Roeping en belofte
Het verzoek kwam tot ons om enkele dingen te schrijven over 'Het afleggen van belijdenis des geloofs' in een speciaal-nummer van de Waarheidsvriend, dat dan voor een groot deel gewijd zal zijn aan dit kerkelijk gebeuren. Het artikel zal dus moeten handelen over het 'doen van geloofsbelijdenis', kort omschreven in de twee kernwoorden die we als opschrift vinden boven dit artikel: Roeping en Belofte. Deze twee zelfstandige naamwoorden (roeping en belofte) willen we terug gaan vinden in een zinsnede van ons bekende formulier voor de kinderdoop, in de hoop dat we aan de hand daarvan plaats, inhoud, bedoeling en nog veel meer, van deze aldus geschreven 'geloofsbelijdenis' kunnen aangeven. De zinsnede uit het formulier die we op het oog hebben vinden we onder: Ten derde... De zin luidt: 'Aangezien in alle verbonden twee delen (partijen) begrepen zijn, zo worden wij ook weer van God door de Doop vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, namelijk dat wij deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest aanhangen...'.
Roeping
Dit is dus het eerste woord dat onze aandacht vraagt. We gaan nu niet eerst proberen aan te tonen dat we de juiste zinsnede uit het doopformulier uitgekozen hebben om de begrippen 'roeping en belofte' nader te omschrijven. We hopen dat dit in de loop van ons betoog min of meer vanzelf duidelijk zal worden. Wel kunnen we meteen al opmerken dat we, wat de woord-betekenis betreft, met de woorden 'vermaand en verplicht' in de buurt zijn van het woord 'roeping'. 'Geroepen-worden' kunnen we in het kerkelijk spraakgebruik omschrijven en misschien zelfs wat nader toelichten door de woorden 'vermaand (onderwezen) en verplicht worden'. Het verband waarin de aangehaalde zin uit het Doopformulier staat, wijst ons er op dat we in die zin de klemtoon moeten leggen op 'wij'. Eerst wordt gezegd wat de drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, als eerste partij in het genadeverbond in en door de Doop betuigt, verzegelt en verzekert; en dan komen wij mensen aan de beurt; ook wij hebben dan namelijk onze 'verplichtingen'. Verder vernemen we dat we door God vermaand en verplicht worden. Als het dus waar is dat die vermaning en verplichting overeenstemmen met het woord 'roeping' uit ons opschrift, dan is dus het doen van belijdenis een goddelijke roeping. Niet de omstandigheden, de leeftijd, ons inzicht, de begeerte van de ouders of van de kerkelijke gemeente of wat dan ook roept ons, maar wij worden door God zelf vermaand en verplicht. Er volgt dan dat God ons vermaant en verplicht door de Doop. De onverdiende en zelfs ongevraagde genade die God in Zijn Woord aan doodschuldige zondaren schenkt en dan nog eens door het sacrament verduidelijkt, verzegelt en verzekert, legt op de mens een onuitsprekelijk indringende vermaning en verplichting tot een nieuwe gehoorzaamheid. Hiermee hebben we eigenlijk al meteen een antwoord gegeven op een vraag die zou kunnen opkomen: We zijn hier toch bezig met het bewandelen van de weg van het genadeverbond; is dan de volgorde van de twee woorden uit het opschrift wel juist? Roeping en belofte; moeten we deze volgorde niet omkeren? Nu lijkt het er meer op dat we bezig zijn in een 'werkverbond'; eerst moeten wij onze roeping nakomen en dan pas gaan Gods beloften functioneren; doe dat en gij zult leven. Het is inderdaad zo dat in een genadeverbond God met Zijn beloften de eerste is. Maar dat is hier ook het geval. Aan de aangehaalde zin uit het doopformuher gaat nog een heel stuk vooraf, namelijk de Doop zelf; daarin geeft God niet alleen Zijn belofte maar Hij verzegelt die nog bovendien door het sacrament. En dat aan kleine kinderen die deze dingen nog niet eens verstaan, laat staan dat ze die door hun plichten zouden verdienen. Dit beloven Gods gaat in de Doop aan het belijdenis-doen van de mens vooraf; de mens is de tweede partij in dat verbond.
