevolgen voor het staan van de kerk in deze wereld, voor haar spreken en handelen, dus ook voor haar belijden. Er is alleen nog maar voor een belijden ruimte, en nauwelijks nog voor een belijdenis.
Temidden van deze verwarring is het goed om ons eens af te vragen: en wat zegt onze oude Belijdenis aangaande het wezen der kerk?
In art. 27 van de Ned. Geloofsbelijdenis lezen wij 'dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heihge Geest'. Wij bespeuren in deze wezensbepaling de volgende elementen;
Een vergadering
De kerk is allereerst gezien als een vergadering. In de Latijnse tekst staan de woorden congregatio en coetus. We zullen deze woorden moeten verstaan in passieve zin. Het is niet de kerk zélf die vergadert, zij wórdt vergaderd. Christus is het die Zich een gemeente vergadert uit alle talen, volken en natiën. In deze zin spreekt ook de Catechismus over de kerk: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente... vergadert, beschermt en onderhoudt (Zondag 21).
Dit betekent al terstond dat de kerk niet gezien mag worden als alleen maar een zaak van mensen, die, om welke reden dan ook, er liefhebberij in hebben, kerk te zijn. De kerk is niet een louter menselijke vereniging. Zij is niet, om het wat deftiger te zeggen, een genootschap. Zij is ook niet een groep zoals er zovele groepen zijn. Zij is niet een club van gelijkgezinden. Zij is niet een organisatie die in het leven geroepen is tot het verwezenlijken van een of ander goed doel. Op de bodem van de kerk rust een geheimenis, het onzichtbare werk van Jezus Christus, de Zone Gods. De kerk moet allereerst beoordeeld worden naar haar geestelijke dimensie. En die onttrekt zich aan onze directe waarneming. Die is niet sociologisch in kaart te brengen. Men zal met de kerk altijd behoedzaam moeten omgaan. Wie haar aanrandt, randt 's Heeren oogappel aan. We mogen ons niet verkijken op het menselijke, al te menselijke in de kerk. Dat is er, zeer zeker. De kerk is niet volmaakt, was het nooit en zal het ook nooit zijn. Zij bestaat uit zondaren. Maar dat is niet alles wat van de kerk te zeggen valt. In onze Belijdenis staat een 'heilige' vergadering. Dat wijst op het mysterie van de kerk. Van geen enkele andere vergadering kan dat gezegd worden, alleen van deze ene vergadering.
Wil dat nu zeggen, dat geheel niets gezien wordt van dit werk van Christus? Ons antwoord is, dat dat in strijd zou zijn met het woord 'vergadering' zelf. Engelen kunnen in het onzichtbare vergaderd zijn, maar mensen nooit. Wat onze Belijdenis bedoelt met het woord 'vergadering' is niet, zoals men weleens zegt een civitas Platonica, dat wil zeggen een vergadering van onzichtbare geesten.
Neen, Christus' kerkvergaderend werk komt openbaar. Elke zondag. Als de gemeente opgaat naar Gods huis. Dan vergadert zich allerwege deze vergadering, en daarachter staat de onzichtbare hand van de Zone Gods die het eigenlijk doet.
Als we over de kerk spreken zullen we dus dankbaar onze hoofden mogen opheffen en ons mogen verblijden in het werk van de Heere Jezus Christus. Dat Christus er is en werkt, het is zichtbaar zo vaak de gemeente bijeenkomt. Alle eeuwen door heeft Hij zijn gemeente bijeengebracht en Hij doet het nog en zal, naar zijn belofte, het ook blijven doen.
Ware gelovigen
Het tweede wat van de kerk gezegd moet worden is dat zij bestaat uit 'ware gelovigen'. Let wel: we hebben het nog steeds over het wezen van de kerk. Zouden wij het hebben over de uiterlijke verschijning van de kerk dan zouden wij moeten zeggen: de kerk is een gemengde hoop, zij bestaat uit gelovigen en ook anderen, die niet gelovigen zijn, die niet van ganser harte zich tot God bekeerd hebben.