In de derde doopvraag beloven de ouders van het gedoopte kind dat zij dat kind als het tot zijn verstand gekomen is naar vermogen in die leer zullen onderwijzen of doen en helpen onderwijzen. Maar als dan dat onderwijs in die zin afgesloten wordt dat de kinderen tot (kerkelijke) volwassenheid zijn gekomen, dan moeten ze ook zelf kiezen en beslissen. Zolang dit niet gebeurt is het verbond niet (af)gesloten, niet rond; er ontbreekt nog één partij aan. Aan Gods roeping uit het opschrift gaat dus wel degelijk Zijn belofte vooraf (de Doop). En nu zien we in het opschrift dat goddelijke roeping ook gevolgd wordt door Gods belofte. Daar moeten we straks wat uitvoeriger op terugkomen. Nu wijzen we er alleen maar op dat de goddelijke roeping van de mens ingebed ligt, van alle kanten omvangen wordt door Gods beloften.
Het afleggen van geloofsbelijdenis is dus het afsluiten van een periode van onderwijs, groei en opvoeding; het is zodoende tevens het begin van een volgende periode; een gedachte die we herhaaldelijk in de Schrift tegenkomen. Aan het einde van de 40-jarige woestijnreis zegt Jozua tot het volk: 'Kiest u heden wij gij dienen zult' (Joz. 24 : 15). Deze weg van het genadeverbond ging de Heere ook met Israël. Met de komst van Johannes de Doper wordt een (opvoed)periode afgesloten en tegelijk een periode van kiezen en beslissen ingeluid. Uitvoerig handelt Paulus daarover o.a. in de brief aan de Galatiërs: Zolange tijd de erfgenaam een kind is... (Gal. 4 : 1 e.v.). Het wordt nu tijd dat we het tweede woord uit het opschrift in onze overwegingen gaan betrekken.
Belofte
De gedachte van het afsluiten van de ene, en het binnengaan van een andere periode bracht er ons toe om nu een beeld er bij te gebruiken dat de Schrift ons zelf aanreikt. Als Mozes voor de grens van Kanaän de periode van de woestijnreis en tegelijkertijd die van zijn leiderschap afsluit, gebruikt hij het beeld van de arend die zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugels uitbreidt en ze neemt en draagt op zijn vlerken (Deut. 32 : 11). In dit beeld hebben we met dezelfde gedachte te maken. In het nest, hoog in de bergen, op een steile rots, zijn de jonge arenden gevoed en gegroeid; ze zijn nu zowat volwassen geworden en moeten nu op eigen wieken leren drijven. Met dit beeld voor ogen gaan we nu eens kijken naar wat de arend doet, maar ook naar wat hij niet doet. Dat laatste is van belang en daar beginnen we dan ook mee. Als het afgaan op hetgeen wij denken en doen als we gekomen zijn op het punt van kiezen en beslissen als we daartoe tot God geroepen worden, en als we dat dan gaan omschrijven in de taal van het hier gebruikte beeld, dan zouden de oude arenden de jongen mee moeten nemen uit het nest, ze op de begane grond neerzetten en dan de jongen aansporen om eens te proberen hoog te vliegen. Of we omringen ze met vrome wensen en gebeden dat ze nog eens tot echt vliegen mochten komen. Soms zien we ook daar maar van af en sporen we de jonge vogels aan om dan maar van vlieg-vogels tot loopvogels te worden, zoals kippen en struisvogels dat ook zijn: de aanstaande lidmaten belijden alleen maar een 'historisch' geloof. In ieder geval leggen we de jongen helemaal beneden op de grond. Uitvoerig staan we stil bij de verdorvenheid van de mens, zijn diepe val in Adam, de onbekwaamheid tot enig goed en de geneigdheid tot alle kwaad; van nature zijn we allen zondige en verloren mensen, enz. Maar is dat dan allemaal niet waar en is het niet nodig de mens van kinds af aan in deze aangrijpende werkelijkheid duidelijk te onderwijzen? Natuurlijk wel! Maar als we deze werkelijkheden hier en zo gaan gebruiken, vegen we Gods roeping, Zijn vermaning en verplichting van de tafel met een beroep op onze onmacht. We moeten aan die onmacht niet knoeien, want inderdaad komen die jonge arenden die daar zo op de grond liggen, evenmin als de mens, al vliegende een centimeter omhoog. Maar wat nog veel erger is en ons helaas maar al te vaak ontgaat is dit: op die manier kunnen die jonge arenden ook helemaal niet meer omlaag. Ze kunnen niet meer uit de hoogte tegen de grond te pletter vallen, want ze liggen al op de grond. M.a.w. er blijft geen echte ruimte meer over voor Gods werken en voor Zijn belofte, zoals die immers volgde op Zijn roeping en verplichting.
De arend gaat dan ook heel anders te werk. De jongen wippen niet in jeugdige overmoed al over de rand van het nest heen, maar de oude arend stoot zelf het groot geworden jong over de rand van het nest. De jonge vogel, die nog nooit gevlogen heeft, fladdert en spartelt wat rond daar hoog in de lucht, maar ondertussen is hij wel ontstuitbaar bezig in de diepte neer te storten en te pletter te vallen. Maar de oude arend die boven het jong zweeft, duikt nu onder de neerstortende jonge vogel, vangt die op en draagt hem naar het nest terug. En zo komen we toe aan het waar-maken van hetgeen God beloofde. Ook hier is dus sprake van onmacht en totale verlorenheid van de jonge vogel, maar de hele situatie is toch wel volkomen anders dan van die vogel die feitelijk rustig en onbedreigd daar op de begane grond ligt. God stoot dus door Zijn vermaning, verplichting en roeping de mens ineens in een situatie waarin voor die mens alleen maar een te-pletter-vallen overblijft. Maar daar schiet Hij in Zijn vaderlijke liefde toe, gelijk Hij beloofd heeft. Zo is het bij het doen van belijdenis, maar bijv. ook als God ons nodigt (roept) tot het deelnemen aan het Heilig Avondmaal, of als Hij ons, via de gemeente, roept tot het vervullen van een kerkelijk ambt. Als we lezen wat onze Catechismus over het Avondmaal zegt (Zondag 28), dan komen we daar onze woorden van roeping en belofte weer tegen: wij worden in het Avondmaal vermaand en verzekerd...
In het antwoord komt dat nog weer eens terug: Christus heeft mij en alle gelovigen bevolen te eten en te drinken... en daarbij ook beloofd... Ook in de zin die we uit het doopformulier aanhaalden vinden we hetzelfde eigenlijk weer terug. Wij worden door de Doop door God vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid... En dan gaat het formulier verder en zegt: 'En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vervallen, zo moeten we aan Gods genade niet vertwijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen, aangezien de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat we een eeuwig verbond der genade met God hebben'; en in dat verbond liggen Zijn beloften van genade en trouw opgesloten.
Nu is het bij de arenden zo, dat de jongen door deze oefeningen vrij spoedig leren zelf te vliegen en op eigen wieken te drijven. Maar de mens zal in dit leven nooit boven deze oefenperiode uitkomen. Anders gezegd: God belooft dus niet dat zij aan deze kant van het graf de vliegkunst al volledig machtig zullen worden; voor dit leven belooft Hij alleen maar dat Hij boven hen zal zweven en degenen die ten dode neerstorten op zal vangen op Zijn vleugelen. Men doet immers geloofsbelijdenis en geloven is niet anders dan afzien van en wegvluchten bij zichzelf vandaan om dan met alle zonden, zorgen en noden zich te laten zinken op Hem die kwam om zondaren te redden en te helpen in nood. En dat geloof moet telkens weer leren putten uit de beloften die Hijzelf gegeven heeft. Om dat geloof te voeden, te oefenen en te versterken, gebeurt het wel eens dat de Heere net doet alsof Hij hun gespartel en hun neerstorten niet merkt. Toen de discipelen op het meer door een storm overvallen werden, sliep hun Meester. Zij schreeuwden: 'Heere behoed ons, wij vergaan'. En de Heere antwoordde: 'Wat zij gij vreesachtig, gij kleingelovigen' (Matth. 8 : 23 e.v.). Soms is het zelfs nog erger; de discipelen dreigen in een vliegende storm te vergaan, en Christus is helemaal niet bij hen; ze hebben Hem op de oever achtergelaten. Maar Hij komt toch, wandelend over het water, dus door de weg van het wonder (Matth. 14 : 22 e.v.).. Als de Heere ons vermaant en verplicht, ons roept, waar dan ook toe, dan is het met onze bekwaamheid om te gehoorzamen wel erg droevig gesteld. Zelfs Paulus zegt daarvan dat hij van zichzelf nog niet eens bekwaam was om iets te denken, als uit zich zelf. Het is dan ook te begrijpen dat een mens zo geen vrijmoedigheid kan vinden om aan (Gods) roeping gehoor te geven. Maar als Paulus er dan (2 Cor. 3 : 5) aan toevoegt: maar onze bekwaamheid is uit God, en als we dan weten dat God zelf dit ook beloofd heeft, dan komt er een andere vraag naar boven: 'Waar haalt de mens de vrijmoedigheid vandaan om de goddelijke roeping af te wijzen? '
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 maart 1984
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's