Maar dat is op dit moment niet aan de orde. Naar haar wezen bestaat de kerk uit ware gelovigen.
Er staat Christ-gelovigen. Hun geloof is dus maar niet een algemeen geloof. Het is geloof in Christus! Het is niet slechts een voor waar houden van een aantal waarheden en dogma's, hoe noodzakelijk dat ook is, het is méér: het is een rusten in Christus, een zich overgeven aan Hem, een zoeken van de gemeenschap met Hem.
Door zo nadrukkelijk over 'gelovigen' te spreken, zet de Belijdenis het geloof centraal. Waar het in de kerk allereerst op aankomt, is het geloof. Niet dat er vele activiteiten zijn, en dat de kerk, zoals men tegenwoordig vooral wil, zich binnenstebuiten keert; en zelfs niet dat er zending en evangelisatie bedreven wordt, hoe nodig dit ook is. Men kan geen goede vruchten plukken als de boom niet goed is. Goede werken kunnen alleen vrucht des geloofs zijn!
Het is wel extra nodig in onze tijd dit eens te onderstrepen. Allerwege bespeurt men een activisme dat voor het voortbestaan van de kerk levensgevaarlijk is. Men meent daarmee de kerk te dienen, maar het effect is tegenovergesteld. De prediking en alle arbeid in de kerk zal allereerst gericht moeten zijn op geloof, bekering, wedergeboorte. Een kerk waarin niet meer een levend geloof is, is een dode romp, ook al gonst het van activiteiten. Waar geen ware Christ-gelovigen meer zijn, bestaat de kerk alleen nog maar in naam. Dan heeft zij de naam dat zij leeft, maar is zij dood, zoals Christus zegt van de gemeente te Sardes.
Anderzijds, men zal dan ook werkelijk het gelóóf centraal moeten stellen. Niet de wedergeboorte of de bekering. Die komen samen mét het geloof, die zijn aan het ware geloof onlosmakelijk verbonden, maar centraal moet staan het geloof. Onze Belijdenis zegt niet, dat de ware kerk bestaat uit wedergeborenen of uit bekeerden, dat stelden de wederdopers en later de labadisten; onze Belijdenis zegt: gelovigen! Daarmee zijn wedergeboorte en bekering niet opzij gezet; integendeel, maar we moeten weten waar wij ze plaatsen. De Reformatie beleed het sola fide, door het geloof alleen! Christus kan op geen andere wijze de onze zijn dan door een levend geloof. Het is het geloof dat ons met Hem verenigt. Door het geloof zijn wij Hem ingeplant of ingelijfd. Door het geloof delen wij in al zijn weldaden. Door het geloof zijn wij met Hem één. Daarom zijn het de ware gelovigen die de kerk uitmaken.
Om nog even terug te komen op de anderen die niet geloven en toch leden van de kerk zijn. Zij staan in feite buiten het wezen van de kerk. Terecht zegt men weleens: zij zijn in de kerk maar niet van de kerk. En helemaal buiten staan zij niet. En nog minder is het onze taak ze er buiten te zetten. Wij kunnen niet over de harten oordelen. De Heere kent degenen die de Zijnen zijn.
Op deze aarde is het onmogelijk kaf en koren van elkaar te scheiden. Die eis wordt in onze Belijdenis ook niet gesteld. De reformatoren hebben in navolging van de kerkvaders die eis, te weten dat men de kerk zou zuiveren van alle kaf, dapper weerstaan.
Maar wel ligt in deze uitdrukking 'ware gelovigen' aan alle leden van de kerk een dringend appèl. Wees een levend lid van de gemeente! Dat wil zeggen: Leef uit de Heere Jezus Christus! Hij is de ware wijnstok, wees gij een levende rank!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's